id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.16 Rolnummer: P.19.1147.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 376 - laatst gezien 2026-06-28 06:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.16 Fiche Artikel 27, § 3 Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat het verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en het wordt ingeschreven in een daartoe bestemd register en over het verzoekschrift wordt beslist in raadkamer binnen vijf dagen na de neerlegging ervan; artikel 52, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een handeling enkel op geldige wijze ter griffie kan worden verricht op de dagen en uren waarop de griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek, tenzij deze handeling elektronisch wordt uitgevoerd; uit deze bepalingen volgt dat indien het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling van een beklaagde per fax wordt toegestuurd
(1), de aanvangsdatum voor de termijn van vijf dagen voor uitspraak de datum is waarop de ontvangst van de fax op de griffie wordt vastgesteld binnen de openingsuren van de griffie
(2).
(1)Cass. 3 september 2019, AR P.19.0911.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.5, AC 2019, nr. 432 over de geldigheid van het verzoekschrift per fax.
(2)Zie gelijkluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - VOORLOPIGE INVRIJHEIDSTELLING Vrije woorden: Verzoekschrift - Toegezonden per fax - Openingsuren van de griffie - Beginpunt van de termijn van vijf dagen door uitspraak Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 27, § 3 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 52, tweede lid Tekst van de conclusie P.19.1147.N Conclusie van advocaat-generaal B. De Smet: "Het beginpunt van de termijn van vijf dagen voor uitspraak over een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling van een aangehouden beklaagde dat per fax is overgemaakt aan de griffie van het vonnisgerecht" De raadsman van beklaagde Cecil Henne heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het hof van beroep te Gent van 14 november 2019, correctionele kamer, waarbij een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling werd afgewezen. Eiser was in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en heeft daartegen op 29 juli 2019 hoger beroep ingesteld. De appelrechters hebben dinsdag 12 november 2019 als datum aangenomen voor de neerlegging van het verzoekschrift gesteund op art. 27 Wet Voorlopige Hechtenis (p. 12) en hebben op 14 november 2019 het verzoek afgewezen, met verwijzing naar het gevaar voor collusie en recidive. De appelrechters stelden vast dat verzoeker op vrijdag 8 november 2019 om 18u35, ‘ruim buiten de openingsuren van de griffie', per telefax een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling heeft verstuurd naar de griffie van het hof van beroep te Gent (p.11). *** Eiser voert als middel aan een schending van art. 27, §3 Voorlopige Hechtenis Wet van 20 juli 1990 en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek en een miskenning van ‘het algemeen rechtsbeginsel van de bewijskracht der akten'. In een eerste onderdeel wordt aangevoerd dat de datum van ontvangst van een verzoekschrift per fax door de griffie geldt als datum van neerlegging ter griffie en de wettelijke termijn van uitspraak van vijf dagen (art. 27, §3 Wet Voorlopige Hechtenis) op 13 november 2019 was verstreken. Het beginpunt van deze termijn kan niet afhankelijk kan worden gesteld van een "subjectief criterium", namelijk kennisname en inschrijving ervan door de griffier. De beperkingen van de griffie-uren gelden enkel voor ‘materiële neerleggingen' van een akte. Zij verhinderen niet het via elektronische weg of per fax indienen van conclusies of verzoekschriften buiten de openingsuren van de griffie. Beoordeling van het eerste onderdeel. In art. 27, §3 Wet Voorlopige Hechteniswet is bepaald dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling wordt neergelegd op de griffie van het gerecht dat uitspraak moet doen en wordt ingeschreven in het register vermeld in art. 21, §2 van deze wet. Binnen een termijn van vijf dagen dient het rechtscollege de zaak in raadkamer te behandelen en uitspraak te doen, behoudens uitstel op vraag van de verdediging, zo niet volgt de invrijheidstelling. De term ‘neergelegd' in de zin van art. 27, §3 Wet Voorlopige Hechtenis, impliceert niet dat alleen een papieren document met originele handtekening ter griffie mag worden ingediend. Uw Hof oordeelde reeds dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling per fax mag worden ingediend ter griffie van het gerecht dat erover uitspraak moet doen
(1). Uw Hof dient te beoordelen op welk tijdstip een gefaxt verzoekschrift precies ter griffie wordt ‘neergelegd', in de zin van art. 27, §3 Wet Voorlopige Hechtenis: het moment van het faxen door verzoeker, het moment van ontvangstbevestiging van het faxbericht of het moment dat de griffier binnen de openingsuren van de griffie van het verzoekschrift kennis kon nemen? Reeds in 1974 oordeelde uw Hof dat een rechtshandeling (akte van hoger beroep) gesteld ter griffie niet-ontvankelijk is, als ze is verricht buiten de uren tijdens dewelke de griffie voor het publiek toegankelijk moet zijn
(2). In een door appelrechters geciteerd arrest van uw Hof is, wat betreft het toezenden per post van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling, aangenomen dat de termijn van vijf dagen voor uitspraak ingaat vanaf de datum van ontvangst ter griffie van het gerecht dat over het verzoekschrift uitspraak moet doen
(3). Artikel 52, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat ook van toepassing is in strafzaken
(4), bepaalt dat een handeling enkel op geldige wijze ter griffie kan worden verricht op de dagen en uren waarop de griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek, tenzij deze handeling "elektronisch wordt uitgevoerd". Over de vraag of een fax als een elektronische uitgevoerde handeling moet worden beschouwd, bestaat er in de rechtsleer geen eensgezindheid. S. Voet leidt uit het aangepaste art. 52 Ger. W. af dat documenten per fax of per e-mail nog steeds tijdens de openingsuren moeten toekomen ter griffie
(5). Andere auteurs stellen dat "er geen enkel beletsel" is "om een conclusie die is neergelegd per fax of zeker per e-mail aan te zien als een elektronische handeling en dan ook geldig mogelijk te maken buiten de openingsuren van de griffie"
(6). Het komt mij voor dat de eerste visie het best aansluit bij wat de wetgever beoogde. Vooreerst blijkt uit de Parlementaire voorbereidingen van het nieuwe art. 52, tweede lid, Ger.W., gewijzigd bij Wet van 18 december 2015 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot het elektronisch verrichten van akten buiten de openingsuren van de griffie (BS 31 december 2015) dat met ‘elektronisch' wordt bedoeld de verrichtingen via "het informaticasysteem van Justitie voor het neerleggen van conclusies of voor het verrichten van andere akten ter griffie", namelijk het systeem e-deposit
(7). Het gaat om het informacticasysteem in uitvoering van art. 32ter Ger.W., gewijzigd door art. 57 Wet 25 december 2016 (BS 30 december 2016)
(8). Verder moet het algemeen rechtsbeginsel worden benadrukt van een gelijke procedurele behandeling van alle rechtsonderhorigen, als onderdeel van het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM)
(9). Daaruit volgt een identieke toepassing van procesregels
(10)voor iedereen die stukken overmaakt ter griffie, volgens objectieve criteria. Wat betreft het beginpunt van termijnen, zoals de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel, oordeelde het Grondwettelijk Hof dat het "redelijk verantwoord" is dat de wetgever, "om rechtsonzekerheid te vermijden, de termijnen van rechtspleging laat lopen vanaf een datum die niet afhankelijk is van de handelwijze van de partijen"
(11). Het meteen registreren van een verzoekschrift per fax door de griffier tijdens de openingsuren van de griffie en het meteen inschrijven van dat verzoekschrift in een bijzonder register (zoals vereist door art. 27, §3 Voorlopige Hechteniswet) is een rechtshandeling die niet afhankelijk is van de handelswijze van de partijen, en dus als beginpunt van de termijn kan dienen. In deze zaak heeft de griffier op het gefaxte verzoekschrift 12 november 2019 als datum van ontvangst vermeld. Uit de combinatie van art. 27, §3 Wet 20 juli 1990 over ‘neergelegd' van een verzoekschrift en ‘ingeschreven in het register vermeld in artikel 21, §2' en art. 52, tweede lid, Ger. W. over het op geldige wijze verrichten van een handeling (anders dan een elektronisch uitgevoerde handeling) "op de dagen en uren waarop de griffie toegankelijk moet zijn voor het publiek" volgt dus dat de termijn van vijf dagen voor uitspraak over het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling loopt vanaf registratie van een gefaxt verzoekschrift binnen de openingsuren van de griffie. De appelrechters hebben wettig beslist dat de termijn van vijf dagen voor een rechterlijke beslissing na het neerleggen ter griffie van een verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling loopt ‘vanaf dat de griffie kennis heeft van de neerlegging van het verzoekschrift (of zoals in casu door kennis te hebben van het ontvangen van de fax inhoudende dergelijk verzoekschrift) en het daarop onmiddellijk inschrijven in het register vermeld in artikel 21, §2' (p. 12). Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. *** In een tweede onderdeel komt eiser op tegen de vaststelling van de appelrechters dat "het verzoekschrift op de griffie werd ontvangen en ingeschreven in het register op 12 november 2019 (zie datum stempel)" (p. 12), terwijl eiser als bijlage bij zijn schriftelijke conclusie van 14 november 2019 een faxbericht/faxbevestiging heeft voorgelegd waaruit blijkt dat het verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling op 8 november 2019 om 18u35 per fax is verzonden naar de griffie van het hof van beroep en aldaar 15 minuten en 4 seconden later werd ontvangen. Aan de faxbevestiging wordt dus een interpretatie gegeven die daarmee onverenigbaar is, wordt de bewijskracht van dit stuk miskend. Beoordeling van het tweede onderdeel. De appelrechters hebben voor de beoordeling van het beginpunt van vermelde termijn van vijf dagen voor hun uitspraak niet verwezen naar de faxbevestiging. Hun oordeel is dat de termijn van vijf dagen voor uitspraak loopt vanaf het moment dat "de griffie kennis heeft van de neerlegging van het verzoekschrift (of zoals in casu door kennis te hebben van het ontvangen van de fax inhoudende dergelijk verzoekschrift) en het daarop onmiddellijk inschrijven in het register vermeld in artikel 21, §2" (p. 12). Met deze motivering is de bewijskracht niet miskend van het door eiser voorgelegde faxbericht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Besluit Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping. __________________________
(1)Cass. 3 september 2019, AR P.19.0911.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.5, AC 2019, nr. 432, www.juridat.be . Zie ook Brussel 13 september 1999, A.J.T. 1999-2000, 334, aangehaald door M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, p. 1091en C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel & Svacina, 2019, p. 1226.
(2)Cass. 27 mei 1974, Arr. Cass. 1974, 1068. Zie G. DE LEVAL e.a., Code Judiciaire. Jurisprudence, Brugge, Die Keure, 2004, 52.
(3)Cass. 28 januari 2014, AR P.14.0112.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.13, AC 2014, nr. 75.
(4)D. LINDEMANS en D. SCHEERS, "Artikel 52 Ger.W.", in Comm. Ger., Mechelen, Kluwer, 2012, p. 4.
(5)S. VOET, "Elektronische griffie permanent open", R.W. 2015-16, 1002. Een vergelijkbaar standpunt is ingenomen in X, "Elektronische neerlegging ook buiten openingsuren griffie", NJW 2016, p. 67 ("een proceshandeling op papier kan enkel neergelegd worden op de dagen en uren waarop de griffie open is. Dat is nu al zo en dat blijft zo").
(6)J. LAENENS, D. SCHEERS, P. THIRIAR, S. RUTTEN en B. VANLERBERGHE, Handboek gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, p. 512.
(7)Wetsvoorstel van 25 november 2015 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot het elektronisch verrichten van akten buiten de openingsuren van de griffie, ingediend door mevr. Sonia Becq en c.s., Parl. St. Kamer, zitting 54, doc 1477/001, p. 4 en 5.
(8)Wetsvoorstel van 25 november 2015 tot wijziging van de wetgeving met betrekking tot het elektronisch verrichten van akten buiten de openingsuren van de griffie, ingediend door mevr. Sonia Becq en c.s., Parl. St. Kamer, zitting 54, doc 1477/001, p. 5.
(9)Over dit beginsel zie G. DE LEVAL en F. GEORGES, Droit judiciaire, Tôme I, Institutions judiciaires et éléments de compétence, Brussel, Larcier, 2014, p. 36-37.
(10)G. DE LEVAL en F. GEORGES, Droit judiciaire, Tôme I, Institutions judiciaires et éléments de compétence, Brussel, Larcier, 2014, p. 37.
(11)GwH 1 maart 2006, arrest 34/2006, overweging B 10; GwH 15 maart 2006, arrest 43/2006, overweging B.10; GwH 19 december 2007, arrest 162/2007, overweging B.3, www.const-court.be. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.16 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.16 citeert: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140128.13 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190903.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div