← België

FIDELITY BANK PLC contra V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 december 2019 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191219.1N.3 Rolnummer: C.19.0092.N Zaak: FIDELITY BANK PLC contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-01-10 Raadplegingen: 480 - laatst gezien 2026-06-28 22:53 Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.3 Fiches 1 - 2 Uit de artikelen 875bis, 902, 972, §1 en 984, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter die een nieuw onderzoek door een deskundige beveelt, terwijl in een eerdere fase van de procedure reeds een deskundigenonderzoek werd bevolen, de omstandigheden dient te vermelden die tot een nieuw onderzoek nopen en dient aan te geven waarom het eerder deskundigenverslag niet kan dienen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) - Motiveringsplicht - Bevel tot een nieuw deskundigenonderzoek Thesaurus CAS: DESKUNDIGENONDERZOEK Vrije woorden: Algemeen - Burgerlijke zaken (handelszaken en sociale zaken inbegrepen) - Motiveringsplicht - Bevel tot een nieuw deskundigenonderzoek Tekst van de conclusie C.19.0092.N Conclusie van de Advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
  1. De betwisting kadert in een door eiseres verleend krediet aan een buitenlandse vennootschap, waarvoor verweerder zich garant zou hebben gesteld.
  2. Lopende de procedure tot terugbetaling van dit krediet betwist verweerder zijn handtekening op die garantieovereenkomst en stelt hij een valsheidsprocedure daaromtrent in.
  3. Bij (tussen)vonnis oordeelt de eerste rechter op basis van het deskundigenverslag dat de handtekening van verweerder in het raam van de litigieuze betwisting niet vals is, en verklaart hij de tussenvordering inzake valsheid ongegrond.
  4. In het daartegen door verweerder ingestelde hoger beroep beslist het bestreden tussenarrest dat het hof van beroep niet in de technische mogelijkheid verkeert om zonder het advies van een schriftdeskundige de authenticiteit van de betwiste handtekening te beoordelen, en stelt het (opnieuw) een deskundige aan (die in zijn eindverslag tot de vaststelling komt dat de handtekening op het bewuste stuk met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet van de hand is van verweerder).
  5. Tegen het tussenarrest waarbij een schriftdeskundige werd aangesteld, stelt eiseres een enig middel tot cassatie in. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
  6. In haar enig middel voert eiseres aan dat door een nieuw deskundigenverslag te bevelen omtrent de echtheid van de handtekening van verweerder, hoewel hierover reeds een tegensprekelijk deskundigenverslag voorligt, zonder daarbij aan te geven waarom het reeds voorliggende deskundigenverslag onvoldoende opheldering biedt of waarom dit verslag opzij moet worden geschoven, de appelrechters de artikelen 875bis, eerste lid, 902, 972, §1, en 984, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek schenden.
  7. Door niet te antwoorden op het middel van eiseres krachtens hetwelk er reeds een deskundigenverslag voorligt en er geen redenen zijn om dit verslag opzij te schuiven, zouden de appelrechters tevens hun plicht miskennen om te antwoorden op de regelmatig uiteengezette middelen van de partijen (beweerde schending van artikel 780, eerste lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, en artikel 149 Grondwet).
  8. De voorliggende zaak betreft de vraag of de appelrechter die een nieuw gerechtsdeskundigenonderzoek beveelt, nadat er reeds in eerste aanleg een werd gevoerd, in zijn beslissing moet motiveren waarom hij een nieuw onderzoek noodzakelijk acht (en dus het eerste niet voldoende).
  9. In casu bevelen de appelrechters een nieuw, tweede schriftdeskundigenonderzoek, met de bedoeling de authenticiteit van de handtekening van de (eerste) verweerder op een garantieovereenkomst vast te stellen, nadat in eerste aanleg reeds een dergelijk onderzoek was gevoerd, op grond van de eenvoudige motivering dat "het hof niet in de technische mogelijkheid verkeert om zonder het advies van een schriftdeskundige de authenticiteit van de betwiste handtekening te beoordelen", zonder zelfs maar te verwijzen naar het eerder onderzoek. De appelrechters motiveren met andere woorden waarom zij een deskundigenonderzoek als dusdanig nodig achten, maar zij motiveren niet waarom een nieuw deskundigenonderzoek nodig is.
  10. De verweerder werpt in eerste instantie twee middelen van niet-ontvankelijkheid op.
  11. In het eerste middel laat verweerder gelden dat het cassatieberoep onontvankelijk moet worden verklaard omdat het bestreden tussenarrest tot aanstelling van een gerechtsdeskundige een beslissing is alvorens recht te doen, waartegen principieel geen rechtsmiddel kan worden aangewend.
  12. Vervolgens voert verweerder aan dat, indien de beslissing van de appelrechters tot het bevelen van een nieuw deskundigenonderzoek wel als een eindbeslissing zou moeten worden beschouwd, de eiseres in die beslissing heeft berust, nu zij zonder enig voorbehoud te maken haar medewerking heeft verleend aan het nieuw deskundigenonderzoek en in dat kader verschillende brieven richtte aan het hof van beroep en aan de gerechtsdeskundige.
  13. Elke rechterlijke beslissing waarin in laatste aanleg uitspraak over een geschilpunt wordt gedaan, kan in cassatie worden aangevochten. Overeenkomstig artikel 1077 Ger.W. staat echter tegen vonnissen alvorens recht te doen, slechts voorziening in cassatie open na het eindvonnis. De vraag rijst derhalve of de beslissing van de appelrechters in casu als een maatregel alvorens recht te doen dan wel als een eindbeslissing in de zin van artikel 1077 Ger.W. kan worden gezien.
  14. Uitgangspunt terzake is artikel 19 Gerechtelijk Wetboek, hetwelk een onderscheid maakt tussen eindbeslissingen en maatregelen alvorens recht te doen. Dit artikel wordt nader uitgewerkt in de rechtspraak van uw Hof die binnen de categorie van de eindbeslissing een onderscheid maakt tussen de definitieve eindbeslissing (of het eindvonnis) en de eindbeslissing op tussengeschil.
  15. Vooraleer evenwel nader op die rechtspraak wordt ingegaan, is het belangrijk voorafgaandelijk op te merken dat de bestreden beslissing geen gemengd vonnis is, waarbij zowel uitspraak wordt gedaan over de ontvankelijkheid van de vorderingen van de verweerders als over het al dan niet bevelen van een gerechtsdeskundigenonderzoek. Een gemengd vonnis komt immers in aanmerking als een eindbeslissing (over de ontvankelijkheid) en is als gevolg daarvan wel vatbaar voor cassatieberoep (ook voor wat de aanstelling van een gerechtsdeskundige betreft). De bestreden beslissing doet enkel uitspraak over de aanstelling van een gerechtsdeskundige. Zij doet geen uitspraak over de ontvankelijkheid van de vorderingen van de verweerders, nu de ontvankelijkheid van de vorderingen van de verweerders in een eerder arrest van het hof van beroep d.d. 3 april 2017 werd vastgesteld.
  16. Wat nu de eigenlijke rechtspraak betreft waarnaar hierboven wordt verwezen, oordeelde uw Hof
(1)dat niet als een eindbeslissing op tussengeschil kan worden beschouwd, de beslissing die een vordering ontvankelijk verklaart (en waarbij de ontvankelijkheid niet ter discussie stond) en vervolgens een onderzoeksmaatregel toekent. 12. In een arrest van 19 februari 2010 oordeelde uw Hof dat het onderdeel van een arrest dat een gerechtsdeskundige aanstelt, een beslissing betreft alvorens recht te doen, waartegen geen voorziening in cassatie kan worden ingesteld
(2). 13. In een arrest van 24 januari 2013 besliste uw Hof, m.b.t. het verzoek van een gerechtsdeskundige tot verlenging van de termijn voor neerlegging van zijn verslag, dat wanneer de voorafgaande maatregel om de vordering te onderzoeken die de rechter in de loop van de rechtspleging heeft genomen, tot een betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten, waardoor hij zijn rechtsmacht daarover volledig heeft uitgeoefend, die beslissing een eindbeslissing op tussenvordering is, en geen beslissing alvorens recht te doen, die zodoende vatbaar is voor cassatieberoep
(3). 14. In de lijn van de conclusie van de advocaat-generaal bij dat arrest interpreteert een groot deel van de rechtspraak deze uitspraak van uw Hof zo dat, voor zover de partijen voor het hof van beroep betwisting hebben gevoerd over de noodzaak van een onderzoeksmaatregel, de beslissing tot aanstelling van een gerechtsdeskundige een eindbeslissing is, dewelke vatbaar is voor cassatie, aangezien in een dergelijk geval uitspraak wordt gedaan over een geschilpunt. Voerden de partijen geen betwisting omtrent de noodzaak van de onderzoeksmaatregel, dan is geen sprake van een eindbeslissing, maar over een loutere maatregel alvorens recht te doen
(4). 15. In zover deze uitspraak moet worden geïnterpreteerd zoals hierboven geschetst, wordt zij in de rechtsleer nochtans ook fel bekritiseerd, aangezien zij het begrip "vonnis alvorens recht te spreken" elke werkelijke betekenis zou ontnemen
(5). Deze kritiek focust niet zozeer in de context van artikel 1077 Gerechtelijk Wetboek, maar wel in de context van het nieuwe artikel 1050, tweede lid Ger.W. volgens hetwelk tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter ambtshalve of op verzoek van een van de partijen anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Indien voormelde interpretatie van het begrip ‘vonnis alvorens recht te doen' ook geldt voor de toepassing van artikel 1050 Ger.W. betekent dit dat er wel onmiddellijk hoger beroep openstaat tegen beslissingen alvorens recht te doen die uitspraak doen over een betwisting tussen de partijen. In die interpretatie zou artikel 1050 zo goed als geen praktische relevantie hebben. Het was daarentegen de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever het onmiddellijk hoger beroep tegen een vonnis alvorens recht te spreken, onder andere een vonnis dat de toestand van de partijen voorlopig regelt, uit te sluiten, tenzij de rechter anders heeft bepaald
(6). 16. Door sommige rechtsleer wordt hierop geargumenteerd dat het arrest van Uw Hof van 2013 in het juiste licht moet worden gelezen. Het arrest zou helemaal niet zo mogen worden geïnterpreteerd dat een betwisting over een onderzoeksmaatregel volstaat opdat de uitspraak over die betwisting een eindbeslissing zou zijn. Het zou moeten worden gelezen in de specifieke context van het onderliggende geding. De appelrechter deed uitspraak op een verzoek van de deskundige tot termijnverlenging voor de neerlegging van zijn eindverslag. Opdat de appelrechter daarover een oordeel zou kunnen vellen, was een oordeel over de ontvankelijkheid van het onderzoek vereist, waardoor er wel sprake is van een eindbeslissing
(7). Deze interpretatie lijkt in elk geval niet verenigbaar met de conclusie van de advocaat-generaal, waar wel bij wijze van algemene regel wordt geformuleerd dat van zodra de rechter zich uitspreekt over een betwisting tussen de partijen, er van een eindbeslissing sprake is.
  1. Ook de verweerder lijkt zich in de memorie van antwoord neer te leggen bij voormelde rechtspraak van uw Hof en trekt die niet in twijfel. Evenwel argumenteert hij dat de partijen voor het hof van beroep geen discussie hebben gevoerd over de noodzaak tot aanstelling van een nieuwe deskundige, als gevolg waarvan in casu van een beslissing alvorens recht te doen sprake zou zijn.
  2. Uit nazicht van de syntheseberoepsconclusies van de partijen blijkt dat de verweerder voor de appelrechters de nietigheid van het verslag van de deskundige in eerste aanleg vorderde en dienovereenkomstig de aanstelling van een nieuwe gerechtsdeskundige verzocht. De eiseres voerde zeer omstandig verweer omtrent de vordering van de verweerder tot vernietiging van het verslag van de eerste gerechtsdeskundige, zonder zich expliciet tegen de vordering tot aanstelling van een nieuwe gerechtsdeskundige te verzetten. Evenwel kan het verzet van de eiseres tegen de vernietiging van het eerste deskundigenverslag m.i. echter niet anders worden geïnterpreteerd als een verzet tegen de aanstelling van een nieuwe gerechtsdeskundige in zoverre de beide vorderingen naar mijn aanvoelen immers noodzakelijkerwijs met elkaar verband houden: de vordering tot aanstelling van een nieuwe deskundige is een logisch uitvloeisel van de vordering tot vernietiging van het eerste deskundigenverslag.
  3. In het verlengde van voormelde benadering ga ik er dan ook van uit dat, gelet op het feit dat partijen in casu - zij het impliciet - hebben geargumenteerd over het al dan niet vereist zijn van een nieuw gerechtsdeskundigenonderzoek, en gelet op de rechtspraak van uw Hof, moet worden geoordeeld dat de voorziening ontvankelijk is.
  4. Wat het tweede middel van niet-ontvankelijkheid inzake mogelijke berusting betreft, kan overeenkomstig vaste rechtspraak van uw Hof stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing niet worden afgeleid uit de uitvoering van een bij voorraad uitvoerbare rechterlijke beslissing en uit de betaling van de kosten, bij ontstentenis van bijzondere omstandigheden die op vaststaande en ondubbelzinnige wijze de afstand van het uitoefenen van een rechtsmiddel aantonen
(8). De brieven dewelke de eiseres aan het hof van beroep en de gerechtsdeskundige richtten, komen m.i. niet in aanmerking als dergelijke bijzondere omstandigheden, maar kaderen in de uitvoering van het bevolen deskundigenonderzoek. Van een berusting is er m.i. derhalve geen sprake, en ook op dat vlak lijkt de voorziening mij aldus ontvankelijk.
  1. De beide middelen van niet-ontvankelijkheid dienen dan ook verworpen te worden.
  2. Wat de eigenlijke beoordeling ten gronde, i.v.m. de specifieke motivering door de rechter in geval van de aanstelling van een tweede (nieuwe) deskundige, aanbelangt, bevat de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen krachtens artikel 972, §1, Gerechtelijk Wetboek minstens onder meer de vermelding van de omstandigheden die het deskundigenonderzoek noodzaken. De draagwijdte van deze motiveringsplicht wordt in de wet niet nader gespecifieerd. Ook de parlementaire voorbereidingen bevatten terzake geen verdere aanwijzingen. Bijgevolg is het op basis van de wettekst en de parlementaire voorbereidingen van artikel 972 Ger.W. onduidelijk of de rechter die een tweede identieke onderzoeksmaatregel beveelt, nadat deze maatregel reeds in een eerdere fase van de procedure was bevolen, moet motiveren waarom de resultaten van de eerste maatregel niet konden volstaan.
  3. In de rechtspraak en rechtsleer is men het erover eens dat de motiveringsplicht van artikel 972 Ger.W. een louter formele motiveringsplicht is
(9). De rechter die dient te beslissen over de aanstelling van een gerechtsdeskundige, oordeelt soeverein over opportuniteit van maatregel
(10). 24. In de rechtsleer wordt verder geopperd dat het niet zou volstaan dat de rechter die de aanstelling van een gerechtsdeskundige beveelt, louter de omstandigheden van het geding vermeldt. De rechter dient de aanstelling op grond van deze omstandigheden daadwerkelijk te motiveren
(11).
  1. Artikel 875bis Ger.W. introduceerde tevens het beginsel van subsidiariteit. De rechter dient de keuze van de onderzoeksmaatregel en de inhoud van die maatregel te beperken tot wat volstaat om het geschil op te lossen, mede in het licht van de verhouding van de verwachte kosten van de maatregel tot de inzet van het geschil en waarbij de meest eenvoudige, snelle en goedkope maatregel de voorkeur geniet. Een onderzoeksmaatregel, en bijgevolg ook een deskundigenonderzoek, moeten met andere woorden noodzakelijk zijn in het licht van omstandigheden van het geval.
  2. De wet voorziet weliswaar geen expliciete sanctie in geval de rechter zich niet uitdrukkelijk uitspreekt over waarom hij een bepaalde onderzoeksmaatregel noodzakelijk acht. Verschillende auteurs opperen evenwel dat het beginsel subsidiariteit onderhevig is aan de motiveringsplicht van artikel 972 Ger.W.
(12)De rechter zou in zijn vonnis aldus de omstandigheden moeten duiden die een welbepaalde onderzoeksmaatregel noodzakelijk maken. Hij zou daarbij moeten duiden waarom andere onderzoeksmaatregelen niet kunnen volstaan
(13). De rechter zou met andere woorden moeten expliciteren waarom de bevolen onderzoeksmaatregelen de meest adequate maatregel is en daarbij aangeven waarom minder verregaande maatregelen niet kunnen volstaan
(14). 27. Daaruit wordt afgeleid dat wanneer de rechter een nieuw deskundigenonderzoek beveelt, de motiveringsplicht ook inhoudt dat hij de precieze omstandigheden vermeldt die een nieuw onderzoek nodig maken en waarom de resultaten van het eerder deskundigenonderzoek niet volstaan. Verder wordt geargumenteerd dat enkel wanneer het onwenselijk is de aanvankelijke deskundige met een aanvullend onderzoek te gelasten, een nieuwe deskundige kan worden aangesteld. Wanneer het deskundig verslag slechts op een enkel punt of op enkele punten geen opheldering brengt, is het onredelijk om een nieuwe expert aan te stellen die het onderzoek ab initio moet hernemen wanneer dit buiten proportie zou zijn met de inzet van het geding
(15). 28. Vanuit die benadering, in het kader van de wetgeving en de rechtsleer, komt het mij dan ook voor dat, aangezien de appelrechters in casu niet hebben beargumenteerd waarom een nieuw deskundigenonderzoek noodzakelijk is, niettegenstaande de partijen uitgebreid hadden geconcludeerd over de vraag of al dan niet een nieuwe gerechtsdeskundige moest worden aangesteld (vnl. omwille van vermeende miskenning van het recht van verdediging door de eerste deskundige en vermeende technische fouten), zij hun beslissing niet naar recht verantwoorden, en dat het enig middel derhalve gegrond is. III. CONCLUSIE: VERNIETIGING (die zich qua omvang van de cassatie uitstrekt tot de arresten die er het gevolg van zijn). ________________________
(1)Cass. 6 december 1974, AC 1975, 408; Cass. 15 februari 1990, AR F.1040.F, AC 1989-90, nr. 366.
(2)Cass. 19 februari 2010, AR C.08.0127.F ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100219.4, AC 2010, nr. 112.
(3)Cass. 24 januari 2013, AR C.12.0213.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1, AC 2013, nr. 60, met concl. van advocaat-generaal WERQUIN in Pas. 2013, nr. 60.
(4)N. CLIJMANS, "De beslissing waarbij de opdracht van een lopend deskundigenonderzoek wordt uitgebreid op grond van artikel 973, §2 Gerechtelijk Wetboek, is niet appellabel ingevolge artikel 963, §1 Gerechtelijk Wetboek, ook al beslecht ze daardoor een betwisting tussen partijen en is ze een eindbeslissing", RABG 2019, 484; W. VANDENBUSSCHE, Mogelijkheid tot hoger beroep tegen betwistingen tussen partijen in het kader van een onderzoeksmaatregel, NjW 2018, 447; B. VANLERBERGHE, Het hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen en de moeilijke toepassing van artikel 1050, tweede lid Ger.W., T.Fam. 2016, 217; B. VANLERBGHE, De beslissing alvorens recht te doen in de zin van artikel 1050, tweede lid Ger.W., RW 2015-16, 1625.
(5)Antwerpen 16 maart 2016, RW 2015-16, 1623, noot B. VANLERBERGHE; zie ook de onder de hoger vermelde voetnoot aangehaalde doctrine, evenals J. LAENENS, D. SCHEERS, e.a., Handboek Gerechtelijk recht, Antwerpen, Intersentia, 2016, 710-711.
(6)Parl. St. Kamer 2014-15, nr. 54-1219/1, p. 23-24.
(7)J. VAN DONINCK, Het deskundigenonderzoek na Potpourri I: enkele tendensen, RABG 2017, 128.
(8)Cass. 27 juni 1991, AR nr. 8964, AC 1990-91, nr. 561; Cass. 1 december 1983, AR nr. 6934, AC 1983-84, nr. 183.
(9)M. CASTERMANS, Gerechtelijk privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 521.
(10)Cass. 17 november 1988, Arr.Cass. 1988-89, 321; H. BOULARBAH, Le nouveau droit d'expertise judiciaire, in H. BOULARBAH (ed.), Le nouveau droit de l'expertise judiciaire en pratique: commentaire de la loi du 15 mai 2007 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne l'expertise et de sa loi de réparation du 30 décembre 2009, Brussel, Larcier, 2010, 12; T. LYSENS en L. NAUDTS, Deskundigenonderzoek in burgerlijke zaken, Mechelen, Kluwer, 2005, 48-49.
(11)T. TOREMANS, Commentaar bij artikel 972 Ger.W., in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, 9 april 2014, 92.
(12)M. CASTERMANS, Gerechtelijke privaatrecht, Gent, Story Publishers, 2009, 521; T. TOREMANS, Commentaar bij artikel 875bis Ger.W., in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, 2 augustus 2012, 83.
(13)H. BOULARBAH, Le nouveau droit d'expertise judiciaire, in H. BOULARBAH (ed.), Le nouveau droit de l'expertise judiciaire en pratique: commentaire de la loi du 15 mai 2017 modifiant le Code judiciaire en ce qui concerne l'expertise et de sa loi de réparation du 30 décembre 2009, Brussel, Larcier, 2010, 12.
(14)H. BOULARBAH, o.c., Brussel, Larcier, 2010, 13-14; D. MOUGENOT, Le nouveau droit de l'expertise, in G. DE LEVAL en F. GEORGES (eds.), Le droit judiciaire en mutation: en hommage à Alphonse Kohl, Luik, CUP, 72-73.
(15)T. TOREMANS, Commentaar bij artikel 875bis Ger.W., in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, 2 augustus 2012, 83-84; T. TOREMANS, Commentaar bij artikel 984 Ger.W., in Artikelsgewijze commentaar gerechtelijk recht, 3 april 2013, 118-119. PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191219.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.3 citeert: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100219.4 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130124.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240229.1N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.