id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 28 november 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191128.1N.3 Rolnummer: F.18.0089.N Zaak: VLAAMS GEWEST'contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2019-12-11 Raadplegingen: 261 - laatst gezien 2026-06-28 06:47 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191128.1N.3 Fiche Uit de artikelen 5, 48, § 1, Tabel I, en 48, § 2, Wetboek Successierechten volgt dat de overlevende echtgenoot die ingevolge een beding van ongelijke verdeling meer in zijn kavel verkrijgt dan de helft van de gemeenschap, afzonderlijk belast wordt op de waarde van de roerende en onroerende goederen die hij meer heeft verkregen dan bij een gelijke verdeling in natura van de gemeenschap
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Artikel 5, Wetboek Successierechten - Beding van ongelijke verdeling - Overbedeelde goederen - Berekening van de belasting Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - Artt. 5, 48, § 1, Tabel I, en 48, § 2 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Tekst van de conclusie F.18.0089.N Conclusie van advocaat-generaal J. Van der Fraenen:
- Situering 1.
- Het cassatieberoep van eiser is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Gent dd. 12 december 2017 waarin uitspraak wordt gedaan over een betwisting inzake successierechten met betrekking tot de nalatenschap van J.R. (overleden op 20 september 2011), waarop de regels van de wettelijke erfopvolging van toepassing zijn, en met als reservataire erfgenamen eerste verweerster (langstlevende echtgenote) en tweede en derde verweerders (kinderen). Uit de vaststellingen van het bestreden arrest blijkt dat het artikel 5 van het huwelijkscontract tussen J.R. en eerste verweerster als volgt luidt (met eigen nadruk): Artikel 5: Bij de ontbinding van de gemeenschap, en op de goederen die er alsnog deel zullen van uitmaken, zullen de echtgenoten, - of deze die hen vertegenwoordigen, en ieder voor wat hem aangaat, terug en vooraf nemen, als naar rechte: 1° de inbrengen door hen gedaan; 2° de roerende goederen welke aan de echtgenoten gedurende het huwelijk zijn toegevallen door erfenis, schenking, legaat of anderszins; 3° de prijs van vervreemde en ingevorderde eigen roerende en onroerende goederen, alsmede alle andere vergoedingen welke de echtgenoten zouden verschuldigd zijn jegens de gemeenschap. [De echtgenoten hebben ons uitdrukkelijk verklaard] overeengekomen te zijn ten titel van huwelijksbeding en tussen vennoten, ter vervollediging van voormelde tekst van artikel 5, dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden van één van hen, of er afstammelingen gesproten zijn uit het huwelijk of niet en er op dat ogenblik geen feitelijke scheiding bestaat tussen de echtgenoten of geen procedure tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed ingeleid werd, de langstlevende de volle eigendom van de helft van het gemeenschappelijk vermogen en het levenslang vruchtgebruik over de andere helft zal bekomen. De langstlevende echtgenoot heeft alsdan de vrije keuze te bepalen welke goederen in haar of zijn helft zullen vallen die hem of haar in volle eigendom toekomt en over welke goederen zij of hij het vruchtgebruik zal verkrijgen. De langstlevende echtgenoot zal de keuze hierboven bepaald eigenmachtig uitoefenen, en kunnen beslissen zonder instemming hieromtrent vanwege de andere rechthebbenden van de eerststervende. De langstlevende echtgenoot dient deze keuze binnen een termijn van vier maanden na de dag van het overlijden van de eerst gestorven echtgenoot te maken op straffe van verval van rechtswege van dit keuzerecht. Overtreft de waarde van de aldus samengestelde kavel zijn of haar gerechtigheden in de gemeenschap, dan zal wegens overbedeling een opleg verschuldigd zijn. De betaling van deze opleg in geld verschuldigd kan evenwel niet gevorderd worden zolang de langstlevende zelf in leven is. De langstlevende zal de schulden moeten dragen die rechtstreeks betrekking hebben op de goederen die hem in volle eigendom zijn aanbedeeld. Voor de goederen hem aanbedeeld in vruchtgebruik zal hij de intrest van de schulden die hierop betrekking hebben dragen. Voor de schulden die niet rechtstreeks kunnen toegeschreven worden aan een bepaald vermogensbestanddeel zullen deze moeten gedragen worden door de langstlevende verhoudingsgewijs tot de totale waarde van wat hem werd aanbedeeld. 1.
- Verweerders hebben op 20 april 2012 een aangifte van nalatenschap ingediend bij de ontvanger van de registratierechten in Kruishoutem. Voorafgaand aan deze indiening heeft eerste verweerster te kennen gegeven gebruik te willen maken van haar conventioneel toegekend keuzerecht, welke keuze werd uitgeoefend bij notariële akte dd. 23 december
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verweerster de volgende goederen in volle eigendom had gekozen: 92% van alle onroerende goederen, 100% van de banktegoeden en vorderingen en 100% van de gewone niet-vrijgestelde aandelen, terwijl zij het vruchtgebruik had gekozen over 8% van de onroerende goederen en over 100% van de vrijgestelde familieaandelen artikel 60bis. 1.
- De kern van de betwisting die voor het hof van beroep nog werd gevoerd betreft de berekening van de overbedeling van de huwgemeenschap (zoals deze moet begrepen worden in het licht van artikel 5 W. Succ.) en de daaraan verbonden successierechten. Dat er een surplus is, wordt niet betwist. In de opvatting van de appelrechter kunnen er na de pondspondsgewijze verdeling van de onderbedeling in volle eigendom, over de overbedeelde goederen in vruchtgebruik, enkel successierechten worden geheven over de goederen die verweerster in vruchtgebruik heeft gekozen, waardoor het belastbaar emolument bijna uitsluitend bestond uit de van successierechten vrijgestelde familieaandelen. Het bestreden arrest lijkt er aldus vanuit te gaan dat de langstlevende echtgenoot krachtens het keuzebeding zelf kan bepalen welke goederen van de huwgemeenschap in haar eigen onbelaste helft vallen, te dezen de gekozen goederen in volle eigendom, en welke goederen fiscaal in de nalatenschap vallen, te dezen de gekozen goederen in vruchtgebruik. Tegen dit arrest voert eiser in zijn verzoekschrift een middel tot cassatie aan.
- Bespreking van het enig middel 2.
- Eiser voert in het enig middel de schending aan van de artikelen 1, 5, 48, in het bijzonder §2, en 60bis W. Succ., artikel 48 vóór zijn wijziging bij Decreet van 23 december 2011, artikel 60bis vóór zijn opheffing bij voormeld Decreet. Anders dan voor het vaststellen van het al dan niet bestaan van een "surplus" of "overbedeling" in de zin van artikel 5 W.Succ., waar slechts rekening moet worden gehouden met de totale toebedeling, zonder opsplitsing van de gekozen goederen naar hun aard, is voor de berekening van het belastbaar emolument van de langstlevende echtgenoot, gelet op de gesplitste toepassing van het tarief, deze opdeling wel vereist zodat de appelrechter, zonder deze opsplitsing te maken, volgens eiser niet wettig de belastbare grondslag heeft bepaald. Het bestreden arrest heeft, aldus eiser, bij de berekening van de successierechten de goederen die de langstlevende echtgenoot zichzelf in volle eigendom heeft toebedeeld onterecht volledig buiten beschouwing gelaten en niet wettig beslist dat enkel successierechten zijn verschuldigd op de goederen die verweerster in vruchtgebruik heeft gekozen. 2.
- Artikel 5 W. Succ., zoals in deze van toepassing, bepaalt dat de overlevende echtgenoot, wie een huwelijksovereenkomst, die niet aan de regelen betreffende de schenkingen onderworpen is, op voorwaarde van overleving meer dan de helft der gemeenschap toekent, voor de heffing der rechten van successie en van overgang bij overlijden, wordt gelijkgesteld met de overlevende echtgenoot die, wanneer niet wordt afgeweken van de gelijke verdeling der gemeenschap, het deel van de andere echtgenoot krachtens een schenking of een uiterste wilsbeschikking geheel of gedeeltelijk verkrijgt. Artikel 48, §1, W. Succ. verwijst naar Tabel I, voor wat betreft de tarieven die van toepassing zijn op de vererving in rechte lijn en tussen samenwonenden en 48, §2, W. Succ. bepaalt dat die tarieven per rechtverkrijgende worden toegepast op de netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds en op het netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds. 2.
- Om te bepalen of er sprake is van een in artikel 5 W.Succ. bedoelde toekenning die de helft van de gemeenschap overstijgt, moet de waarde van de goederen waarop de overlevende echtgenoot aanspraak had kunnen maken bij een gelijke verdeling van de gemeenschap vergeleken worden met de waarde van de goederen, in volle eigendom of in vruchtgebruik, die de overlevende echtgenoot ingevolge de huwelijksovereenkomst als huwelijksvoordeel heeft verkregen. Indien blijkt dat de langstlevende echtgenoot als gevolg van de toebedeling op grond van de huwelijksovereenkomst "meer dan de helft der gemeenschap" heeft verkregen, zal artikel 5 W.Succ. toepassing vinden. De term "meer dan de helft der gemeenschap" in de zin van artikel 5 W.Succ., duidt hierbij op een abstract deel van de gemeenschap en viseert bijgevolg niet de specifieke goederen die krachtens de huwelijksovereenkomst, in méér, aan de overlevende echtgenoot werden toebedeeld. In voorliggend geval werd niet betwist dat de globale toebedeling aan verweerster in volle eigendom en vruchtgebruik, over alle categorieën van goederen heen, groter was dan de helft van de gemeenschap. 2.
- Aangezien de successierechten tussen echtgenoten overeenkomstig artikel 48, §2, W. Succ. afzonderlijk worden berekend over de roerende en onroerende goederen, met uitzondering van de gezinswoning en de familieaandelen bedoeld in artikel 60bis W. Succ., die van successierechten zijn vrijgesteld, diende m.i. vervolgens bepaald te worden op welke goederen de overbedeling precies betrekking heeft, daar dit zijn weerslag heeft op de bepaling van het belastbaar bedrag dat voortspruit uit de toepassing van artikel 5 W. Succ. De zienswijze van eiser kan m.i. worden bijgetreden dat ingeval van een huwelijksbeding van ongelijke verdeling met keuzerecht de overlevende echtgenoot, ofschoon deze zelf zijn kavel "in natura" kan samenstellen, voor de toepassing van artikel 5 W. Succ. niet zelf zal kunnen bepalen welke goederen in "zijn (onbelaste) helft" vallen en welke goederen als "overbedeelde" goederen, vallend in het (belaste) "surplus", moeten worden beschouwd. Artikel 5 W. Succ. laat deze fiscale keuze m.i. niet toe. Er dient m.i. derhalve een vergelijking te worden gemaakt met de hypothese waarbij de echtgenoten niet zijn afgeweken van een gelijke verdeling in natura en waarbij zij dus in principe ieder recht hebben op 50% van de roerende goederen, 50% van de onroerende goederen, enz. (Cfr. oud artikel 832 B.W.). In casu heeft eerste verweerster 50% meer banktegoeden in volle eigendom ontvangen dan bij een gelijke verdeling, 42% meer onroerende goederen in volle eigendom, omgekeerd 50% minder vrijgestelde aandelen in volle eigendom, enz. Per categorie van goederen dient nagegaan hoeveel de langstlevende meer/minder verkrijgt dan de 50% waarop deze recht heeft en in functie daarvan zal het bedrag van de erfbelasting dienen te worden bepaald. De appelrechter die oordeelt op grond van de clausule in de huwelijksovereenkomst dat de eerste verweerster niet kan worden belast op de waarde van de goederen die zij in volle eigendom heeft gekozen, omdat die goederen in haar eigen helft vallen, doch slechts op de waarde van de goederen die zij in vruchtgebruik heeft gekozen, omdat het vruchtgebruik datgene is wat haar meer is toegekend dan de helft van de gemeenschap, verantwoordt m.i. zijn beslissing niet naar recht. Het middel komt mij gegrond voor.
- Besluit: Vernietiging PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191128.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191128.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div