id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.1 Rolnummer: P.19.0604.N Zaak: D. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 661 - laatst gezien 2026-06-29 00:36 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1 Fiche 1 De beslissing van de strafrechter over een door de herstelvorderende overheid ingediende herstelvordering is een maatregel van burgerlijke aard, die niettemin onder de strafvordering valt; daaruit volgt dat hij tegen wie op grond van artikel 20bis Vlaamse Wooncode een herstelmaatregel is bevolen, zijn cassatieberoep wat betreft die beslissing niet alleen moet laten betekenen aan de eiser tot herstel, maar ook aan het openbaar ministerie bij het gerecht dat die beslissing heeft gewezen
(1).
(1)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0321.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2, AC 2015, nr. 452, punt. 6. Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn van betekening en-of neerlegging Vrije woorden: Herstelvordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 427 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - Art. 20bis, § 1 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Fiche 2 Uit de samenhang tussen de artikelen 427, eerste lid, en 429, tweede, vierde en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat een beklaagde voor wat betreft de beslissing op de herstelvordering op straffe van ontvankelijkheid zijn memorie ter kennis moet brengen van de partij waartegen het cassatieberoep is gericht en het bewijs van verzending van de memorie moet neerleggen ter griffie van het Hof van Cassatie binnen de termijn waarbinnen de memorie moet zijn ingediend
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Herstelvordering - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 427 en 429 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Decreet Vlaamse Raad - 15-07-1997 - Art. 20bis, § 1 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Fiche 3 Uit het enkele feit dat met opsporing belaste ambtenaren opsporingshandelingen verrichten met betrekking tot een wanbedrijf tegen een persoon die titularis is van voorrecht van rechtsmacht zonder daartoe de opdracht te hebben gekregen van de procureur-generaal, volgt niet dat zij steeds onrechtmatig handelen
(1). Een dergelijke onregelmatigheid bestaat enkel wanneer die ambtenaren deze handelingen verrichten of blijven verrichten nadat zij kennis hebben van het feit dat een verdachte over het voorrecht van rechtsmacht beschikt. Het staat in de eerste plaats aan de verdachte om hen daarop attent te maken.
(1)In dezelfde zin Cass. 6 januari 1998, AR P.97.1353.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5, AC 1998, nr. 3, RW 1998-99,
- Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Opsporingsonderzoek - Kennis van de hoedanigheid van de titularis van voorecht van rechtsmacht - Gevolgen Tekst van de conclusie P.19.0604.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht B. De Smet:
- Inhoud bestreden arrest Eisers in cassatie hebben tijdig cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Hof van Beroep te Brussel, eerste kamer, van 14 mei
- De cassatieberoepen hebben betrekking op alle beschikkingen van het bestreden arrest. Het bestreden arrest is op tegenspraak uitgesproken, behalve voor verweerder III. Beide eisers werden vervolgd, op bevel van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel voor feiten van huisjesmelkerij met de verzwarende omstandigheid er een gewoonte van te maken (A), meerdere inbreuken Vlaamse Wooncode (B+C+D), het niet neerleggen van jaarrekeningen van een patrimoniumvennootschap (K) en het niet voldoen aan verplichtingen rechtspersonenbelasting (M). Eiseres werd bijkomend vervolgd wegens financiële delicten, namelijk het niet-voeren van een boekhouding (E), laattijdige aangifte van faillissement, bevoordeling van schuldeisers na staking van betaling (G), gebruik van kostelijke middelen om het faillissement uit te stellen (H), het verstrekken van onjuiste gegevens bij de aangifte van faillissement (I), het niet-mededelen van de gevraagde inlichtingen en stukken aan de curator (J) en niet-voldoen aan verplichtingen inzake de personenbelasting (N). In de dagvaarding was geen tenlastelegging L opgenomen. De zaak werd in eerste en laatste aanleg behandeld, wegens voorrecht van rechtsmacht van eiseres, die de functie van plaatsvervangend rechter uitoefende ten tijde van de feiten. De zaak werd bij het vonnisgerecht aanhangig gemaakt door de procureur-generaal te Brussel. Eisers werden veroordeeld wegens de hen ten laste gelegde feiten (met uitzondering van eiser II voor tenlastelegging A.2) tot voorwaardelijke gevangenisstraffen. Het Hof van Beroep te Brussel sprak ook de verbeurdverklaring uit van de verhuurwoning van eisers en van huuropbrengsten in de incriminatieperiode, begroot op 99.087 euro . Daarnaast zijn beide beklaagden veroordeeld tot uitvoering van de herstelvordering van de Wooninspecteur van de Provincie Antwerpen met betrekking tot hun verhuurwoning. Eiseres werd tot schadevergoeding veroordeeld aan eerste verweerder. Voor het overige werden de burgerlijke belangen aangehouden. ---
- Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen De cassatieberoepen en memories zijn tijdig ingediend, gelet op art. 425, 427 en 429 Sv. Op drie punten dient uw Hof zich uit te spreken over de ontvankelijkheid van (een deel van) de cassatieberoepen. 1° Eiser II stelde cassatieberoep in tegen alle onderdelen van het bestreden arrest ‘die op hem betrekking hebben', dus ook wat betreft de vrijspraak voor tenlastelegging A.
- Op dit punt is zijn cassatieberoep niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, gelet op art. 416 Sv. 2° Het bestreden arrest van 14 mei 2019 is ten aanzien van burgerlijke partij D.V., derde verweerder, bij verstek gewezen. De burgerlijke belangen werden in het bestreden arrest ambtshalve aangehouden. De beide cassatieberoepen zijn ingesteld in de gewone termijn van verzet, bepaald in art. 187, §1 Sv., en zijn ingevolge art. 424 Sv. niet-ontvankelijk. 3° Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eisers hun memorie in cassatie wel hebben betekend aan tweede verweerder, de Wooninspecteur van de Provincie Antwerpen, maar niet aan de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Brussel. De herstelvordering (art. 20bis Vlaamse Wooncode Decr. 15 juli 1997, gewijzigd door art. 15 Decr. Vl. 14 oktober 2016, BS 13 december 2016) is een maatregel van burgerlijke aard die evenwel behoort tot de strafvordering, als een aanvulling van de strafrechtelijke veroordeling
(1). De herstelvordering raakt de openbare orde en moet bij veroordeling worden toegekend, zelfs ambtshalve. Het gaat om een vordering tot herstel die impliciet is vervat in de strafvordering, die wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie
(2). Aan de herstelvordering is een dubbele component verbonden. Aan de ene kant is de vordering een bijzondere vorm van teruggave (art. 44 Sw.)
(3), die een administratieve overheid (wooninspecteur of het college van burgemeester en schepenen) toelaat zich burgerlijke partij te stellen en deze vordering in te dienen
(4). Schade wordt op die manier weggewerkt. Aan de andere kant heeft de vordering als doel te verhinderen dat een misdrijf van inbreuken op regels over woonkwaliteit en ruimtelijke ordening blijft voortduren. Het openbaar ministerie dient erover te waken dat een voortdurend misdrijf wordt beëindigd. Het vorderen van herstel of maatregelen om aan kwaliteitsnormen inzake wonen te voldoen komt ook het openbaar ministerie toe. De herstelvordering is verweven met de strafvordering. Deze ‘publieke component' won aan belang door de uitspraak van het Europees Hof te Straatsburg in de zaak Hamer t/België, waarbij werd geoordeeld dat herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand een straf uitmaakt in de zin van art. 6 EVRM
(5). Niettemin valt de herstelvordering niet samen met de strafvordering, aangezien zij ook dient om schade ingevolge een onrechtmatige daad te herstellen, zij het dat het niet gaat om een particuliere schade. Uw Hof omschreef de herstelvordering ook als "een bijzondere vorm van vergoeding of teruggave ertoe strekkende een einde te maken aan de met de wet strijdige toestand die uit het misdrijf is ontstaan en waardoor het openbaar belang is geschaad"
(6). Verder oordeelde uw Hof: "De vaststelling dat het herstel in de oorspronkelijke toestand een "straf" is in de zin van artikel 6.1 EVRM, brengt enkel mee dat de waarborgen van die bepaling moeten worden in acht genomen, waaronder de behandeling van de vordering binnen een redelijke termijn. Voormelde vaststelling heeft niet tot gevolg dat die maatregel in de Belgische wetgeving van strafrechtelijke aard is zodat de algemene bepalingen van het Belgisch strafrecht en strafprocesrecht, inzonderheid wat betreft het persoonlijk karakter van de straf erop toepassing moeten vinden"
(7). Art. 429 Sv. houdt voor de beklaagde (vervolgde persoon) de verplichting in zijn memorie met cassatiemiddelen te betekenen in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. Deze betekening moet gebeuren binnen de twee maanden die volgen op de verklaring van cassatieberoep, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep
(8). Aangezien de herstelvordering verbonden is met de strafvordering, maar ook een burgerlijk karakter heeft (als bijzondere vorm van teruggave), en deze vordering wordt ingesteld door het openbaar ministerie, zijn eisers in cassatie verplicht hun memorie ook te betekenen aan het openbaar ministerie. Op dit punt oordeelde uw Hof dat degene tegen wie een herstelmaatregel is bevolen, zijn memorie in cassatie betreffende de beslissing over de herstelvordering bij aangetekende brief ter kennis moet brengen van het openbaar ministerie bij het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen, en zo zij zich gemanifesteerd heeft als procespartij, aan de herstelvorderende overheid
(9). Aan deze dwingende vormvereiste, voortvloeiend uit art. 429 Sv., is niet voldaan. De memories van eisers zijn enkel betekend aan tweede verweerder, de Wooninspecteur bevoegd voor de Provincie Antwerpen. De cassatieberoepen zijn dan ook niet-ontvankelijk, voor zover ze opkomen tegen het onderdeel van de herstelvordering. Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt ook dat eiser II zijn cassatieberoep enkel heeft betekend aan de Wooninspecteur van de Provincie Antwerpen. Art. 427 Sv. schrijft voor dat de eiser in cassatie enkel verplicht is zijn cassatieberoep te betekenen in zoverre zijn cassatieberoep gericht is tegen de beslissing over de tegen hem ingestelde burgerlijke rechtsvordering. Wat eiser II betreft, is het cassatieberoep ook op grond van deze bepaling niet-ontvankelijk.
- Beoordeling van de middelen 3.
- Toepassing van de regels over Voorrecht van Rechtsmacht op het vooronderzoek Eisers voeren als eerste middel aan een schending aan van art. 479 Sv., in die zin dat eiseres (I) op het moment van de feiten zich op voorrecht van rechtsmacht kon beroepen, als plaatsvervangend rechter, en het vooronderzoek niet is verricht onder leiding van de procureur-generaal van het hof van beroep. Eisers werpen op dat art. 479 Sv. niet alleen betrekking heeft op de strafvordering voor het vonnisgerecht, maar de procureur-generaal bij het hof van beroep ook belast met het opsporingsonderzoek ten aanzien van personen met voorrecht van rechtsmacht. In het bestreden arrest werd niet vastgesteld dat het vooronderzoek naar de ten laste gelegde feiten, toegeschreven aan eiseres (I) werd verricht ‘op last van de procureur-generaal'. Met verwijzing naar het arrest van uw Hof van 10 februari 2015 (P.14.1763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.4) voeren eisers in cassatie aan dat ingevolge schending van art. 479 Sv. het bewijs onrechtmatig is verkregen en het bestreden arrest dient te worden vernietigd. In het bestreden arrest werd vastgesteld dat eiseres op het moment van de haar ten laste gelegde feiten genoot van het voorrecht van rechtsmacht, als plaatsvervangend rechter. Op het argument van eisers over onrechtmatig verkregen bewijs, wegens schending van art. 479 Sv., oordeelde het hof van beroep te Brussel als volgt (p. 18): "Artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat wanneer o.a. een rechter ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, het aan de procureur-generaal bij het hof van beroep toekomt hem te dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld. Voornoemde bepaling heeft enkel betrekking op de wijze waarop de strafvordering moet ingesteld worden voor het bevoegde hof van beroep ingeval van voorrecht van rechtsmacht maar heeft geen betrekking op de wijze waarop de inbreuken worden vastgesteld en de personen die hiervoor bevoegd zijn. Zoals blijkt uit het bevel tot dagvaarding heeft in deze wel degelijk de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel de vordering laten inleiden voor deze kamer. In deze is er geen schending van art. 479 Wetboek van Strafvordering en is er evenmin sprake van een onrechtmatig verkregen bewijs". Beoordeling De bepaling van art. 479 Sv. inzake voorrecht van rechtsmacht is van toepassing op een plaatsvervangend rechter
(10). Enkel eerste eiser in cassatie heeft voorrecht van rechtsmacht. Doch ook tweede eiser heeft belang in cassatie, omdat hij geen magistraat is, maar door toepassing ‘in rem' van de procedure voorrecht van rechtsmacht (art. 482bis Sv.)
(11)niet voor de correctionele rechtbank kon verschijnen, en dus geen hoger beroep kon instellen tegen een veroordeling. Eiseres onderbouwen hun stelling met een verwijzing naar het arrest van uw Hof van 10 februari 2015
(12). Het betreft een zaak waarbij de dienstdoende procureur des Konings ‘in naam en opdracht van de procureur-generaal' een verdachte op wie voorrecht van rechtsmacht van toepassing was onderwierp aan een ademtest en ademanalyse. Uw Hof verwierp het middel dat alleen de procureur-generaal zelf het rijbewijs mocht intrekken en dat delegatie van bevoegdheden van de procureur-generaal aan de dienstdoende procureur des Konings bij omzendbrief strijdig zou zijn met art. 479 Sv. Over deze wetsbepaling oordeelde Uw Hof "artikel 479 Wetboek van Strafvordering belast de procureur-generaal bij het hof van beroep met het opsporings-onderzoek ten aanzien van personen met voorrecht van rechtsmacht. Bij dat onderzoek kan de procureur-generaal zich laten bijstaan door magistraten van de parketten van de procureur des Konings bij de gerechten die deel uitmaken van zijn rechtsgebied. Deze magistraten zijn ertoe gehouden de richtlijnen van de procureur-generaal uit te voeren binnen de perken van de wet"
(13). Uw Hof oordeelde in een eerdere zaak: "Vanaf het ogenblik dat een gerechtelijk onderzoek dat op gang werd gebracht ingevolge een burgerlijke partijstelling of een vordering vanwege de procureur des Konings, een feit tot voorwerp heeft waarvan een persoon die een ambt vervult, zoals bedoeld in de artikelen 479 tot 484 Wetboek van Strafvordering, verdacht wordt, kan de onderzoeksrechter geen daden van onderzoek verrichten die gericht zijn op de inverdenkingstelling van de titularis van het voorrecht van rechtsmacht. Indien die persoon in de loop van het gerechtelijk onderzoek die hoedanigheid verwerft, houdt de strafvordering die tegen hem werd ingesteld, op te bestaan...... Zolang de procureur-generaal zoals hier geen gerechtelijk onderzoek gevorderd heeft of rechtstreekse dagvaarding heeft uitgebracht tegen de titularis van het voorrecht van rechtsmacht, blijven de gewone regels inzake bevoegdheid en rechtspleging op zijn eventuele mededaders of medeplichtigen van toepassing"
(14). De ingeroepen bepaling art. 479 Sv. dient samen te worden gelezen met art. 480 Sv., dat bepaalt: "Indien het een misdrijf betreft waarop een criminele straf is gesteld, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep de magistraat aan die het ambt van officier van gerechtelijke politie zal waarnemen en de eerste voorzitter van dat hof de magistraat die het ambt van onderzoeksrechter zal waarnemen". Zodra een magistraat als verdachte in beeld komt, is de onderzoeksrechter niet langer bevoegd om onderzoeksdaden te stellen, tenzij hij daartoe via de eerste voorzitter van het hof van beroep bij delegatie wordt aangesteld als raadsheer-onderzoeksrechter. De vraag of de regels over voorrecht van rechtsmacht ook gelden voor onderzoeksdaden, en niet enkel voor de strafvordering, kwam ook aan bod in Omzendbrief 3/2012 van het College van Procureurs-generaal. Als bindende richtlijn is bepaald: "Wanneer de procureur des Konings op de hoogte wordt gebracht van een misdrijf gepleegd door een magistraat of door een andere bevoorrechte persoon, is hij onbevoegd om te handelen, behalve in geval van delegatie van de Procureur-generaal ter uitvoering van door hem genomen vorderingen. De procureur des Konings beperkt zich de stukken betreffende het misdrijf aan de Procureur-generaal tot beschikking mede te delen. In geval van absolute noodzakelijkheid om een bewarende maatregel te nemen of dringende onderzoeksverrichtingen uit te voeren, moet de magistraat met dienst van het parket van eerste aanleg telefonisch contact opnemen met de magistraat met dienst van het parket-generaal, die de gepaste maatregelen neemt of hem de machtiging geeft om deze in zijn naam en op zijn verzoek uit te voeren. De vermelding van deze machtiging moet op de processen-verbaal staan die opgesteld worden naar aanleiding van de uitvoering van deze maatregelen."
(15). Uit al deze elementen volgt dat de bijzondere voorschriften inzake voorrecht van rechtsmacht niet alleen van toepassing zijn op de uitoefening van de strafvordering voor het vonnisgerecht, maar ook betrekking hebben op het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek naar de ten laste gelegde feiten
(16). Tenzij het gaat om een gerechtelijk onderzoek, dat toekomt aan een raadsheer-onderzoeksrechter, wordt het vooronderzoek uitsluitend en rechtstreeks geleid door de procureur-generaal bij het hof van beroep, die daarvoor een beroep kan doen op magistraten van het parket van de procureur des Konings en op officieren van gerechtelijke politie, die dan optreden in naam en in opdracht van de procureur-generaal
(17). ------ Uit het feit dat in het bestreden arrest de toepassing van art. 479 Sv. werd beperkt tot het instellen van de strafvordering, hoewel aan deze bepaling een ruimere interpretatie dient te worden gegeven, volgt niet dat het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, op een onwettige wijze tot de veroordeling van eisers kwam. Uw Hof oordeelde in 1998 dat "het voorschrift van art. 480 Sv. moet worden nageleefd vanaf het ogenblik dat het gerechtelijk onderzoek rechtstreeks tot voorwerp heeft een feit dat door de verdachte zou zijn gepleegd in een periode waarin hij, wegens het vervullen van een ambt bedoeld in art. 479 Sv. het voorrecht van rechtsmacht genoot". En verder: "dat de daden van vervolging of onderzoek die tot op dat ogenblik werden gesteld, regelmatig zijn en geldig blijven"
(18). Het moment waarop het vooronderzoek rechtstreeks tot voorwerp heeft een feit begaan door een magistraat is een feitenkwestie, waarover het hof van beroep soeverein oordeelde. Eisers in cassatie werden vervolgd voor feiten tussen 28 september 2009 en 7 oktober 2016, wat betreft de zwaarste tenlastelegging (A) van huisjesmelkerij met de verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte werd gemaakt. Voor de andere tenlasteleggingen gelden andere incriminatieperiodes, voor en na 25 oktober
- In het bestreden arrest (p. 25) is duidelijk vermeld dat het opsporingsonderzoek door de procureur-generaal te Brussel is opgestart op 25 oktober 2015, dat er opsporingshandelingen zijn gesteld tussen 26 oktober 2015 en 31 juli 2017, dat eisers zijn verhoord op 21 december 2016, dat in oktober 2017 onroerend beslag werd gelegd en dat eisers bij exploot van 11 mei 2018 werden gedagvaard om te verschijnen voor het hof van beroep te Brussel, eerste kamer, met als inleidende terechtzitting 5 juni
- Nergens maakt eiseres melding van het feit dat zij haar hoedanigheid van plaatsvervangend vrederechter (tijdig) zou hebben gemeld aan inspecteurs en agenten die onderzoek hebben verricht, en art. 479 Sv. is geschonden doordat na die melding het opsporingsonderzoek onder leiding van de procureur des Konings gewoon verder liep. Uit het enkele feit dat ambtenaren met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie onderzoeksdaden hebben gesteld tegen een persoon met voorrecht van rechtsmacht, zonder opdracht van de procureur-generaal, volgt niet dat deze onderzoeksdaden onregelmatig zijn. Een essentiële vereiste is dat de opsporingsambtenaren wisten dat de verdachte de hoedanigheid heeft van magistraat. Het is niet aan opsporingsambtenaren om na te gaan, voorafgaand aan elke onderzoeksdaad, of verdachte zich kan beroepen op voorrecht van rechtsmacht. Men mag aannemen dat de verplichte tussenkomst van de procureur-generaal, als leidinggevende officier van gerechtelijke politie, alleen geldt wanneer de opsporingsambtenaar wordt geconfronteerd met iemand die voorrecht van rechtsmacht geniet
(19). Op de persoon met de hoedanigheid van magistraat rust overigens de deontologische plicht zelf aan te geven dat hij of zij magistraat is, wanneer hij of zij met een onderzoeksdaad wordt geconfronteerd
(20). In de Gids voor Magistraten van de Hoge Raad voor de Justitie en de Adviesraad van de Magistratuur is bepaald: "Behoudens wanneer hij daartoe wettelijk verplicht is (bijvoorbeeld in het raam van het voorrecht van rechtsmacht), ziet de magistraat ervan af om buiten de uitoefening van zijn ambt zijn hoedanigheid van magistraat in te roepen tegenover derden"
(21). In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3.2. Betekening van het cassatieberoep wat betreft de herstelvordering Het tweede middel van eisers heeft betrekking op de motivering van appelrechters inzake de herstelvordering, die in strijd zou zijn met art. 149 Grondwet. Dit middel behoeft geen antwoord, omdat eisers hun memorie met cassatiemiddelen niet hebben laten betekenen aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, terwijl nochtans de herstelvordering een strafrechtelijk en burgerlijk karakter heeft (zie punt 2.3.). Er is geen reden voor het ambtshalve aanvoeren van cassatiemiddelen. Besluit: Verwerping. _________________________
(1)Cass. 13 mei 2003, AR P.02.1621.N ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030513.18, AC 2003, nr. 291; Cass. 19 mei 1999, AR P.98.1393.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990519.10, AC 1999, nr. 292; Cass. 26 april 1989, AR nr. 5930, AC 1988-89, nr. 486.
(2)R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, p. 185; T. VANDROMME, "Verhuur van krotwoningen", Comm. Sr. 2013, p. 14.
(3)Zie A. VANDEPLAS, "Teruggave", Comm. Sr. 2003, 21 p.
(4)GwH 28 maart 2002, arrest 57/2002, overweging B.5.4, www.const--court.be: Conclusie van advocaat-generaal M. De Swaef in de zaak Cass. 24 februari 2004, AR P.03.1143.N ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.21, AC 2004, nr. 96: pp. 304 en 305; Cass. 15 september 2009, AR P.09.0182.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.3, AC 2009, nr. 501. Zie R. VERSTRAETEN, o.c., p. 184.
(5)EHRM 27 november 2007, Hamer t/België, overweging 60, www.echr.coe.int. Zie F. VAN VOLSEM, "De redelijke termijn: een Straatsburgse hakbijl voor het herstel van de plaats in de oorspronkelijke staat", R.A.B.G. 2008, 422-431; M. DE SWAEF en M. TRAEST, "Tussen hamer en aambeeld: de gevolgen van het arrest Hamer t. België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, R.W. 2008-09, 1330-1340; D. DE WOLF, "De juridische plaats van de herstelmaatregelen in het bestraffingsarsenaal tegen stedenbouwmisdrijven na het arrest Hamer t/België van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens", in Strafrecht meer. dan ooit, Brugge, Die Keure, 2011, 119-217.
(6)Cass. 19 september 1989, AC 1989-90, nr. 41, 83. Zie T. VANDROMME, "Verhuur van krotwoningen", Comm. Sr. 2013, p. 38.
(7)Cass. 23 juni 2009, AR P.09.0276.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.3, AC 2009, nr. 432.
(8)Zie VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?", N.C. 2015, p. 362; F. VAN VOLSEM, "Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen", N.C., 2017, 417-435, p. 427.
(9)Cass. 30 juni 2015, AR P.15.0321.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2, AC 2015, nr. 452, punt. 6 en www.juridat.be. Zie R. VERSTRAETEN en H. DEMEDTS, "De cassatieprocedure in strafzaken na de wet van 14 februari 2014: brengt vernieuwing ook verbetering?", N.C. 2015, p. 358; F. VAN VOLSEM, "Twee middelen bedoeld om tegenspraak in de penale cassatieprocedure te waarborgen: de verplichtingen het cassatieberoep te betekenen en de memories ter kennis te brengen", N.C., 2017, 421.
(10)Cass. 29 november 2011, AC 2011, nr. 650 met concl. van advocaat-generaal. M. Timperman, randnr. 21; Cass. 7 april 1975, Arr. Cass. 1975, 852; Cass. 5 juli 1938, Arr. Cass. 1938, p. 159; Zie ook J. MATTHIJS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, p.329; J. DE CODT, "Poursuites contre les magistrats", in Statut et déontologie du magistrat, Brugge, Die Keure, 2000, p. 146; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, p. 1705.
(11)GwH 7 november 1996, arrest 60/1996, overweging B.9., www.const-court.be; Cass. 13 juni 2001, RG P.01.0431.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010613.12, AC 2001, nr. 354 met concl. van procureur-generaal J. du Jardin in Pas.; Cass. 21 februari 1990, Arr. Cass. 1989-90, nr. 374. Zie M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, p. 1316; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, p.864; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, p.396; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017,p. 1707.
(12)Cass. 10 februari 2015, AR P.14.1763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.4, AC 2015, nr. 96, p. 338.
(13)Cass. 10 februari 2015, AR P.14.1763.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.4, AC 2015, nr. 96, p. 338.
(14)Cass. 18 februari 2014, AR P.13.0808.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2, AC 2014, nr. 126.
(15)Omzendbrief 3/2012 van het College van Procureurs-generaal van 18 april 2012 inzake voorrecht van rechtsmacht, p. 11-12, www.om-mp.be
(16)In die zin zie R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen Maklu, 2012, p. 417: "de onderzoeksrechter is niet bevoegd als de geviseerde persoon strafrechtelijk immuun is, als hij een voorrecht van rechtsmacht geniet" (art. 480 Sv.); M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, p. 1319; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, p. 1709.
(17)J. MATTHYS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, p. 336.
(18)Cass. 6 januari 1998, P.97.1353.N ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5, Arr. Cass. 1998, nr. 3, p.16; R.W. 1998-99, 290.
(19)J. DE CODT, "Poursuites contre les magistrats", in Statut et déontologie du magistrat, Brugge, Die Keure, 2000, p. 152, wat betreft de vraagstelling « que doit faire la police quand elle est confrontée à un magistrat contre qui existent des indices relatifs à un délit ou à un crime? »
(20)X. DE RIEMAECKER, "Déontologie et discipline", in Statut et déontologie du magistrat, Brugge, Die Keure, 2000, p. 310: « mais la discrétion suppose également qu'en dehors de l'exercice de ses fonctions, le magistrat ne fasse pas valoir sa qualité de magistrat à l'égard de tiers, sauf lorsqu'il y est obligé par la loi »
(21)Hoge Raad voor de Justitie en Adviesraad van de Magistratuur, 25 en 27 juni 2012, Gids voor de magistraten. Principes, waarden en kwaliteiten, www.hrj.be p. 11, vermeld onder de rubriek 4 "terughoudendheid en discretie". PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.1 citeert: ECLI:BE:CASS:1998:ARR.19980106.5 ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990519.10 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010613.12 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030513.18 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040224.21 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090623.3 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090915.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150210.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150630.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div