id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 26 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.4 Rolnummer: P.19.0811.N Zaak: S. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2019-11-27 Raadplegingen: 631 - laatst gezien 2026-06-29 07:34 Versie(s): Vertaling samenvatting(en) FR Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.4 Fiches 1 - 5 Uit de arresten nr. 9/2018 van 1 februari 2018, nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 31/2019 van 28 februari 2019 van het Grondwettelijk Hof volgt dat ingeval van een gerechtelijk onderzoek lastens de in artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde magistraten, andere dan die bedoeld in artikel 481 van dat wetboek, bij het afsluiten van dat onderzoek de rechtspleging wat hen en de daders van een samenhangend misdrijf betreft moet worden geregeld overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging; de vraag rijst of het ontzeggen van een dergelijke procedure aan een verdachte niet-houder van het voorrecht van rechtsmacht en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van aanhangig making bij de vonnisgerechten door de procureur des Konings met een rechtstreekse dagvaarding in de omstandigheden van de zaak, om reden dat bij afsluiten van het onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter de strafvervolging is vervallen (door minnelijke schikking) lastens de medeverdachte die magistraat is, geen schending inhoudt van de artikelen 10 en 11 Grondwet, zodat er grond is tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof
(1).
(1)Zie andersluidende concl. OM. Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Samenhang met een verdachte die geen titularis is van het voorrecht van rechtsmacht - Opsporingsonderzoek - Tussenkomst van een raadsheer-onderzoeksrechter - Verval van de strafvordering ten aanzien van de verdachte die titularis is van het voorrecht van rechtsmacht - Procedurele toestand van de medeverdachte die geen houder is van het voorrecht van rechtsmacht - Rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings - Gevolgen Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Rechtstreekse dagvaarding voor het vonnisgerecht - Voorrecht van rechtsmacht - Gevolgen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1831 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Prejudiciële vragen Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Prejudiciële vragen Tekst van de conclusie P.19.0811.N Conclusie van advocaat-generaal met opdracht B. De Smet: "De regelmatigheid van een rechtstreekse dagvaarding voor de correctionele rechtbank na een onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter dat voor een medeverdachte met de hoedanigheid van magistraat niet leidde tot vervolging". De raadsman van eiser F. S., beklaagde, heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen twee arresten van het hof van beroep van Gent, correctionele kamer, van 13 maart 2014 (I) en 28 juni 2019 (II). A. Bestreden arresten In het tussenarrest van 13 maart 2014 (I) heeft het hof van beroep te Gent, derde kamer, geoordeeld dat eiser, na het wegvallen van de samenhang met een medeverdachte die titularis is van het voorrecht van rechtsmacht, rechtsgeldig werd gedagvaard voor de correctionele rechtbank, bij rechtstreekse dagvaarding. Tegen dit tussenarrest heeft eiser tijdig cassatieberoep ingesteld. Uw Hof heeft bij arrest van 14 april 2015 [P.14.0695.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.4] akte verleend van de afstand van eiser, zonder berusting. Bij arrest van 25 april 2018 heeft het hof van beroep te Gent, derde kamer, met verwijzing naar de arresten 19/2015, 131/2016, 9/2018 en 35/2018 van het Grondwettelijk Hof (p.16), de strafvervolging niet-ontvankelijk verklaard, om reden dat de correctionele rechtbank op een onrechtmatige manier werd gevat. Op cassatieberoep van de Procureur-Generaal bij het hof van beroep te Gent heeft uw Hof dit arrest vernietigd, bij arrest van 16 oktober 2018 [P18.0546.N], om reden dat de appelrechters voorafgaand aan dit arrest reeds uitspraak hadden gedaan over de regelmatigheid van de wijze waarop de correctionele rechtbank in deze zaak werd gevat. De zaak werd verwezen naar het hof van beroep te Gent, anders samengesteld. In het arrest van 18 juni 2019 (II) heeft het hof van beroep te Gent, tiende kamer, eiser veroordeeld wegens misbruik van vennootschapsgoederen (A), sluikwerk (C), zelfstandige activiteiten zonder inschrijving KBO (D) en niet-aangifte van belastbare inkomsten in de personenbelasting (E2-E8), de laatste feiten voor de periode van 1 januari 2004 tot en met 30 juni
- De appelrechters stelden de staat van wettelijke herhaling vast en hebben eiser veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van 4 jaar, een geldboete van 30.000 euro (met opdeciemen gebracht op 165.000 euro ), een bijzondere verbeurdverklaring van 3.925.637 euro , een beroepsverbod voor 10 jaar en verplichte bijdragen. B. Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen In arrest II werd eiser vrijgesproken voor tenlasteleggingen B.a, B.b, E.1 en E.
- Zijn cassatieberoep II, gericht tegen deze onderdelen, is niet-ontvankelijk, bij gebrek aan belang, gelet op art. 416 Wetboek van Strafvordering. Op burgerlijk vlak, hebben de appelrechters in arrest II een provisionele schadevergoeding toegekend, ten voordele van verweerders 3 en 4, en de zaak verzonden naar de correctionele rechtbank, voor afhandeling van de burgerlijke belangen. Het tweede cassatieberoep gericht tegen dit aspect is voorbarig, en dus niet-ontvankelijk, gelet op art. 420 Wetboek van Strafvordering. C. Cassatieberoep tegen het tussenarrest over de ontvankelijkheid van de strafvordering Als eerste middel, eerste onderdeel, van cassatieberoep I wordt een schending opgeworpen van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 127, 130, 182, 480, 482bis en 502 Wetboek van Strafvordering. Eiser maakte het voorwerp uit van een opsporingsonderzoek, samen met een medeverdachte die de hoedanigheid had van magistraat. De procureur-generaal heeft een raadsheer-onderzoeksrechter gevorderd, om het onderzoek naar de magistraat en mogelijke mededaders te leiden. De strafvordering tegen de magistraat verviel wegens een minnelijke schikking. Na de beschikking tot mededeling van de raadsheer-onderzoeksrechter, werd de zaak lastens eiser aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank, bij rechtstreekse dagvaarding. In het bestreden arrest werd geoordeeld dat een regeling der rechtspleging alleen noodzakelijk was, als eiser van in het begin voorwerp was van een gerechtelijk onderzoek. Eiser voert aan dat bij tussenkomst van een raadsheer-onderzoeksrechter, er een gerechtelijk onderzoek is gevoerd, en de zaak dus niet door de procureur des Konings kan worden aanhangig gemaakt bij de correctionele rechtbank. Het feit dat voor eiser geen regeling der rechtspleging openstond, wegens verval van de strafvordering ten aanzien van de magistraat als medeverdachte, houdt een schending in van de artikelen 10 en 11 Grondwet. De bepaling dat de procureur-generaal bij het hof van beroep beslist over dagvaarding van verdachten die titularis zijn van voorrecht van rechtsmacht (art. 479 Sv.) is door het Grondwettelijk Hof (arrest 35/2018 van 22 maart 2018) strijdig bevonden met de artikelen 10 en 11 Grondwet, in zoverre zij de procureur-generaal bij het hof van beroep als enige bevoegd achten om bij het afsluiten van een gerechtelijk onderzoek te beslissen over vervolging. Uit het enkele feit dat eiser zich uiteindelijk ten gronde heeft verdedigd, kan niet worden afgeleid dat hij vrijwillig is verschenen of dat de strafvordering regelmatig op gang is gebracht. Er is volgens eiser geen verantwoording voor het verschil in behandeling tussen enerzijds de situatie waarbij de procureur des Konings een onderzoeksrechter heeft gevorderd, vervolgens de procedure van voorrecht van rechtsmacht werd gevolgd, met voortzetting van dat onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter en, anderzijds, de situatie waarbij tijdens een lopend opsporingsonderzoek door de procureur des Konings een raadsheer-onderzoeksrechter wordt aangesteld, waarbij telkens wordt beslist om de verdachte met de hoedanigheid van magistraat niet te vervolgen. In de eerste hypothese kan een medeverdachte, die geen titularis is van voorrecht van rechtsmacht, alleen worden berecht na een beslissing tot verwijzing door het onderzoeksgerecht, terwijl in de tweede hypothese de zaak bij het vonnisgerecht aanhangig kan worden gemaakt door rechtstreekse dagvaarding door de procureur des Konings. Minstens moet op dit punt een prejudiciële vraag worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, omschreven in p. 11 van de memorie tot staving van het cassatieberoep. Het eerste middel, tweede onderdeel van cassatieberoep I voert een schending aan van de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 127, 130 en 182 Wetboek van Strafvordering. Eiser voert aan dat na de tussenkomst van een raadsheer-onderzoeksrechter, die een beschikking tot mededeling nam, eerst een regeling der rechtspleging nodig was, ook al kon de vervolging tegen de medeverdachte met de hoedanigheid van magistraat niet worden voortgezet. De situatie was niet anders dan deze van art. 127 Sv., namelijk een beschikking tot mededeling door de onderzoeksrechter aan het openbaar ministerie, gevolgd door een regeling van de rechtspleging door de raadkamer. Rechtstreekse dagvaarding, op basis van art. 182 Sv., was niet langer mogelijk, ook niet na afsplitsing van de zaak wegens verval van de strafvordering tegen de magistraat-medeverdachte. De appelrechters namen in arrest I aan dat eiser terug wordt geplaatst in de toestand daterend van vóór het door de raadsheer-onderzoeksrechter bedoelde onderzoek, namelijk in die van een opsporingsonderzoek. Volgens eiser is deze visie niet verenigbaar met de artikelen 10 en 11 Grondwet. Daarvoor wordt verwezen naar arrest 19/2015 van 12 februari 2015 van het Grondwettelijk Hof over de onttrekking van een zaak wegens territoriale onbevoegdheid van de onderzoeksrechter (art. 127 Sv.). In deze zaak had de procureur des Konings, die het dossier ontving na beslissing van de raadkamer van een ander arrondissement tot ontlasting van de onderzoeksrechter, de raadkamer van het eigen arrondissement moeten vorderen de rechtspleging te regelen, in plaats van de verdachte rechtstreeks te dagvaarden voor de correctionele rechtbank. Volgens eiser is deze situatie ‘volstrekt analoog' met deze van een gerechtelijk onderzoek gevoerd door een raadsheer-onderzoeksrechter dat ‘terechtkomt' bij de procureur des Konings na de vaststelling dat er geen samenhang meer is met feiten verweten aan een medeverdachte die titularis is van voorrecht van rechtsmacht. Minstens moet over dit punt een prejudiciële vraag worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof, geformuleerd op p. 14 van de memorie tot staving van het cassatieberoep. Beoordeling van het eerste middel in zijn geheel: Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eiser het voorwerp uitmaakte van een opsporingsonderzoek, en tijdens dit onderzoek Mr. A.G., plaatsvervangend vrederechter, als medeverdachte in beeld kwam. Op 28 januari 2009 vorderde de Procureur-generaal bij de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Gent een gerechtelijk onderzoek tegen plaatsvervangend vrederechter A.G. wegens witwassen en, bij samenhang, tegen eiser en zijn echtgenote, verdacht van o.a. gemeenrechtelijke en fiscale valsheid in geschriften en gebruik van valse stukken in de periode 31 december 2004 tot 1 september
- Op 13 december 2011 deelde de raadsheer-onderzoeksrechter het dossier mee aan de procureur-generaal. Na het betalen van een minnelijke schikking op 4 juni 2012 door medeverdachte A.G, titularis van voorrecht van rechtsmacht, heeft de procureur-generaal ten aanzien van deze verdachte een beslissing tot niet-vervolging genomen, en de zaak ter beschikking overgemaakt aan de procureur des Konings, wat betreft de vervolging van eiser en anderen. Eiser werd op 6 maart 2013 door de procureur des Konings te Gent rechtstreeks gedagvaard wegens o.a. misbruik van vennootschapsgoederen en fiscale delicten. In het bestreden arrest I (p. 16), hernomen in bestreden arrest II (p. 20), werd geoordeeld dat er in het voorliggende dossier geen strafvordering meer aan de orde was tegen een titularis van het voorrecht van rechtsmacht, daar er tegen deze medeverdachte van eiser door de procureur-generaal deels een buitenvervolgingstelling werd verleend en deels een minnelijke schikking werd getroffen, die op 4 juni 2012 werd uitgevoerd. De strafvordering tegen eiser werd op regelmatige wijze aanhangig gemaakt door een rechtstreekse dagvaarding op last van de procureur des Konings op 6 maart
- De omstandigheid dat het onderzoek tussen 30 januari 2009 tot 4 juni 2012 de vorm aannam van een gerechtelijk onderzoek, door een raadsheer-onderzoeksrechter, doet daaraan geen afbreuk. Ingevolge het verval van de strafvordering lastens de begunstigde van het voorrecht van rechtsmacht, medeverdachte, wordt de bijzondere procedure voor het hof van beroep meteen beëindigd, en wordt de medeverdachte vervolgd volgens de regels van het algemeen strafprocesrecht
(1). De samenhang in de zin van artikelen 226 en 227 Sv. verdwijnt, met als gevolg dat eiser, als verdachte zonder voorrecht van rechtsmacht, terug in zijn oorspronkelijke procedurele toestand wordt geplaatst, in dit geval een opsporingsonderzoek, dat voor misdaden vatbaar voor correctionalisering en wanbedrijven kan worden afgesloten met een rechtstreekse dagvaarding (art. 182 Wetboek van Strafvordering). Zolang er tegen een titularis van het voorrecht van rechtsmacht geen strafvervolging werd ingesteld, waarbij de zaak aan de rechter aanhangig is gemaakt, kunnen de vermoedelijke mededaders van samenhangende misdrijven zich niet beroepen op enige samenhang, om ook onder het regime van voorrecht van rechtsmacht te vallen
(2). De regels van voorrecht van rechtsmacht wijken af van het gewone strafprocesrecht en moeten restrictief worden geïnterpreteerd
(3). In deze zaak bracht het instellen van een gerechtelijk onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter geen strafvordering op gang, aangezien voor de titularis van rechtsmacht de strafvordering al tijdens dat gerechtelijk onderzoek verviel wegens een minnelijke schikking. Het feit dat eiser (tijdelijk) voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter (art. 480 Sv.), houdt niet in dat na het wegvallen als verdachte van een begunstigde van voorecht van rechtsmacht, tussenkomst is vereist van een onderzoeksgerecht, voor de beoordeling van bezwaren. Deze tussenkomst is alleen vereist als een beklaagde, geen titularis van rechtsmacht, voorwerp was van een gerechtelijk onderzoek door de onderzoeksrechter (art. 47, 59 of 63 Sv.), en vervolgens betrokken is als medeverdachte in een gerechtelijk onderzoek geleid door een raadsheer-onderzoeksrechter. In deze zaak liep er tegen eiser, beklaagde, een opsporingsonderzoek, en werd dit onderzoek na het ontdekken van belastende gegevens tegen een magistraat omgevormd tot een gerechtelijk onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter, op vordering van de procureur-generaal. Het is dan ook logisch dat op het moment dat de bijzondere procedure van voorrecht van rechtsmacht eindigt, door verval van strafvordering tegen de magistraat, eiser terug in zijn oorspronkelijk toestand terechtkwam, zoals terecht is geoordeeld door de appelrechters (p. 20-21). De procureur des Konings was dan niet verplicht een gerechtelijk onderzoek te vorderen, om aan eiser een regeling der rechtspleging toe te kennen. Op het moment van afsluiting van het gerechtelijk onderzoek door de raadsheer-onderzoeksrechter, en nadien rechtstreekse dagvaarding van eiser voor de correctionele rechtbank (2012-2013), gold de regel dat alleen de procureur-generaal bij het hof van beroep besliste over de vervolging van lagere magistraten, zonder enige tussenkomst van een onderzoeksgerecht
(4), zoals terecht is weergegeven in het bestreden arrest I (p. 16-17). De vorm van het vooronderzoek was daarbij van geen belang
(5). Ook na een gerechtelijk onderzoek geleid door een raadsheer-onderzoeksrechter, aangesteld door de Eerste Voorzitter van het hof van beroep op vordering van de procureur-generaal (art. 480 Sv.), kon de procureur-generaal in geval van een wanbedrijf of misdaad vatbaar voor correctionalisering de zaak seponeren, de zaak afhandelen bij minnelijke schikking (art. 216bis Sv.) of beslissen tot dagvaarding van de magistraat en eventuele mededaders voor de eerste kamer van het hof van beroep
(6), zonder voorafgaande beoordeling van de volledigheid en regelmatigheid van het onderzoek door de kamer van inbeschuldigingstelling
(7). Enige uitzondering is het instellen van de strafvordering voor het hof van assisen, dat voorafgaande tussenkomst vereist van de kamer van inbeschuldigingstelling (art. 229-233 Sv.), ook als de beschuldigde een magistraat is
(8). Wanneer de procureur-generaal tegen de magistraat de strafvordering niet op gang brengt, is er voor andere beklaagden geen samenhang meer, en zijn de gewone procesregels (terug) van toepassing, zoals de mogelijkheid van de benadeelde om tegen deze andere beklaagden een klacht met burgerlijke partijstelling uit te brengen
(9). De beslissing van de procureur-generaal bij het hof van beroep om via de Eerste voorzitter van het hof van beroep een raadsheer-onderzoeksrechter aan te stellen, heeft niet de instelling van de strafvordering tot gevolg, zoals terecht is aangegeven in bestreden arrest I (p. 16), omdat de procureur-generaal vrij beslist welk gevolg hij aan het dossier zal geven, en het recht behoudt de zaak te seponeren, met of zonder minnelijke schikking, gelet op artikel 479 Wetboek van Strafvordering
(10). Ook dit beginsel brengt mee dat als een gerechtelijk onderzoek tegen een begunstigde van voorrecht van rechtsmacht wordt ‘afgebroken', door verval van de strafvordering wegens betaling van de minnelijke schikking, de medeverdachte die geen magistraat is, niet noodzakelijk verdachte is in het kader van een gerechtelijk onderzoek. Als de medeverdachte voorafgaand aan tussenkomst van de procureur-generaal voorwerp was van een opsporingsonderzoek, staat na beëindiging van de bijzondere procedure voorrecht van rechtsmacht, het de procureur des Konings vrij dat onderzoek verder te zetten en af te sluiten met een rechtstreekse dagvaarding van de medeverdachte voor de correctionele rechtbank (art. 182 Sv.). De appelrechters oordeelden in bestreden arrest II verder dat de zaak werd aanhangig gemaakt in de periode voor de arresten 19/2015, 131/2016, 9/2018, 35/2018 en 31/2019 van het Grondwettelijk Hof, en het vanaf de rechtstreekse dagvaarding niet meer mogelijk was, in weerwil van deze rechtspraak, de kamer van inbeschuldigingstelling als onderzoeksrechter in te schakelen (p. 21). In twee arresten
(11)heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat in geval een gerechtelijk onderzoek is ingesteld tegen magistraten vermeld in art. 479 Sv., andere dan deze vermeld in art. 481 Sv., dat onderzoek moet worden afgerond overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging (art. 127 Sv.). De waarborg van de regeling der rechtspleging geldt dan voor alle inverdenkinggestelden in dit gerechtelijk onderzoek, magistraat of niet. Uit deze arresten valt echter niet af te leiden dat als de inverdenkinggestelde met de hoedanigheid van magistraat uit beeld verdwijnt, wegens een minnelijke schikking, inverdenkinggestelden die geen magistraat zijn, en voorafgaand aan tussenkomst van de procureur-generaal geen voorwerp uitmaakten van een gerechtelijk onderzoek, enig recht op ‘regeling der rechtspleging' in de zin van artikelen 127-133 Wetboek van Strafvordering kunnen doen gelden. In het ingeroepen arrest 19/2015 oordeelde het Grondwettelijk Hof
(12)dat: "Artikel 127 van het Wetboek van strafvordering schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het zo wordt geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtspleging die volgt op de beschikking van de raadkamer waarmee de zaak wegens territoriale onbevoegdheid is onttrokken aan de oorspronkelijk aangewezen onderzoeksrechter". Dit arrest over bevoegdheid ratione loci kan niet dienen als aanknopingspunt in deze zaak, die betrekking heeft op samenhang en bevoegdheid ratione personae. Bovendien was eiser, in tegenstelling tot de partijen in de zaak die leidde tot arrest 19/2015, nooit inverdenkinggestelde in een onderzoek geleid door de onderzoeksrechter, verbonden aan de rechtbank van eerste aanleg. Het ingeroepen arrest 131/2016 van het Grondwettelijk Hof
(13)is evenmin relevant voor deze zaak, omdat het probleem van ongelijke behandeling dat daarin aan bod kwam, betrekking had op magistraten van het hof van beroep, die aan een andere regeling onderworpen zijn dan een plaatsvervangend vrederechter, zoals in deze zaak. Het ingeroepen arrest 9/2018 van het Grondwettelijk Hof
(14), dat wel betrekking heeft op het vooronderzoek tegen lagere magistraten, vormt in deze zaak ook geen aanknopingspunt, omdat het probleem van ongelijke behandeling dat daarin aan bod kwam, betrekking had op het ontbreken van tussenkomst van een onderzoeksgerecht om in de loop van het gerechtelijk onderzoek tegen een magistraat toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging. In het eerste middel komt eiser op tegen het ontbreken van enige rechterlijke controle bij afsluiting van een gerechtelijk onderzoek tegen een magistraat en, bij samenhang, een verdachte die geen houder is van voorrecht van rechtsmacht. In arrest 35/2018 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de artikelen 479, 483 en 503bis van het Wetboek van Strafvordering over voorrecht van rechtsmacht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden in zoverre zij, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, niet voorzien in het optreden van een onderzoeksgerecht dat in het kader van een op tegenspraak gevoerde procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging beoordeelt
(15). Zoals het Grondwettelijk Hof aangaf in zijn overweging B.8.1., hadden de prejudiciële vragen in zaak 35/2018 betrekking op het verschil in behandeling dat aldus wordt ingesteld ten aanzien van een inverdenkinggestelde die ressorteert onder de gemeenrechtelijke procedure, voor wie in een regeling van de rechtspleging is voorzien in artikel 127 van het Wetboek van strafvordering (eerste vraag), met een inverdenkinggestelde van een misdrijf dat samenhangend is met een misdrijf gepleegd door een in artikel 481 van het Wetboek van strafvordering beoogde magistraat van het hof van beroep, voor wie in een filterprocedure met het optreden van het Hof van Cassatie is voorzien in artikel 482 van hetzelfde Wetboek (tweede en vierde vraag), en met de federale ministers en de leden van een gemeenschaps- of gewestregering en hun mededaders en medeplichtigen, voor wie in een filterprocedure is voorzien in de artikelen 9, 16 en 29 van de gewone en de bijzondere wet van 25 juni 1998 (derde vraag). In de zaak die voorligt voor uw Hof is de processituatie niet gelijklopend: 1°er was bij tussenkomst van de procureur-generaal wegens het ontdekken van aanwijzingen van schuld tegen een magistraat nog geen gerechtelijk onderzoek gevorderd tegen een medeverdachte (eiser) die eerder als verdachte in beeld kwam en 2°de strafvordering tegen de verdachte met de hoedanigheid van magistraat werd beëindigd door een minnelijke schikking, terwijl in de zaak 35/2018 van het Grondwettelijk Hof de magistraten en hun medeverdachte werden vervolgd, na dagvaarding voor het Hof van Beroep te Gent, voor misdrijven in de uitoefening ambt. Bovendien kan uit vermeld arrest 35/2018 niet worden afgeleid dat de strafrechter die voorafgaand aan dat arrest kennis nam van de zaak na rechtstreekse dagvaarding uitgebracht tegen een niet-magistraat, die enige tijd samen het voorwerp uitmaakte van een gerechtelijk onderzoek tegen een magistraat, de strafvordering niet-ontvankelijk moet verklaren, wegens onregelmatigheid van de inleidende akte, te meer daar de appelrechters al in het bestreden arrest I van 13 maart 2014 de strafvordering ontvankelijk hebben verklaard en uw Hof op 25 april 2018 [P.18.0546.N] de beslissing van de appelrechters heeft verbroken die de strafvervolging tegen eiser niet-ontvankelijk verklaarde, wegens onregelmatigheid van de rechtstreekse dagvaarding. In arrest 31/2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat in afwachting van een optreden van de wetgever, de kamer van inbeschuldigingstelling zich bevoegd moet verklaren om, bij het afsluiten van een gerechtelijk onderzoek lastens lagere magistraten, de rechtspleging te regelen en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van het onderzoek te beoordelen, overeenkomstig de gemeenrechtelijke regels van de strafrechtspleging
(16). Uit dit arrest valt niet af te leiden dat de strafrechter de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering moet uitspreken, bij wijze van rechtsherstel, omdat na verval van de strafvordering tegen een lagere magistraat die voorwerp uitmaakte van een onderzoek door een raadsheer-onderzoeksrechter, een medeverdachte tegen wie voordien alleen een opsporingsonderzoek liep, bij wijze van rechtstreekse dagvaarding, en niet bij wijze van dagstelling na een regeling der rechtspleging, voor het vonnisgerecht werd opgeroepen, waarbij de rechtstreekse dagvaarding dateert van voor het arrest 35/2018 van het Grondwettelijk Hof. In zoverre het eerste middel in zijn beide onderdelen uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. *** Bijkomend voert eiser in zijn eerste middel aan dat hij vooraf geen debat kon voeren over de regelmatigheid van de onderzoeksdaden en over de toereikendheid van de bezwaren, naar aanleiding van het onderzoek van de raadsheer-onderzoeksrechter. Zoals in het arrest II (p. 21-23) is aangegeven, heeft de afwezigheid van tussenkomst van een onderzoeksgerecht het recht van eiser van op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet miskend. In deze zaak heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent eiser toelating verleend tot inzage in het kopie van het dossier en nog voor de dagvaarding gevraagd of eiser bijkomende onderzoeksdaden wou bekomen. De termijn voor het vragen van deze onderzoeksdaden werd op verzoek van eiser zelfs verlengd en liep uiteindelijk van 29 februari 2012 tot 1 juni
- Eiser maakte van deze mogelijkheid tot aanvullend onderzoek, tijdens de voorfase geen gebruik. Eiser heeft voor de vonnisgerechten alle mogelijke argumenten en verweermiddelen kunnen ontwikkelen over de bewijzen à charge en de regelmatigheid ervan. Met deze redenen hebben de appelrechters wettig geoordeeld dat de rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces van eiser niet werden miskend door de omstandigheid dat de kamer van inbeschuldigingstelling niet is tussengekomen voor de regeling der rechtspleging. De gevoerde procedure is, in haar geheel genomen, regelmatig. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen. Er is dan ook geen reden voor uw Hof om de door eiser in zijn memorie gestelde prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof. *** Als tweede middel tegen arrest I voert eiser een schending aan van artikel 26, §4, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. In het bestreden arrest werden de drie door eiser in conclusie voorgestelde prejudiciële vragen niet gesteld aan het Grondwettelijk Hof, omdat er geen kennelijke schending was van grondrechten. De appelrechters steunden hun visie niet op de recentste rechtspraak van het Grondwettelijk Hof over het voorrecht van rechtsmacht. Zo werd een eerste prejudiciële vraag betreffende het onderscheid tussen lagere en hogere magistraten over het bestaan van een regeling van de rechtspleging niet gesteld, terwijl het hof van beroep te Gent in een andere zaak (waar de eiser geen partij was) een gelijkaardig geformuleerde vraag wel heeft gesteld en het Grondwettelijk Hof met het arrest nr. 35/2018 van 22 maart 2018 over dit verschil in behandeling een schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet aannam. Beoordeling: Artikel 26, §4, tweede lid, 2°, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof van 6 januari 1989 laat de vonnisrechter toe een door een partij opgeworpen prejudiciële vraag niet te stellen aan het Grondwettelijk Hof, indien een bepaling uit titel II Grondwet ‘klaarblijkelijk niet geschonden is'. In het bestreden arrest I van 13 maart 2014 werd op basis van de toen geldende rechtspraak (met als laatste relevant arrest van het Grondwettelijk Hof dat van 27 juli 2011) en rechtsleer geoordeeld (p. 10-15) dat er klaarblijkelijk geen schending was van de artikelen 10 en 11 Grondwet, en de door eiser geformuleerde prejudiciële vragen niet aan het Grondwettelijk Hof moesten worden gesteld. Met deze motivering hebben de appelrechters afdoende geantwoord op het door eiser in zijn beroepsconclusie gebrachte verweer. Het middel kan niet worden aangenomen. D. Cassatieberoep (II) tegen het eindarrest Tegen arrest II voert eiser als enig middel een schending aan van artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces. De appelrechters hebben ten onrechte geweigerd U. P. als getuige à décharge te horen op de rechtszitting; terwijl de eiser over de feiten van telastlegging A.c.1 in conclusie aanvoerde dat hij het bedrag van 2.000.000 euro nooit heeft ontvangen, met verwijzing naar een door U. P. ondertekende verklaring. Indien er twijfel zou bestaan over de waarachtigheid van deze geschreven verklaring, past het dat het vonnisgerecht U. P. daarover hoort op de rechtszitting. Uit artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (arrest Murtazaliyeva t/Rusland van 18 december 2018), kan men afleiden dat elk getuigenverhoor waarvan redelijkerwijze kan worden aangenomen dat het de positie van de verdediging kan versterken, een relevant verhoor is, voor de beoordeling van artikelen 6.
- en 6.3.d EVRM. In dit geval dient de vonnisrechter gegronde redenen op te geven om een getuige à décharge niet te horen en de weigeringsbeslissing van de rechter mag het recht op een eerlijk proces niet aantasten. De motivering van de appelrechters dat het horen van de getuige U. P. geenszins nuttig was, laat staan noodzakelijk voor de waarheidsvinding, en het niet-horen van deze getuige geen aantasting vormt van het recht van eiser op een eerlijk proces, in zijn geheel beschouwd, is niet naar recht verantwoord. Tevens is de motivering dat eiser noch bij het afsluiten van het vooronderzoek, noch voor de eerste rechter een verzoek formuleerde om U. P. te laten ondervragen onverenigbaar met het recht op een eerlijk proces, het vermoeden van onschuld en het recht van elke beklaagde om zijn verdediging zo te organiseren zoals de beklaagde dat zelf wenst. Beoordeling. Volgens artikel 6.3.d EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. Daaruit valt voor beklaagden geen absoluut of onbeperkt recht af te leiden om getuigen à décharge op de rechtszitting te (doen) ondervragen
(17), zoals terecht door de appelrechters is aangegeven (p. 33). De vraag of weigering van de vonnisrechter om een getuige à décharge te ondervragen op de terechtzitting verenigbaar is met de artikelen 6.1. en 6.3.d EVRM, hangt volgens het Europees Hof te Straatsburg (zaak Murtazaliyeva) af van volgende criteria
(18): - Heeft de beklaagde zijn verzoek tot getuigenverhoor voldoende gemotiveerd? - Is het gevraagde getuigenverhoor relevant voor de beoordeling van de strafvordering, waarbij als relevant is te beschouwen de verklaring van een getuige waarvan in redelijkheid is aan te nemen dat die de positie van de verdediging kan versterken? - Heeft de vonnisrechter de relevantie van het gevraagde getuigenverhoor beoordeeld en gegronde redenen opgegeven voor zijn beslissing om de getuige op vraag van de verdediging niet te ondervragen? - Heeft de beslissing van de vonnisrechter om de getuige à décharge niet te horen, het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel aangetast? Uw Hof preciseerde dat de rechter zijn beslissing om een bepaalde getuige à décharge niet te horen moet steunen op concrete omstandigheden van de zaak die hij aanwijst. Deze concrete omstandigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verklaring van de persoon door de beklaagde aangemerkt als getuige à décharge, waarin deze persoon een eerdere verklaring herroept of nuanceert
(19). De vonnisrechter is er niet toe gehouden bij de afwijzing van het verzoek tot het horen onder eed op de rechtszitting van getuigen à décharge de criteria te betrekken die gelden voor het horen van getuigen à charge
(20). Deze laatste criteria werden in het bestreden arrest II correct weergegeven, op p. 32-
- Eiser heeft voor de appelrechters bij conclusie gevraagd U. P. als getuige te horen om de redenen zoals vermeld in het middel. Het arrest II (p. 33-34 en 44-45) oordeelt met betrekking tot dit verzoek als volgt: - de eiser houdt voor dat U. P. als aanbrenger van klanten in Israël voor Uno nv betrokken was bij onderhandelingen met de firma Eden Bar Ltd. en kan getuigen dat de 2.000.000 euro vermeld in de telastlegging A.c. nooit effectief werd betaald; - de feiten voorwerp van de telastlegging A.c dateren evenwel van medio 2007, ‘dit wil zeggen van inmiddels twaalf jaar geleden'; - het is volstrekt onwaarschijnlijk dat U. P. als getuige bij internationale commerciële contracten, hierover na twaalf jaar nog een relevante getuigenis zou kunnen afleggen, te meer daar het om een negatief feit gaat, namelijk het feit dat, althans volgens de eiser, de twee miljoen euro nooit werd betaald; - noch bij afsluiting van het vooronderzoek, noch in de procedure voor de eerste rechter, heeft de eiser gevraagd dat deze getuige op de terechtzitting zou moeten worden gehoord, wat opmerkelijk is te noemen; - het horen van U. P. op de rechtszitting is dan ook geenszins nuttig, laat staan noodzakelijk, voor de waarheidsvinding, zonder dat het niet-horen van deze getuige op de rechtszitting afbreuk doet aan het recht van verdediging van de eiser of zijn recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd; - dat geldt des meer te meer daar de eiser zelf een geschreven verklaring heeft bijgebracht van U. P. waarin deze standpunt over het voormelde bedrag van 2.000.000 euro bevestigt. ** In verband met de betaling van 2.000.000 euro die door de eiser wordt ontkend, oordeelt het arrest II (p. 60-62) als volgt: - er kan ten volle geloof worden gehecht aan objectieve stukken die dateren van een niet-verdachte periode en niet aan verklaringen die de betrokkenen achteraf tijdens het onderzoek hebben afgelegd; - met betrekking tot de betaling van het bedrag van 2.000.000 euro werd op 6 juli 2007 een ontvangstbewijs (receipt) ondertekend door de eiser namens Uno nv en door de genaamde L. T. namens de firma Eden Bar Ltd., waarbij de betaling van het bedrag van 2.000.000 euro in uitvoering van de overeenkomst van 24 juni 2007 werd bevestigd; - het verweer van de eiser dat dit ondertekende ontvangstbewijs louter werd opgesteld om de firma Eden Bar toe te laten een financiering te verkrijgen bij de banken en dat het bedrag van 2.000.000 euro een fictief bedrag zou zijn dat nooit werd uitbetaald, is volstrekt ongeloofwaardig; - het is immers totaal onaannemelijk dat de eiser, die reeds jaren ervaring had in de internationale zakenwereld een ontvangstbewijs zou ondertekenen voor een dergelijke som wanneer dit niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen; - mocht het werkelijk de bedoeling zou zijn geweest om een complaisancestuk op te stellen ten behoeve van de firma Eden Bar, dan zouden daaromtrent ongetwijfeld ook objectieve stukken voorliggen uit de bewuste periode (juli 2007), bijvoorbeeld met betrekking tot de kredietbehoeften van de firma Eden Bar, wat thans geenszins het geval is; -aan het bovenstaande wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat de eiser naderhand steeds heeft volgehouden dat het bedrag van 2.000.000 euro nooit werd betaald en dat dit volgens hem ook blijkt uit de verklaringen van de andere rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken personen, waaronder advocaat S. M. en U. (of ‘O.') P.; - het is immers duidelijk dat dat alle betrokkenen waaronder ook de genaamde Udi Perez, die als getuige het ontvangstbewijs van 6 juli 2007 mee heeft ondertekend, iets te verbergen hadden bij de ondertekening van het ontvangstbewijs van 2.000.000 euro, getuige ook de omstandigheid dat in het bewuste ontvangstbewijs louter wordt bevestigd dat het bedrag van 2.000.000 euro werd betaald, zonder dat hierbij wordt gespecificeerd op welke wijze deze betaling zou zijn geschied; - dat deze betaling in elk geval niet door een bankoverschrijving op de rekening van Uno nv is gebeurd, staat in elk geval vast, daar dit bedrag niet kon worden teruggevonden in de boekhouding van Uno nv; en het is voorts totaal onwaarschijnlijk dat het bewust bedrag op een reguliere wijze zou blijken uit de boekhouding van de firma Eden Bar, zodat een bankonderzoek met betrekking tot deze laatste firma, waarop de beklaagde (eiser) aanstuurt, irrelevant is. Uit deze omstandige redengeving blijkt dat de appelrechters de vraag tot het horen van de getuige U. P. hebben getoetst aan de criteria die daarvoor vereist zijn en voortvloeien uit de artikelen 6.
- en 6.3.d EVRM, en hun weigeringsbeslissing in het licht van deze elementen hebben gemotiveerd, met verwijzing naar de concrete elementen van de zaak. De bestreden beslissing (II) is bijgevolg naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Besluit: Er zijn geen ambtshalve middelen. Verwerping van de cassatieberoepen. ____________________________
(1)J. DE CODT, "De vervolging van magistraten", in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2000, 158; J. MATTHIJS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, p. 330, met verwijzing naar Cass. 8 mei 1871, Pas. 181, I, 174; F. DESTERBECK, "Voorrecht van rechtsmacht", in Postal Memorialis, Kluwer, 2005, V 220, p. 4; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1710; College van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, omzendbrief 3/2012 van 18 april 2012 over voorrecht van rechtsmacht, www.om-mp.be, p. 5.
(2)Cass. 19 januari 1988, Arr. Cass. 1987-88, nr. 304, p. 627.
(3)J. MATTHIJS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, p. 332; T. DE COSTER, "Controle op en afsluiting van het gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht: recente ontwikkelingen", R.W. 2018-19, 443.
(4)Cass. 22 oktober 1985, Arr. Cass. 1985-86, nr. 111, R.W. 1985-86, 2827; Cass. 3 september 1986, Arr. Cass. 1986-87, 19. Cass. 1 april 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 108, met concl. van advocaat-generaal E. LIEKENDAEL; Cass. 24 september 2013, AR P.13.0317.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130924.6, AC 2013, nr. 475, al. 31, Cass. 18 februari 2014, AR P.13.0808.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2, AC 2014, nr. 126 en www.juridat.be. Zie J. DE CODT, "De vervolging van magistraten", in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2000, 159-164; F. DESTERBECK, "Voorrecht van rechtsmacht", in Postal Memorialis, Kluwer, 2005, V 220, p.4-7; M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1319-1321; I. MENNES, "Voorrecht van rechtsmacht", T. Strafr. 2015, 71-72; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 648-649; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, p. 1708-1711; O. MICHIELS, "Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", J.T. 2018, p.396, T. DE COSTER, "Controle op en afsluiting van het gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht: recente ontwikkelingen", R.W. 2018-19, 448; J. COPPENS, "Voorrecht van rechtsmacht en tegenspraak tijdens het vooronderzoek", T. Strafr. 2018, 341-342; E. VAN DOOREN, "Grondwettelijk Hof bevestigt onmiddellijke bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling bij voorrecht van rechtsmacht", R.A.B.G. 2019, 684.
(5)J. MATTHIJS, Openbaar Ministerie, APR, 1983, p. 338-339; R. VERSTRAETEN, "Voorrecht van rechtsmacht", in Strafrecht voor rechtspractici, Leuven, Acco, 1991, nr. 47; O. MICHIELS, "Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", J.T. 2018, p.396.
(6)Cass. 3 september 1996, Arr. Cass. 1996, nr. 7.
(7)College van procureurs-generaal, omzendbrief 3/2012 van 18 april 2012 over voorrecht van rechtsmacht, www.om-mp.be, p. 9. Deze theorie is ook toegelicht in GwH 1 februari 2018, arrest 9/2018, overweging B.4.1 en GwH 22 maart 2018, arrest 35/2018, B.6.2., www.const-court.be
(8)M. FRANCHIMONT, A. JACOBS en A. MASSET, Manuel de procédure pénale, Brussel, Larcier, 2012, 1320; I. MENNES, "Voorrecht van rechtsmacht", T. Strafr. 2015, 72; O. MICHIELS, "Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", J.T. 2018, p.396.
(9)I. MENNES, "Voorrecht van rechtsmacht", T. Strafr. 2015, 74; O. MICHIELS, "Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", J.T. 2018, p.396.
(10)J. DE CODT, "De vervolging van magistraten", in Statuut en deontologie van de magistraat, Brugge, Die Keure, 2000, 163.
(11)Arresten nr. 35/2018 van 22 maart 2018 en nr. 31/2019 van 28 februari 2019, www.const-court.be
(12)GwH 12 februari 2015, arrest 19/2015, www.const-court.be
(13)GwH 20 oktober 2016, arrest 131/2016, www.const-court.be, R.W. 2016-17, 1058. Zie O. MICHIELS, "Connexité et règlement de la procédure dans les hypothèses de privilège de juridiction", J.T. 2018, p. 397; T. DE COSTER, "Controle op en afsluiting van het gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht: recente ontwikkelingen", R.W. 2018-19, 444-447, H. SEVERIJNS, "Voorrecht van rechtsmacht van magistraten", N.J.W. 2018, 259-259.
(14)GwH 1 februari 2018, arrest 9/2018, www.const-court.be, T. Strafr. 2018, 351, R.W. 2018-19, 459. Zie T. DE COSTER, "Controle op en afsluiting van het gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht: recente ontwikkelingen", R.W. 2018-19, 449; J. COPPENS, "Voorrecht van rechtsmacht en tegenspraak tijdens het vooronderzoek", T. Strafr. 2018, 348; H. SEVERIJNS, "Voorrecht van rechtsmachtprocedure magistraten alweer onder vuur", N.J.W. 2018, 837; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel& Svacina, 2019, 850.
(15)GwH 22 maart 2018, arrest 35/2018, www.const-court.be, T. Strafr. 2018, 356, R.W. 2018-19, 453, N.C. 2018, 199, J.T. 2018, 393. Zie T. DE COSTER, "Controle op en afsluiting van het gerechtelijk onderzoek inzake voorrecht van rechtsmacht: recente ontwikkelingen", R.W. 2018-19, 449-450; J. COPPENS, "Voorrecht van rechtsmacht en tegenspraak tijdens het vooronderzoek", T. Strafr. 2018, 349; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel& Svacina, 2019, 850; E. VAN DOOREN, "Grondwettelijk Hof bevestigt onmiddellijke bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling bij voorrecht van rechtsmacht", R.A.B.G. 2019, 685.
(16)GwH 28 februari 2019, arrest 31/2019, www.const-court.be, B.4, RABG 2019/8, 678 noot E. VAN DOOREN. Over de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling om zich thans bevoegd te verklaren, voor de regeling der rechtspleging tegen een magistraat, zie Cass. 21 november 2018, AR P.18.0763.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181121.2, AC 2018, nr. 654, met concl. van advocaat generaal M. NOLET DE BRAUWERE in Pas. 2018, nr. 654, en www.juridat.be.
(17)EHRM 28 oktober 1992, Vidal t/België, EHRM 27 juli 2000, Pisano t/Italië; EHRM 25 juli 2013, Khodorkovsky en Lebedev t/Rusland, www.echr.coe.int; Cass. 22 september 2015, AR P.14.1118.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4, AC 2015, nr. 541, alinea 12; Cass. 22 november 2017, AR P.17.0630.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171122.2, AC 2017, nr. 668, www.juridat.be. Zie R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 1743 en 1746; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Brugge, Die Keure, 2017, 1247; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel & Svacina, 2019, 781.
(18)EHRM 18 december 2018, Murtazaliyeva t/Rusland, §158, zaak 36658/05, www.echr.coe.int, T. Strafr. 2019; 280 noot S. BERNEMAN. Zie S. BERNEMAN, "De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!", T. Strafr. 2019, 286-290; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Oud-Turnhout, Gompel & Svacina, 2019, 781-782.
(19)Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, www.juridat.be, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN (p. 288).
(20)Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, www.juridat.be, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN (p. 288). PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191126.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191126.2N.4 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210119.2N.9 citeert: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130924.6 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140218.2 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150414.4 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150922.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171122.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181121.2 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250219.2F.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div