id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Conclusie van het Openbaar Ministerie van 19 december 2019
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Begrip Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Belangen in het geding - Beoordeling - Feitenrechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Belangen in het geding - Beoordeling - Feitenrechter - Wijze Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Fiches 7 - 9 Wanneer de rechter op grond van de omstandigheden van de zaak onaantastbaar oordeelt dat er rechtsmisbruik is, gaat het Hof na of uit de vaststellingen het bestaan van een dergelijk misbruik kan worden afgeleid
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Onaantastbare beoordeling door de feitenrechter - Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Rechtsmisbruik - Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Bevoegdheid van het Hof Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Fiches 10 - 11 Misbruik van recht wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht; de herleiding van het recht tot zijn normale uitoefening kan zover gaan dat de rechter aan de houder van het recht de mogelijkheid ontzegt om zich erop te beroepen in de gegeven omstandigheden
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTSMISBRUIK Vrije woorden: Sanctie Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Verbod van rechtsmisbruik - Sanctie Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1134
, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt Annotaties Publicaties: Journal des tribunaux [JT] - 2021, n° 6848, p. 199-
- - DE LEVAL, Georges, VAN COMPERNOLLE, Jacques; Note'La sanction de l'abus de droit lors du recouvrement de l'astreinte' Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent [RABG] - 2020, nr. 7, p. 617-
- - VAN SCHAL, Stijn; Noot'Toetsing door de beslagrechter van rechtsmisbruik bij de invordering van dwangsommen' Tijdschrift voor Belgisch burgerlijk recht [TBBR] - 2021, nr. 7, p. 379-
- - HICK, Tom; Noot'Misbruik van de invordering van een dwangsom? Recente cassatierechtspraak gekaderd' Tekst van de conclusie C.19.0127.N Conclusie van de Advocaat-generaal Van Ingelgem: I. SITUERING
- Verweerster werd strafrechtelijk veroordeeld wegens inbreuken inzake stedenbouw. De herstelvordering van eiser werd tevens gegrond verklaard, onder verbeurte van een dwangsom.
- Wanneer aan de betekening van de desbetreffende beslissingen, met bevel tot herstel, geen gevolg werd gegeven, liet eiser een bevel tot betaling van de verbeurde dwangsommen betekenen.
- Tegen het laatste bevel (van 19 mei 2015, dat betrekking had op de verbeurde dwangsommen in de periode van 20 december 2014 tot 18 mei 2015, voor een bedrag van 56.520 euro, meer kosten) werd door verweerster verzet aangetekend, dat door het bestreden arrest ontvankelijk en gegrond wordt verklaard en waaromtrent voor recht wordt gezegd dat geen enkele betaling van dwangsommen of andere sommen verschuldigd is.
- Tegen deze beslissing voert eiser een enig middel tot cassatie aan. II. BESPREKING VAN HET MIDDEL.
- Het eerste onderdeel van het enig middel verwijt het bestreden arrest als beslagrechter te hebben geoordeeld over de (on)mogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen wegens onredelijkheid, terwijl die bevoegdheid krachtens artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek uitsluitend aan de dwangsomrechter toekomt. Dit onderdeel neemt in zijn argumentatie de conclusie van de advocaat-generaal bij het cassatiearrest van 19 oktober 2018 (AR C.15.0086.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1) in dit verband nagenoeg woordelijk over. 1.
- Het onderzoek naar de (on)mogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen, situeert zich op het niveau van het bestaan van een recht op invordering van de dwangsom. Bij onmogelijkheid voor de schuldenaar om de hoofdveroordeling na te komen (bijv. wegens overmacht of redelijke onmogelijkheid) heeft de schuldeiser, ondanks de niet-uitvoering van die hoofdveroordeling, geen recht op invordering van de dwangsom. De dwangsom kan dan niet verbeuren. Dit onderzoek komt volgens de rechtspraak toe aan de rechter die deze dwangsom heeft opgelegd, nl. de dwangsomrechter
(1). 1.2. In zoverre de regeling van de dwangsom uitgaat van een strikte taakverdeling tussen de rechter die de dwangsom oplegt, de dwangsomrechter, en de rechter die moet oordelen over het al dan niet verbeurd zijn ervan, de beslagrechter
(2), volgt uit de inzake toepasselijke wetsbepalingen
(3)aldus dat de bevoegdheid van de beslagrechter beperkt is tot uitspraak over het executiegeschil, en dit in de mate dat hij ook bevoegd is om te beoordelen of de invordering van de dwangsom in de gegeven omstandigheden geen misbruik van recht oplevert
(4). 1.
- In deze heeft de appelrechter, in de fase van de tenuitvoerlegging van de verbeurde dwangsom, geoordeeld dat de eiser in de voorliggende omstandigheden zijn recht op invordering van de dwangsom op een kennelijk onredelijke manier heeft uitgeoefend, d.w.z. op een manier die rechtsmisbruik inhoudt. In zoverre het voor de schuldenaar in casu theoretisch wel mogelijk was om de hoofdveroordeling tot afbraak van de illegale constructies na te komen, heeft hij dit toch niet gedaan, en heeft de schuldeiser hier dus wel recht op invordering van de dwangsom, die theoretisch verbeurd is. In voormelde context situeert het onderzoek van de appelrechter zich m.i. bijgevolg echter niet op het niveau van het bestaan van het invorderingsrecht, maar wel op het niveau van de concrete uitoefening van een bestaand subjectief invorderingsrecht. 1.
- Waar gelet op de hierboven toegelichte benadering en het gemaakte onderscheid dit onderzoek (vanzelfsprekend) toekomt aan de beslagrechter, voor wie dit recht in de tenuitvoerleggingsprocedure wordt uitgeoefend, ben ik dan ook van oordeel dat het onderdeel dat er geheel van uitgaat dat de beslagrechter bij de invordering van dwangsommen het bestaan van rechtsmisbruik niet mag toetsen, maar enkel mag nagaan of de titel (nog) actueel, doeltreffend en uitvoerbaar is, of in redelijkheid aan de hoofdvordering voldaan is en of de verbeurde dwangsommen al dan niet verjaard zijn, faalt naar recht. 1.
- In het arrest van uw Hof van 19 oktober 2018 werd er immers voor gekozen om de zaak op te lossen in de sleutel van het verbod op rechtsmisbruik: de beslagrechter is wel bevoegd om te oordelen of de schuldeiser misbruik heeft gemaakt van zijn recht om de dwangsommen in te vorderen, en het bestreden arrest werd vernietigd op grond van de sanctie: de appelrechter had de invordering van de dwangsommen volledig afgewezen - d.i. voor de volledige periode waarin de dwangsommen waren verbeurd, van 2002 tot 2013 - zonder vast te stellen dat dit nodig was voor een volledig herstel van de schade of voor de herleiding van het misbruikte recht tot een normale uitoefening ervan. 1.
- Uit voormeld cassatiearrest blijkt m.i. dus dat de beslagrechter bij de invordering van dwangsommen het bestaan van rechtsmisbruik wel mag toetsen en dat hij dus meer mag doen dan het louter alhier in het onderdeel opgeworpen. Het is in die zin dan ook dat ik (zoals hoger gesteld) van mening ben dat het onderdeel derhalve faalt naar recht.
- In het tweede onderdeel wordt aangevoerd dat de appelrechter zijn beslissing dat eiser rechtsmisbruik pleegt, niet naar recht verantwoordt, nu de daaromtrent door de appelrechter vastgestelde feiten immers niet zouden toelaten daar in hoofde van eiser rechtsmisbruik uit af te leiden. Naast deze miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat rechtsmisbruik verbiedt, werpt eiser tevens een tegenstrijdige motivering (schending van artikel 149 Grondwet) op. 2.
- Waar rechtsmisbruik, volgens vaste rechtspraak van uw Hof, de uitoefening is van een recht op een wijze die kennelijk de grenzen van de uitoefening van dit recht door een bedachtzaam en voorzichtig persoon te buiten gaat, en dit o.m. het geval is wanneer de veroorzaakte schade buiten verhouding staat tot het voordeel dat de houder van het recht nastreeft of heeft verkregen, ligt het voor de hand dat bij de beoordeling van de belangen die in het geding zijn, de rechter rekening moet houden met alle omstandigheden van de zaak
(5). 2.2. Wanneer de rechter op grond van de omstandigheden van de zaak onaantastbaar oordeelt dat er rechtsmisbruik is, gaat het Hof na of uit de vaststellingen het bestaan van een dergelijk misbruik kan worden afgeleid
(6). 2.
- Het onderzoek verwijt het bestreden arrest in deze geen uitdrukkelijke vaststellingen te doen omtrent het vervuld zijn van de bijzondere criteria van rechtsmisbruik (onder meer het proportionaliteitscriterium). 2.
- Met de door hem in het arrest aangehaalde overwegingen komt het mij evenwel voor dat de appelrechter de door hem vastgestelde feiten wel aan de criteria van rechtsmisbruik heeft getoetst, te weten het proportionaliteitscriterium. De appelrechter benoemt dit criterium weliswaar niet als zodanig, maar zijn redenering (motivering) impliceert m.i. wel degelijk een toets aan dit criterium. Met de weergegeven overwegingen geeft de appelrechter immers te kennen dat de last die voor de verweerster voortvloeit uit de betaling van de dwangsom wegens niet-uitvoering van de herstelwerken, buiten verhouding groot is ten opzichte van het voordeel dat de eiser haalt uit de invordering van de dwangsom, nu de gemeente en het Agentschap voor Natuur en Bos de herstelwerken zelf willen uitvoeren in ruil voor de schenking of kosteloze overdracht van de percelen. Het is volgens de appelrechter dus buitensporig om de dwangsom als drukkingsmiddel te gebruiken opdat de verweerster de afbraakwerken toch zelf zou uitvoeren. Met andere woorden, het voordeel dat de eiser uit de uitvoering van de hoofdveroordeling, nl. de uitvoering van de herstelvordering, door de verweerster haalt, is zeer gering ten opzichte van de dwangsom die de verweerster zou moeten betalen wegens het gebrek aan uitvoering, nu men toch bezig is met een inkoopoperatie. Als zodanig eist eiser aldus enerzijds het herstel door verweerster onder verbeurte van een dwangsom en erkent hij anderzijds dat de gemeente en het Agentschap voor Natuur en Bos bezig zijn met een kosteloze overdracht van de percelen, in ruil waarvoor zij de afbraakwerken zelf zullen uitvoeren. 2.
- Nu het arrest, door die overwegingen, in het licht van alle omstandigheden van de zaak onderzoekt of eiser uit de uitoefening van zijn recht geen voordeel heeft verkregen dat buiten verhouding staat tot de daarmee voor verweerster gepaard gaande last, staat het mij voor dat het aldus met redenen zijn beslissing, dat eiser door de invordering van de dwangsommen rechtsmisbruik heeft gepleegd, naar recht verantwoordt
(7). 2.6. Bij gebrek aan een daartoe strekkende conclusie dient de rechter bovendien niet alle gegevens ter vermelden waarop hij zijn beslissing laat steunen. Uit het enkele feit dat een gegeven in een vonnis niet is vermeld, volgt niet dat de rechter dit niet heeft onderzocht
(8). Het is dus niet omdat de rechter bij ontstentenis van enige daartoe strekkende conclusie, niet alle wettigheidsvereisten vermeldt, dat hij die vereisten niet daadwerkelijk heeft onderzocht. Die niet-vermelding maakt aldus geen schending van artikel 149 Grondwet uit
(9). 2.
- In het geheel van de hoger vermelde benadering lijkt het tweede onderdeel derhalve niet te kunnen aangenomen worden. 2.
- In zoverre het Hof echter enkel mag nagaan of uit de vaststellingen van de appelrechter het bestaan van rechtsmisbruik kan worden afgeleid, nl. of de appelrechter de feiten daadwerkelijk aan de criteria van rechtsmisbruik heeft getoetst (inzonderheid het proportionaliteitscriterium), mag het het onderzoek van de feiten evenwel zelf niet volledig overdoen. Waar het onderdeel in casu aldus voor het overige m.i. een beoordeling van de feiten vraagt - waarvoor uw Hof niet bevoegd is - komt het mij dan ook niet ontvankelijk over. 2.
- Wat de aangevoerde tegenstrijdigheid in de motivering betreft, ga ik er van uit dat het niet tegenstrijdig is enerzijds te oordelen dat de titel actueel, doeltreffend en uitvoerbaar is, zodat er in principe een recht bestaat om de verbeurde dwangsommen in te vorderen, en anderzijds dat dit recht in de concrete omstandigheden op een kennelijk onredelijke manier wordt uitgeoefend (d.i. op een manier die rechtsmisbruik inhoudt), zodat voor de betrokken periode de dwangsom niet kan worden ingevorderd. Anders dan het onderdeel aanvoert, impliceert dit laatste onderdeel m.i. immers niet dat de titel waarvan de uitvoering wordt gevorderd toch niet meer actueel zou zijn. Het verbod op rechtsmisbruik raakt immers niet aan het "bestaan" van het invorderingsrecht zelf, in de mate dat op grond van dit beginsel slechts de "uitoefening" van dit recht gematigd wordt tot een normaal gebruik in de concrete omstandigheden. 2.
- Bovendien kan ik mij niet van de indruk ontdoen dat het onderdeel hier in werkelijkheid geen motiveringsgebrek maar een onwettigheid/juridische tegenstrijdigheid aanvoert die slechts beoordeeld kan worden op grond van een uitlegging van wetsbepalingen die evenwel in deze niet als geschonden worden aangewezen. Het onderdeel dat alleen artikel 149 Grondwet als geschonden wetsbepaling aanwijst is m.i. derhalve - naast een eventueel gemis aan feitelijke grondslag - eveneens niet ontvankelijk.
- In het derde onderdeel voert eiser aan dat het bestreden arrest niet vaststelt dat een volledig rechtsherstel voor het rechtsmisbruik vereist dat de totale som aan verbeurde dwangsommen niet verschuldigd zou zijn, daar waar dergelijk misbruik enkel wordt gesanctioneerd, niet door het verbeuren van het recht, maar door het recht tot zijn normale uitoefening te herleiden of door het opleggen van het herstel van de schade die door het misbruik is teweeggebracht. 3.
- Dit onderdeel baseert zich op het reeds eerder vermelde cassatiearrest van 19 oktober 2018 (AR C.15.0086.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1). In dit arrest had de appelrechter de vordering tot betaling van de dwangsom voor de volledige periode waarin die was verbeurd (nl. van 2002 tot 2013) afgewezen. Het Hof vernietigt het arrest omdat de appelrechter niet vaststelt dat de stedenbouwkundig inspecteur, door de dwangsom te laten verbeuren en niet tot uitvoering van ambtswege te zijn overgegaan, van bij aanvang misbruik heeft gemaakt van zijn invorderingsrecht. Het is immers normaal dat de stedenbouwkundig inspecteur aanvankelijk rekent op de uitvoering van de veroordeling door de verweerster en niet onmiddellijk een uitvoering van ambtswege verricht. De appelrechter was bij de sanctie dus verder gegaan dan het herleiden van het misbruikte recht tot zijn normale uitoefening. 3.
- In casu wijst de appelrechter de vordering tot betaling van de dwangsom evenwel af voor een welbepaalde afgebakende periode, namelijk voor de periode van 20 december 2014 tot 18 mei 2015, waarop het laatste in 2015 betekende betalingsbevel betrekking had. Voor die periode (namelijk in 2014-2015) stelt de appelrechter vast dat de gemeente en/of het Agentschap voor Natuur en Bos bezig waren met de kosteloze overdracht van de percelen, in ruil waarvoor ze de afbraakwerken zelf wilden uitvoeren, en dat de eiser ruim drie jaar heeft gewacht met de betekening van het bevel tot betaling van de in die periode verbeurde dwangsommen. Voor die periode stelt de appelrechter dus de kennelijke onredelijkheid van de invordering van de dwangsom vast. 3.
- Met die overwegingen stelt hij m.i. aldus wel vast dat de afwijzing van de invordering van de totale som van de tussen 20 december 2014 en 18 mei 2015 verbeurde dwangsom noodzakelijk was om het misbruikte recht op invordering tot zijn normale uitoefening te herleiden en om de door het rechtsmisbruik veroorzaakte schade in natura te herstellen. 3.
- Waar de appelrechter hierdoor zijn beslissing m.i. wel degelijk naar recht verantwoordt, kan ook dit onderdeel niet worden aangenomen. III. CONCLUSIE: VERWERPING. ____________________
(1)Zie o.a. Beneluxhof 12 februari 1996, A94/3; Cass. 2 mei 1996, AR C.93.0536.N ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960502.5, AC 1996, nr. 143; Cass. 12 maart 2009, AR C.07.0282.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110505.16, AC 2009, nr. 195, naar welke rechtspraak in de conclusie (onder nr. 15) bij het arrest van 19 oktober 2018 wordt verwezen.
(2)Cass. 20 oktober 2008, AR S.07.0059.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.7, AC 2008, nr. 561, ro 8; K. BROECKX, Dwangsommen voor de beslagrechter, in Taelman (ed.), XLIste Postuniversitaire cyclus W. Delva. Efficiënt procederen voor een goede rechtsbedeling, Gandaius, Mechelen, Wolters Kluwer Belgium, 2016,
(677), 683, nr. 16.
(3)Artikelen 1385bis, eerste lid, 1385quater, 1385quinquies, 1395, eerste lid, 1396 en 1498 Gerechtelijk Wetboek.
(4)Cass. 19 oktober 2018, AR C.15.0086.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1, in welk arrest wordt erkend dat ook de beslagrechter rekening kan houden met de leerstukken van rechtsmisbruik en de uitvoering te goeder trouw: E. DIRIX, Beslag, in APR, Mechelen, Kluwer, 2018, 72.
(5)Cass. 19 maart 2015, AR C.13.0218.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150319.10, AC 2015, nr. 206; Cass. 17 januari 2011, AR C.10.0246.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110117.2, AC 2011, nr. 47; Cass. 1 oktober 2010, AR C.09.0565.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4, AC 2010, nr. 571; Cass. 9 maart 2009, AR C.08.0331.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9, AC 2009, nr. 182. Zie ook: Cass. 30 januari 2003, AR C.00.0632.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030130.18, AC 2003, nr. 69; Cass. 17 mei 2002, AR C.01.0101.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020517.4, AC 2002, nr. 302; Cass. 15 maart 2002, AR C.01.0225.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020315.8, AC 2002, nr. 183; Cass. 10 september 1971, AC 1972, 31.
(6)Cass. 3 februari 2017, AR C.16.0055.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1, AC 2017, nr. 82.
(7)Cass. 17 januari 2011, AR C.10.0246.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110117.2, AC 2011, nr. 47.
(8)Cass. 11 december 2009, AR C.09.0332.F ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091211.2, AC 2009, nr. 740; Cass. 8 september 2008, AR C.08.0026.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3, AC 2008, nr. 456.
(9)Cass. 30 september 2002, AR S.02.0020.N ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020930.3, AC 2002, nr. 489; Cass. 28 oktober 1988, AR nr. 5729, AC 1988-89, nr.
- B. Maes, De motiveringsplciht van de rechter, Antwerpen, Kluwer, 1990, 22-
- PDF document ECLI:BE:CASS:2019:CONC.20191219.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Vonnis/arrest: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191219.1N.4 citeert: ECLI:BE:CASS:1996:ARR.19960502.5 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020315.8 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020517.4 ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20020930.3 ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030130.18 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080908.3 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20081020.7 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090309.9 ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20091211.2 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101001.4 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110117.2 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110505.16 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150319.10 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170203.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181019.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div