id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 14 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191114.15 Rolnummer: C.18.0600.N Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Burgerlijk recht - Handelsrecht Invoerdatum: 2019-12-02 Raadplegingen: 774 - laatst gezien 2026-06-29 07:10 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191114.15 Fiches 1 - 2 Het in een cassatievoorziening vermelden van een als geschonden wettelijke bepaling die niet van toepassing is op het geding maar die in identieke bewoordingen de wel toepasselijke en inmiddels opgeheven wetsbepaling herneemt, geeft geen aanleiding tot de onontvankelijkheid van het cassatiemiddel nu deze vergissing geen incidentie heeft op de beoordeling van de gegrondheid ervan
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd - Niet toepasselijke wet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Vereiste vermeldingen Vrije woorden: Vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd - Niet toepasselijke wet - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1080 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiches 3 - 4 Het feit ter rechtvaardiging van de beëindiging zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn van de handelsagentuurovereenkomst is bekend aan de partij die zich er op beroept wanneer deze omtrent het bestaan van het feit voldoende zekerheid heeft om met kennis van zaken te kunnen beslissen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Beëindiging zonder opzegging - Bekend feit ter rechtvaardiging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 19, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Beëindiging zonder opzegging - Bekend feit ter rechtvaardiging - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 19, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Fiches 5 - 6 Het tijdstip waarop de partij zich van het bestaan en de ernst van het feit rekenschap had kunnen geven, noch het gegeven dat een onderzoek ter verkrijging van voldoende zekerheid eerder had kunnen worden ingesteld zijn bepalend om tot laattijdigheid van de beëindiging zonder opzegging te besluiten
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - EINDE Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Beëindiging zonder opzegging - Bekend feit ter rechtvaardiging - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 19, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Thesaurus CAS: KOOPHANDEL. KOOPMAN Vrije woorden: Handelsagentuurovereenkomst - Beëindiging zonder opzegging - Bekend feit ter rechtvaardiging - Tijdstip Wettelijke bepalingen: Wet 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst - 13-04-1995 - Art. 19, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1995009425 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Belgisch handelsrecht [TBH] - 2020, nr. 3, p. 321-
- - DE GROOF, Ben; Noot'Termijn voor opzegging van de handelsagentuur wegens ernstige fout-Analogie met de arbeidsovereenkomst' Tekst van de conclusie C.18.0600.N Conclusie van eerste advocaat-generaal Ria Mortier
- Feiten en procedure Tussen (de rechtsvoorgangster van) eiseres en verweerster werd met ingang van 1 december 2003 een agentuurovereenkomst van onbepaalde duur afgesloten. Eerste verweerster baatte twee bankkantoren uit in naam en voor rekening van eiseres. Naar aanleiding van onregelmatigheden waarvan één van de cliënten van het bankkantoor melding maakte in een brief gericht aan (de rechtsvoorgangster van) eiseres, stelde deze een onderzoek in op grond waarvan een einde werd gesteld aan de agentuurovereenkomst. Bij gebrek aan een minnelijke regeling ging eiseres over tot dagvaarding en formuleerden verweerders een aantal tegenvorderingen. In het thans bestreden arrest beoordeelt de appelrechter de beëindiging van de agentuurovereenkomst als onregelmatig en wordt eiseres veroordeeld tot betaling van een opzeggings- en uitwinningsvergoeding. Tegen dit arrest van 4 juni 2018 van het hof van beroep te Antwerpen voert eiseres één middel aan, bestaande uit twee onderdelen.
- Bespreking 2.
- Het middel van niet ontvankelijkheid In een tijdig neergelegde memorie van antwoord voeren verweerders aan dat het middel niet ontvankelijk is nu eiseres enkel artikel X.17 WER als geschonden wetsbepaling aanvoert, terwijl het gelet op de datum waarop de overeenkomst werd afgesloten niet dat artikel is dat op de feiten van toepassing is, maar wel artikel 19 van de Handelsagentuurwet. Een strikte toepassing van artikel 1080 Ger.W. leidt inderdaad tot de niet-ontvankelijkheid van het middel. Verweerders stellen immers terecht dat artikel X.17 WER dat als geschonden artikel wordt aangeduid, slechts werd ingevoegd bij wet van 2 april 2014 die op 31 mei 2014 in werking is getreden en deze volgens de overgangsbepalingen slechts geldt voor de overeenkomsten die na de datum van inwerkingtreding worden gesloten. Uit de stukken waarop mag worden acht geslagen blijkt evenwel dat de overeenkomst in de thans voorliggende zaak voordien werd aangegaan. Uw Hof staat in zijn rechtspraak evenwel een eerder soepele interpretatie voor. Zo is een middel dat zich op de gewijzigde tekst van een wetsbepaling beroept, terwijl een eerdere tekstversie van de wetsbepaling van toepassing is, wel ontvankelijk is als de wijziging van de aangehaalde wetsbepaling, zoals een toegevoegde paragraaf
(1)of een gedeeltelijke opheffing ervan
(2), geen invloed kan hebben op de gegrondheid van het middel.
(3)Kan de gewijzigde tekst van de aangehaalde wetsbepaling daarentegen wel een invloed hebben op de gegrondheid van het middel
(4)of, sterker, heeft die gewijzigde tekst niets met de aangevoerde grief te maken
(5), dan is het middel niet ontvankelijk. Niet onduidelijk en bijgevolg ontvankelijk is, aldus Uw Hof, ook het middel dat enkel de wetsbepaling aanhaalt die de in werkelijkheid als geschonden geachte wetsbepaling heeft gewijzigd, aangezien door de vermelding van die wijzigende wetsbepaling "geen twijfel kan bestaan over de wetsbepaling waarvan de schending wordt aangeklaagd"
(6). Ook de manifest per vergissing vermelde verwijzing naar een verkeerde paragraaf van eenzelfde artikel, die "geen enkel inhoudelijk gevolg" heeft gehad, voldoet aan het vereiste van artikel 1080 Ger.W.
(7). In de zaak die thans voorligt is geen sprake van een gewijzigde tekstversie, van een verwijzing naar een wetsbepaling die enkel artikel 19 zou wijzigen, of van een verkeerdelijk aangehaald lid van een verder wel toepasselijke wetsbepaling, maar werd de toepasselijke wetsbepaling, namelijk artikel 19 Handelsagentuurwet opgeheven
(8)en werd woordelijk dezelfde rechtsregel vervolgens ingevoerd met artikel X.17 WER. Naast de identieke woordelijke overname van de tekst blijkt bovendien uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp, dat artikel X.17 WER de reïncarnatie van artikel 19 Handelsagentuurwet is. Met de wet van 2 april 2014 houdende invoeging van boek X "Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht is de wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst hernomen in boek X van het WER
(9). Het komt mij in die omstandigheden voor dat het niet ontvankelijk verklaren van het middel op grond van een manifest verkeerde verwijzing die geen enkel inhoudelijk gevolg heeft, blijk zou geven van een te strikt en disproportioneel formalisme dat een barrière zou kunnen vormen voor de toegang tot de rechter. Het middel van niet-ontvankelijkheid moet derhalve worden verworpen. 2.
- Het eerste onderdeel 2.2.
- In het eerste onderdeel voert eiseres twee grieven aan, beide vertrekkend vanuit de vraag naar de verhouding tussen de kennisname/ het onderzoek van de feiten en het startpunt van de zeven werkdagentermijn die artikel 19 Handelsagentuurwet oplegt. De appelrechter zou, aldus eiseres, artikel X.17 WER, (lees artikel 19 Handelsagentuurwet,) miskennen door eiseres te hebben verweten onderzoek te hebben gevoerd op een manier naar haar keuze(eerste grief) en door eiseres de verplichting op te leggen zich tijdig van de feiten en van de ernst ervan rekenschap te geven, welke voorwaarde de vermelde wetsbepaling niet bevat (tweede grief). 2.2.
- Voormeld artikel 19, eerste lid bepaalt dat elke partij, onverminderd alle schadeloosstellingen, de overeenkomst zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn kan beëindigen, wanneer uitzonderlijke omstandigheden elke professionele samenwerking tussen de principaal en de handelsagent definitief onmogelijk maken of wanneer de andere partij ernstig tekortkomt in haar verplichtingen. Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel kan de overeenkomst niet meer worden beëindigd zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn, wanneer het feit ter rechtvaardiging hiervan sedert ten minste zeven werkdagen bekend is aan de partij die zich erop beroept. Uit de rechtspraak van uw Hof volgt dat de termijn van zeven werkdagen ingaat wanneer het feit ter rechtvaardiging van de beëindiging zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn, ter kennis is gekomen van de persoon die, of in het geval van een rechtspersoon, het orgaan dat bevoegd is om de handelsagentuurovereenkomst te beëindigen
(10). De bevoegde persoon/het bevoegde orgaan heeft kennis van het bestaan van het feit en de omstandigheden die daarvan een reden tot beëindiging zonder opzegging kunnen uitmaken, zodra hij/zij voldoende zekerheid heeft om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, inzonderheid voor zijn/haar eigen overtuiging en tevens tegenover de andere partij en het gerecht
(11). De bevoegde persoon/het bevoegde orgaan moet niet alle bewijzen in handen hebben maar wel voldoende elementen om voldoende zekerheid te hebben over het bestaan van de feiten
(12). Om die voldoende elementen in handen te krijgen, mag de partij die de overeenkomst beëindigt, naar analogie met artikel 35 AOW waarop artikel 19 Handelsagentuurwet is gecalqueerd
(13), een onderzoek voeren naar de feiten
(14). Die partij mag met de beëindiging wachten tot zij het nodige onderzoek heeft gevoerd. Ze moet/mag niet op vermoedens voortgaan
(15). Die subjectieve invulling van het startpunt van de termijn van zeven werkdagen (en de mogelijkheid van onderzoek) neemt niet weg dat de rechter zich over de naleving van de termijn kan buigen
(16). De vraag rijst daarbij in welke mate de rechter het gevoerde onderzoek kan toetsen. Heeft de partij die de overeenkomst verbreekt met andere woorden vrij spel in het onderzoek dat ze voert, zoals in de eerste grief wordt aangevoerd, of moet ze zich tijdig rekenschap geven van de ernst van de feiten waarvan ze kennis neemt (tweede grief)? 2.2.3. De rechtspraak van Uw Hof inzake artikel 35 AOW is sinds 1988 constant. In zijn arrest van 25 april 1988 besliste het Hof dat artikel 35 AOW niet de vereiste stelt dat de werkgever zich "tijdig" rekenschap geeft van de als dringende reden aangevoerde feiten en van de ernst ervan. In de bijzondere omstandigheden waarbij ten aanzien van de werknemer reeds vermoedens bestonden, besliste de appelrechter ten onrechte dat de werkgever, die zelf aan de hand van zijn boekhouding de ernst van de feiten kon nagaan, "ofwel [...] tijdig kennis [heeft] genomen van de ten laste gelegde feiten en [...] ze deze niet tijdig [heeft] betekend; ofwel [...] zich laattijdig rekenschap [heeft] gegeven van de zwaarwichtigheid ervan en [...] deze laattijdige kennisgeving enkel te wijten [is] aan haar eigen stilzitten waardoor zij impliciet erkent dat het ten laste gelegde feit niet van aard was elke professionele samenwerking onmiddellijk en definitief onmogelijk te maken"
(17). Latere arresten gaan in dezelfde zin. Zo oordeelde uw Hof dat uit geen enkele bepaling van artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 volgt dat het onderzoek dat de werkgever beveelt om over het aangevoerde feit voldoende zekerheid voor zijn overtuiging te verkrijgen, en ook tegenover de andere partij en het gerecht, onverwijld moet worden aangevat en snel moet worden gevoerd
(18). Het Hof bevestigde op 15 juni 2015 zijn eerdere rechtspraak
(19)dat de appelrechter rekening moet houden met de datum waarop het feit aan de werkgever bekend is, en niet de datum waarop het feit aan hem bekend kon of moest zijn
(20). Een kanttekening maakte het Hof in zijn arrest van 8 april 1991 door te oordelen dat "uit de vaststelling dat de ontslaggevende partij het onderzoek naar de ernst van de als dringende reden in aanmerking komende feiten nodeloos lang heeft laten aanslepen, de rechter wettig kan afleiden dat die feiten de samenwerking tussen partijen niet onmiddellijk en definitief onmogelijk maken en dus geen dringende reden tot ontslag vormen"
(21). Onderzoeksmaatregelen blijken nodeloos "s'il résulte des circonstances de la cause qu'avant même de procéder à de telles investigations, l'auteur de la rupture disposait de l'ensemble des éléments d'appréciation nécessaires lui permettant d'acquérir une certitude suffisant à sa propre conviction ainsi qu'au travailleur et à la justice"
(22). 2.2.4. Voor artikel 19 Handelsagentuurwet
(23)wijst de rechtsleer vooral op de idee dat er niet mag worden getalmd "zo niet gaat men voorbij aan de bedoeling van deze korte termijn van 7 werkdagen. Talmt men te lang dan kan men daaruit afleiden dat de samenwerking niet onmiddellijk en definitief onmogelijk is"
(24). De rechter kan naar analogie met artikel 35 AOW nagaan of het onderzoek dienstig is om een eigen overtuiging te vormen, en niet is aangewend om de termijn van zeven werkdagen kunstmatig te rekken
(25). Uit wat voorafgaat volgt dat het onderdeel, in zoverre het voorhoudt dat de eiseres een eigen onderzoek op een wijze naar haar keuze mag voeren, faalt naar recht. Het onderzoek is toegelaten, doch niet zomaar naar eigen keuze van de eiseres. Het onderzoek mag immers niet té lang aanslepen, en zeker niet om dilatoire redenen worden gevoerd. 2.2.5. Voor wat betreft de tweede grief dat artikel 19 Handelsagentuurwet niet vereist dat de eiseres zich tijdig rekenschap geeft van de feiten en hun ernst, lijkt het onderdeel mij in lijn met de voormelde vaste rechtspraak van uw Hof met betrekking tot artikel 35 AOW, wel gegrond. Uit wat voorafgaat volgt immers dat voor de toepassing van artikel 19 Handelsagentuurwet enkel bepalend is het tijdstip waarop het bestaan en de ernst van de feiten bekend is aan de partij die er zich op beroept en niet het tijdstip waarop die partij zich hiervan rekenschap had moeten geven of moeten kunnen geven. Indien het verkrijgen van die voldoende zekerheid eigen onderzoek vereist kan de enkele omstandigheid dat dit onderzoek eerder had kunnen ingesteld worden of eerder had kunnen afgerond worden op zich niet volstaan om tot het laattijdig opzeggen van de overeenkomst te besluiten. Hoewel de appelrechter woordelijk beslist dat de eiseres eerder kennis "had" van "deze feiten", doet hij dat op grond van de vaststelling dat "deze feiten" onmiddellijk binnen de bank "konden" worden gecontroleerd en de eiseres geen rechtvaardiging voorbrengt waarom het onderzoek meer dan twee weken in beslag "zou" hebben genomen. De appelrechter oordeelt dus wel degelijk dat de eiseres eerder dan op 1 februari 2013 kennis "kon" of "moest" hebben en dus dat ze zich "tijdig" rekenschap hoorde te geven. Het onderdeel komt in zoverre gegrond voor. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Conclusie: vernietiging met verwijzing. _______________________
(1)Cass. 22 juni 1998, AR C.97.0355.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980622.7, Arr.Cass.1997, nr. 328.
(2)Cass. 22 april 2010, AR C.09.0270.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14, AC 2010, nr. 274; Cass. 21 mei 1990, AR 8847,Arr.Cass, 1990, nr. 553; B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, VUB, proefschrift, 1993, randnr. 110; B. VANLERBERGHE en J. VERBIST, "Artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek en de verplichte vermelding van de geschonden wettelijke bepalingen in het middel tot cassatie: een excessief formalisme?" in Liber spei et amicitiae. Liber amicorum Ivan Verougstraete, Brussel, Larcier, 2011, 124.
(3)F. BAUDONCQ, Art. 1080 Ger.W. in Gerechtelijk recht. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, 2017, losbl., 44.
(4)Cass. 12 januari 2006, AR C.04.0151.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3, AC 2006, nr. 31; Cass. 18 september 1992, AR F.1944.N, AC 1992, nr. 622; Cass. 7 september 1987, AR 5694, Arr.Cass.1987, nr. 5.
(5)Cass. 20 februari 2003, AR F.01.0080.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030220.7, AC 2003, nr. 122; Cass. 14 mei 2001, AR F.99.0153.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010514.5, AC 2001, nr. 277; Cass. 9 maart 1998, AR S.97.86.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980309.6, AC 1998, nr. 131; Cass. 9 januari 1995, AR S.94.0078.F ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950109.6, AC 1995, nr. 16; Cass. 29 oktober 1990, AR 7167, Arr.Cass. 1990, nr. 112.
(6)Cass. 28 juni 1982, AR 3515, Arr.Cass.1982, nr. 653; B. MAES, Cassatiemiddelen naar Belgisch recht, VUB, proefschrift, 1993, randnr. 110.
(7)Cass. 4 februari 2011, AR C.10.0459.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.7, AC 2011, nr. 107.
(8)Artikel 4, 1°, van de Wet van 2 april 2014 houdende invoeging van boek X "Handelsagentuurovereenkomsten, commerciële samenwerkingsovereenkomsten en verkoopconcessies" in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van de definities eigen aan boek X in boek I van het Wetboek van economisch recht.
(9)Parl.St. Kamer 2013-14, Doc 53 3280/001.
(10)Cass. 30 januari 2015, AR C.13.0622.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150130.2, AC 2015, nr. 71, met concl. van advocaat-generaal C. VANDEWAL, ook gepubliceerd in NJW 2015, 497, met noot S. GUILIAMS.
(11)Cass. 8 november 2007, AR C.05.0567.N ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.4, AC 2007, nr. 535. Zie in dezelfde zin voor artikel 35 AOW: Cass. 6 september 1999, AR S.98.0122.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990906.7, AC 1999, nr. 437.
(12)E. DURSIN, "Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst" in P. NAEYAERT en E. TERRYN (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, Brugge, die Keure, 2009, 175; F. HELLEMANS en A. DEDECKER, "Handelsagentuur" in A. DE BOECK en R. VAN RANSBEECK (eds.), Opzegging van handelscontracten, Brussel, Larcier, 2014, 148; B. TILLEMAN, E. DURSIN, E. TERRYN, C. HEEB en P. NAEYAERT, "Overzicht van rechtspraak. Bijzondere overeenkomsten. Tussenpersonen 1999-2009", TPR 2010, 988; K. VAN DEN BROECK, "De beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst" in E. DURSIN en K. VAN DEN BROECK (eds.), Handelsagentuur, Gent, Mys&Breesch, 1997, 276.
(13)Parl.St. Kamer 1991-92, nr. 1750, Senaat 1991-92, nr. 355. Zie onder andere: A. DE THEUX, La fin du contrat d'agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997, 32-33; O. VANACHTER, "Duur en beëindiging" in J. STUYCK (ed.), De handelsagentuurovereenkomst. De nieuwe wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Brugge, die Keure, 1995, 89-90.
(14)Zie voor artikel 35 AOW: Cass. 6 september 1999, AR S.98.0122.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990906.7, AC 1999, nr. 437; Cass. 7 december 1998, AR S.97.0166.F ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981207.10, AC 1998, nr. 506; Cass. 14 oktober 1996, AR S.95.0116.F ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961014.1, AC 1996, nr. 380; C. ENGELS en Y. VAN DER SYPE, Ontslag wegens dringende reden, Mechelen, Kluwer, 2015, 25; S. LACOMBE, A.-F. BRASSELLE en E. CARLIER, Le droit de la rupture du contrat de travail, Brussel, Larcier, 2018, 547 en 554 e.v.; D. MERTENS, "De beëindiging van de handelsagentuur wegens voortdurende ernstige tekortkoming" (noot onder Cass. 8 november 2007), RW 2008-09, 279.
(15)P. CRAHAY, La rupture du contrat d'agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 64; A. DE THEUX, La fin du contrat d'agence commerciale, Brussel, Bruylant, 1997, 45; O. VANACHTER, "Duur en beëindiging" in J. STUYCK (ed.), De handelsagentuurovereenkomst. De nieuwe wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Brugge, die Keure, 1995, 91; Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, Commentaar bij art. X.16-17 WER in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, II, Agentuur, Mechelen, Kluwer, 2015, losbl., 22. Zie voor artikel 35 AOW: C. ENGELS en Y. VAN DER SYPE, Ontslag wegens dringende reden, Mechelen, Kluwer, 2015, 23; W. VAN EECKHOUTTE, A. TAGHON en S. VANOVERBEKE, "Overzicht van rechtspraak. Arbeidsovereenkomsten (1988-2005)", TPR 2006, 491.
(16)Net zoals de rechter mag beoordelen of er wel sprake is van een ernstige tekortkoming: Cass. 23 april 2018, AR C.17.0568.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180423.1, AC 2018, nr. 259; P. CRAHAY, La rupture du contrat d'agence commerciale, Brussel, Larcier, 2008, 48 (algemeen) en 52-53 (over de ernst van de tekortkoming); E. DURSIN, "Beëindiging van de handelsagentuurovereenkomst" in P. NAEYAERT en E. TERRYN (eds.), Beëindiging van overeenkomsten met handelstussenpersonen, Brugge, die Keure, 2009, 172; F. HELLEMANS en A. DEDECKER, "Handelsagentuur" in A. DE BOECK en R. VAN RANSBEECK (eds.), Opzegging van handelscontracten, Brussel, Larcier, 2014, 144; Y. VAN COUTER, F. PAUWELS en P. DE SMEDT, Commentaar bij art. X.16-17 WER in Bijzondere overeenkomsten, Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, II, Agentuur, Mechelen, Kluwer, 2015, losbl., 16-17.
(17)Cass. 25 april 1988, AR 6086, Arr.Cass. 1987-88, nr. 511.
(18)Cass. 17 januari 2005, AR S.04.0101.F ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050117.6, AC 2005, nr. 31. Zie ook: S. LACOMBE, A.-F. BRASSELLE en E. CARLIER, Le droit de la rupture du contrat de travail, Brussel, Larcier, 2018, 558
(19)Zie: Cass. 14 mei 2001, AR S.99.0174.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010514.8, AC 2001, nr. 278; Cass. 28 februari 1994, AR S.93.0035.F ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940228.7, AC 1994, nr. 98; Cass. 13 mei 1991, Arr.Cass. 1990-91.
(20)Cass. 15 juni 2015, AR S.13.0095.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150615.3, AC 2015, nr. 399.
(21)Cass. 8 april 1991, Arr.Cass. 1990-91, 811.
(22)S. LACOMBE, A.-F. BRASSELLE en E. CARLIER, Le droit de la rupture du contrat de travail, Brussel, Larcier, 2018, 557. Zie in dezelfde zin: W. VAN EECKHOUTTE, A. TAGHON en S. VANOVERBEKE, "Overzicht van rechtspraak. Arbeidsovereenkomsten (1988-2005)", TPR 2006, 492.
(23)De parlementaire voorbereiding van de Handelsagentuurwet gaat niet nader in op deze vraag.
(24)O. VANACHTER, "Duur en beëindiging" in J. STUYCK (ed.), De handelsagentuurovereenkomst. De nieuwe wet van 13 april 1995 betreffende de handelsagentuurovereenkomst, Brugge, die Keure, 1995, 91.
(25)D. MERTENS, "De beëindiging van de handelsagentuur wegens voortdurende ernstige tekortkoming" (noot onder Cass. 8 november 2007), RW 2008-09, 279. Zie in het raam van artikel 35 AOW: S. LACOMBE, A.-F. BRASSELLE en E. CARLIER, Le droit de la rupture du contrat de travail, Brussel, Larcier, 2018, 547-548 en 554 e.v. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191114.15 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191114.15 citeert: ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940228.7 ECLI:BE:CASS:1995:ARR.19950109.6 ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19961014.1 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980309.6 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980622.7 ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19981207.10 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990906.7 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010514.5 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010514.8 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030220.7 ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050117.6 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060112.3 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071108.4 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100422.14 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110204.7 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150130.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150615.3 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180423.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260219.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div