id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200102.1N.1 Rolnummer: C.13.0363.N Zaak: FRIMPEX BVBA c. OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPI Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-01-15 Raadplegingen: 466 - laatst gezien 2026-06-28 07:43 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200102.1N.1 Fiche Het tarief vermeld in artikel 47, §2, 7° Afvalstoffendecreet geldt als het gewone heffingstarief voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen; de heffingsplichtige die zich op het verlaagde tarief wil beroepen heeft de bewijslast dat hij de bij artikel 47, §2, 38° Afvalstoffendecreet vastgelegde gewichtspercentages heeft nageleefd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GEMEENSCHAPS- EN GEWESTBELASTINGEN Vrije woorden: Gewestbelastingen - Vlaams Gewest - Afvalstoffendecreet - Milieuheffing - Verlaagd tarief - Voorwaarden - Bewijslast Wettelijke bepalingen: Decreet Vlaamse Raad - 02-07-1981 - Art. 47 - 30 ELI link Pub nr 1981001184 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.13.0363.N FRIMPEX bvba, met zetel te 3370 Boutersem, Werenberg 15, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, tegen OPENBARE VLAAMSE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ (afgekort OVAM), publiekrechtelijk rechtspersoon, met zetel te 2800 Mechelen, Stationsstraat 110, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 maart
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 15 november 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 47, § 1, Afvalstoffendecreet zijn aan een milieuheffing onderworpen de uitbaters van de in § 2, 1° tot en met 42°, bedoelde vergunningsplichtige inrichtingen alsook de ophalers van de in § 2, 43°, bedoelde afvalstoffen. Krachtens het toepasselijke artikel 47, § 2, 7°, Afvalstoffendecreet wordt het bedrag van de milieuheffingen, bedoeld in § 1 vastgesteld op 49,58 euro per ton voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen. Luidens het hier toepasselijke artikel 47, § 2, 38°, eerste lid, Afvalstoffendecreet wordt het bedrag van de milieuheffingen, bedoeld in § 1, vastgesteld op 6,2 euro per ton voor het storten, in een daartoe vergunde inrichting, en 1,24 euro per ton voor het verbranden, in een daartoe vergunde inrichting, van recyclageresidu's van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals onder die bepaling vermeld, gebruiken of voorsorteren als grondstof voor de aanmaak van nieuwe producten. Volgens het tweede lid van die wetsbepaling moet de te storten of te verbranden restfractie na voorbehandeling kleiner zijn dan de vermelde percentages welke beschouwd moeten worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de vergunde inrichting.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 22 van het decreet van het Vlaams Parlement van 5 juli 2002 dat aan de oorsprong ligt van het te dezen toepasselijke artikel 47, § 2, 38°, Afvalstoffendecreet blijkt dat die bepaling ter bevordering van het hergebruik en de recyclage van afvalstoffen een verlaagd milieuheffingstarief inhoudt per afvalstroom voor het storten van recyclageresidu's en dat het verlaagde tarief slechts geldt op voorwaarde dat de verkregen restfractie per afvalstroom lager is dan het in laatstgenoemde bepaling vermelde gewichtspercentage. Indien de restfractie per afvalstroom boven dat gewichtspercentage blijft, is het gewone heffingstarief van toepassing. Uit het geheel van deze wetsbepalingen en de wetsgeschiedenis volgt dat het tarief vermeld in artikel 47, § 2, 7°, Afvalstoffendecreet geldt als het gewone heffingstarief voor het storten van afvalstoffen op een stortplaats vergund voor bedrijfsafvalstoffen en dat de heffingsplichtige die zich op het verlaagde tarief wil beroepen de bewijslast heeft dat hij de bij artikel 47, § 2, 38°, Afvalstoffendecreet vastgelegde gewichtspercentages heeft nageleefd.
- Het middel dat ervan uitgaat dat op OVAM het bewijs rust dat het verlaagde tarief niet van toepassing is, faalt naar recht. Tweede middel
- De appelrechters stellen vast dat: - OVAM bij brief van 31 mei 2007 aan de eiseres meedeelt de navorderingen van 25 januari 2005 in te trekken en ze te vervangen door de als bijlage bij dit schrijven gevoegde navorderingen; - bij deze brief de navorderingen voor het volledige bedrag wordt opgesplitst per kwartaal en dat ook per kwartaal de berekeningswijze voor wat de intrest en de boete betreft wordt opgesplitst; - de raadsman van de eiseres bij aangetekende brief van 28 juni 2007 beroep aantekent overeenkomstig artikel 47quinquies, § 1, Afvalstoffendecreet tegen deze navorderingen bij de bevoegde Vlaamse Minister van Leefmilieu; - de eiseres geen juiste aangiften heeft ingediend.
- De appelrechters oordelen dat OVAM ook onderzoek kan verrichten naar de juistheid van de aangifte en indien uit dit onderzoek blijkt dat de aangifte niet juist werd ingevuld, zij een navordering kan opstellen. De appelrechters oordelen bijgevolg niet alleen dat OVAM kon overgaan tot een ambtshalve aanslag, maar oordelen tevens dat de brief van 31 mei 2007 navorderingen inhoudt die OVAM wettig kon opstellen. Het middel dat niet opkomt tegen die zelfstandige reden, kan niet tot cassatie leiden en is derhalve niet ontvankelijk bij gebrek aan belang. Derde middel
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, steunen de appelrechters zich niet alleen op het jaarrapport 2003 van Borchers ter beoordeling van het recyclagerendement waarvan de eiseres per afvalstroom moet aantonen dat het zich bevindt onder de percentages vermeld in artikel 47, § 2, 38°, Afvalstoffendecreet, maar steunen zij zich tevens op de omstandigheid dat de controles bij verschillende klanten van de eiseres in geen geval staven dat het zou gaan om zeer homogeen afval met slechts 4 procent residu's en op de brief van de Duitse overheid waarin wordt vermeld dat het percentage van 89 procent als een gemiddelde moet gelden. Het middel berust op een onvolledige lezing van de beslissing van de appelrechters en mist mitsdien feitelijke grondslag. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 749,95 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 2 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200102.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200102.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div