← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.1 Rolnummer: P.19.0804.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 1657 - laatst gezien 2026-06-28 16:52 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200107.2N.1 Fiche 1 Het vereiste opzet van kwaadwillige belemmering van het verkeer bestaat in het opzettelijk belemmeren van het verkeer als dusdanig; de gevaartoestand voor het verkeer die daardoor kan worden veroorzaakt, maakt geen deel uit van dat opzet, maar is slechts het door de wet vereiste gevolg dat uit het handelen van de dader moet voortvloeien; het enkele feit dat een misdrijf wordt gepleegd in het kader van een staking of betoging neemt het moreel bestanddeel voor het misdrijf kwaadwillige belemmering niet weg, ongeacht de beweegredenen voor die actie

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VERKEERSBELEMMERING Vrije woorden: Moreel bestanddeel - Kwaadwillig opzet - Begrip Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 406, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 2 - 4 Uit de artikelen 10 en 11 EVRM volgt dat het recht te staken of te betogen geen absolute rechten zijn, maar dat de uitoefening van die rechten onderhevig kan zijn aan beperkingen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en niet te beschouwen zijn als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de beschermende rechten in hun kern zouden worden aangetast; de rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van feiten die hij vaststelt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Vakbondsactie - Wettelijke beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 11 Vrije woorden: Vrijheid van vergaderen - Vakbondsactie - Wettelijke beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - ALLERLEI Vrije woorden: Herzien Europees Sociaal Handvest - Recht op collectief onderhandelen - Beperkingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Artt. 10 en 11 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Het Herziene Europees Sociaal Handvest - 03-05-1996 - Art. 6.4 - 52 Link Justel databank 19960503-52 Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - 2020, nr. 402, p. 1-
  1. - FLO, Jelle; Noot'Cassatie bevestigt veroordeling vakbondsman voor verkeersbelemmering' Tekst van de beslissing Nr. P.19.0804.N B. P. V. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft op 9 december 2019 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht en vermeld advocaat-generaal heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat, met de redenen op grond waarvan de appelrechters oordelen dat bij de eiser het moreel bestanddeel aanwezig is van het hem verweten misdrijf van kwaadwillige belemmering van het verkeer, zij weliswaar vaststellen dat het handelen van de eiser erop gericht is een wegbelemmering tot stand te brengen, maar niet dat de eiser wist of moest hebben geweten dat door die wegbelemmering het verkeer gevaarlijk kon worden.
  5. Artikel 406, eerste lid, Strafwetboek viseert onder meer het kwaadwillig belemmeren van het verkeer op de weg door enige handeling die het verkeer met of het gebruik van vervoermiddelen gevaarlijk kan maken of die ongevallen kan veroorzaken bij het gebruik van of het verkeer met die vervoermiddelen. Die bepaling stelt degene strafbaar die kwaadwillig, dit is doelbewust, een situatie veroorzaakt die van aard is dat daardoor voertuigverkeer gevaarlijk kan worden of ongevallen kunnen gebeuren, zonder dat vereist is dat het gevaar zich effectief heeft verwezenlijkt. Het vereiste opzet bestaat in het opzettelijk belemmeren van het verkeer als dusdanig. De gevaarstoestand voor het verkeer die daardoor kan worden veroorzaakt, maakt geen deel uit van dat opzet, maar is slechts het door de strafwet vereiste gevolg dat uit het handelen van de dader moet voortvloeien. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar of de belemmering van het verkeer die hij vaststelt, aanleiding kon geven tot de voormelde gevaarstoestand.
  7. Het arrest oordeelt onder meer dat: - actievoerders in het kader van een algemene stakingsdag op 24 juni 2016 op de rechteroever van het havengebied van Antwerpen in totaal vijf wegblokkades hebben aangebracht, waaronder deze op het kruispunt van de Scheldelaan met de Oosterweelsteenweg; - door de wegblokkade op dat kruispunt, met onder meer brandende autobanden en zware rookvorming, er geen enkel verkeer meer mogelijk was van de Oosterweelsteenweg naar de Scheldelaan en omgekeerd, zodat het voor deelnemers aan het verkeer met vervoermiddelen onmogelijk was om op normale wijze de vermelde wegen te gebruiken, met grote filevorming op de N101 tot gevolg; - de manifestanten, anders dan bij de overige stakingsposten, zich ook na het uitdoven van het vuur en het verwijderen van het piket, op instigatie van de eiser telkenmale opnieuw op de rijweg hebben begeven om deze te blokkeren; - de eiser prominent betrokken is geweest bij de voorbereiding van de vakbondsacties in de Antwerpse haven, waaronder het voormelde stakingspiket, en de eiser zichtbaar de leiding had van dat piket, een coördinerende rol had, bepaalde wat ter plaatse moest gebeuren door de overige manifestanten, die manifestanten ophitste en agiterend gedrag vertoonde; - het vanzelf spreekt dat de voormelde situatie van aard was dat het voertuigverkeer daardoor gevaarlijk kon zijn of dat er ongevallen konden plaatsgrijpen, ook ten aanzien van de manifestanten zelf; - het voor de hand ligt dat door het blokkeren van het verkeer, het bezetten van een kruispunt met druk vrachtverkeer, het tot stilstand brengen van voertuigen waaronder vele vrachtwagens en dit vanaf het moment waarop het nog schemerduister was, gevaarlijke omstandigheden werden gecreëerd; - de massieve zwarte rookvorming leidde tot grote hinder en een sterk afgenomen visibiliteit bij weggebruikers, terwijl ook de substantiële filevorming een directe gevaarssituatie kon doen ontstaan wegens het risico op kop-staartaanrijdingen en terugdraaiende voertuigen. Met die redenen en deze die het onderdeel aanhaalt, oordeelt het arrest dat de eiser de stakerspost doelbewust heeft georganiseerd en in stand gehouden om het verkeer te belemmeren, waardoor voertuigverkeer gevaarlijk kon worden of ongevallen konden gebeuren. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht, zonder dat het daarnaast dient vast te stellen dat de eiser ook wist of moest weten dat de verkeersbelemmering een potentiële gevaarstoestand voor het verkeer inhield. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  8. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters uit hun vaststellingen niet wettig konden afleiden dat de eiser kwaadwillig heeft gehandeld, meer bepaald dat “het specifiek handelen van [de eiser] er van het begin af aan op gericht was om wegbelemmering tot stand te brengen” en hij daardoor “kwaadwillig in de zin van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek” heeft gehandeld; uit de feitelijke vaststellingen van de appelrechters blijkt namelijk dat de wegbelemmering functioneel was in het kader van de stakingsactie en kaderde in een breder opzet, wat uitsluit dat de belemmering van begin af aan erop gericht zou zijn geweest om een wegbelemmering tot stand te brengen die kan leiden tot gevaar voor weggebruikers.
  9. Het enkele feit dat een misdrijf wordt gepleegd in het kader van een staking of een betoging neemt het moreel bestanddeel voor dat misdrijf niet weg, ongeacht de beweegredenen voor die actie. Aldus neemt het feit dat een wegbelemmering wordt georganiseerd om syndicale eisen te ondersteunen, niet noodzakelijk weg dat die wegbelemmering kwaadwillig is in de zin van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar of de beklaagde kwaadwillig het verkeer heeft belemmerd. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee niet verenigbaar zijn of daardoor niet kunnen worden verantwoord.
  11. Het arrest oordeelt: - aan de eiser wordt niet verweten een vakbondsactie te hebben opgezet. Het is het plaatsvinden van de concrete wegbelemmering die hem wordt toegerekend, niet de organisatie van een stakingspost. Dit belet evenwel niet dat de gewilde stakingsactie ook een wegblokkade kon incorporeren met een doelbewuste wegbelemmering als onderdeel daarvan; - de verkeersbelemmering moet kwaadwillig zijn geïnitieerd, niet louter opzettelijk. Kwaadwilligheid houdt te dezen in dat de dader de precieze bedoeling moet hebben gehad het door de strafwet verboden gevolg, meer bepaald het belemmeren van het verkeer, te realiseren. Wanneer het concreet handelen op dat gevolg gericht is en dus gewild wordt, is er kwaadwilligheid. Kwaadwillig opzet vereist niet dat de dader handelde met de bedoeling het verkeer gevaarlijk te maken of een ongeval te veroorzaken. Een stakerspost kan dus opzettelijk zijn, maar tegelijk niet gewild zijn om het verkeer te belemmeren, maar van de andere kant kan een opzettelijke stakerspost ook net doelbewust tot stand zijn gebracht met de verkeersbelemmering als oogmerk. Slechts in de tweede hypothese kan er sprake zijn van het misdrijf omschreven in artikel 406, eerste lid, Strafwetboek; - uit de wetsgeschiedenis van artikel 406 Strafwetboek blijkt dat rekening ermee is gehouden dat stakingsposten en syndicale wegblokkades aanleiding konden geven tot de belemmering van verkeersstromen, reden waarom de te bewijzen notie kwaadwilligheid werd ingevoerd, maar dit beïnvloedde de omlijning van het specifiek strafbaar gestelde feit van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek niet. Strafbaarheid aan dit feit heeft derhalve niets van doen met het al dan niet aangevraagd, gemachtigd of toegelaten zijn van een wegblokkering door een vakbondsorganisatie. Ook de desgevallende politionele aanwezigheid bij de feiten of voorafgaande contacten of onderhandelingen zijn op dit punt geen contributieve beoordelingselementen. Het intentioneel bestanddeel van het misdrijf moet slechts worden getoetst aan de mate waarin het kan vaststaan dat een handeling, zoals de oprichting van een vakbondspiket, ook tot doel had het belemmeren van het verkeer te verwezenlijken. De omstandigheid dat de concrete handeling in de eerste plaats op touw was gezet om ruchtbaarheid aan syndicale eisen te verlenen, belet als dusdanig niet dat eveneens van een kwaadwilligheid in de betekenis van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek sprake kan zijn. In wezen is de gewilde mate van de veroorzaakte verkeersbelemmering onafhankelijk te beoordelen van de achterliggende en niet-verkeersmatige finaliteit van een vakbondsactie; - uit het geheel van de in het dossier vervatte feitelijke gegevens besluit het hof van beroep dat de eiser in casu opzettelijk en doelbewust het verkeer heeft willen doen belemmeren op het kruispunt van de Scheldelaan met de Oosterweelsteenweg te Antwerpen. De wegbelemmering was functioneel om belangstelling aan de actie te verlenen. Om die reden werden vooraf ook desbewust strategische kruispunten in het Antwerps havengebied uitgekozen. Daarvan was immers geweten dat niet enkel de verwachte bedrijfsschade het aanzienlijkst was door het geheel blokkeren van ieder doorgaand verkeer, maar evenzeer de te veroorzaken verkeershinder en dientengevolge ook de nagestreefde publiciteit. Aldus maakte de gewilde wegbelemmering onderdeel uit van een breder opzet, maar dit ontneemt de kwaadwilligheid van het deeloogmerk niet; - de weloverwogen selectie van de wegblokkade aan het kruispunt van de Scheldelaan met de Oosterweelsteenweg en de versperring over de gehele breedte van de weg met zowel materialen als personen, zijn te onderscheiden van een stakingspost die zou zijn opgesteld op bijvoorbeeld een openbaar plein of aan de rand van een openbare weg. In dat geval zou gebeurlijke verkeersbelemmering niet strafbaar zijn geweest in de betekenis van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek. Het feitencomplex en de vaststellingen in casu laten evenwel niet anders toe dan te besluiten dat het specifiek handelen van de eiser er van meet af aan op gericht was om wegbelemmering tot stand te brengen. Daardoor handelde hij kwaadwillig in de zin van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek. Op grond van die redenen en deze vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, kan het arrest wettig oordelen dat de eiser van het begin af aan kwaadwillig heeft gehandeld in de zin van de bedoelde wetsbepaling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van de artikelen 10 en 11 EVRM en artikel 6 Herzien Europees Sociaal Handvest: de appelrechters onderzoeken niet of er in concreto sprake is van een dwingende maatschappelijke behoefte om het stakingsrecht van de eiser, in zijn functie van provinciaal voorzitter van de algemene centrale van het ABVV, te beperken door hem te bestraffen voor handelingen die hij heeft gesteld en waarvan wordt vastgesteld dat ze functioneel waren in een breder opzet; aldus is eisers schuldigverklaring niet naar recht verantwoord.
  13. Artikel 11.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen. Krachtens artikel 11.2 EVRM mag de uitoefening van deze rechten aan geen andere beperkingen worden onderworpen dan deze die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, voor de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Artikel 10.1 EVRM bepaalt dat eenieder recht heeft op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. Krachtens artikel 10.2 EVRM kan de uitoefening van die vrijheden worden onderworpen aan soortgelijke beperkingen als deze bedoeld in artikel 11.2 EVRM. Artikel 6.4 Herzien Europees Sociaal Handvest bepaalt dat, teneinde de onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen, de partijen zich verbinden het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, te bevorderen.
  14. Uit de artikelen 10 en 11 EVRM volgt dat het recht te staken of te betogen geen absolute rechten zijn, maar dat de uitoefening van die rechten onderhevig kan zijn aan beperkingen, mits die beperkingen daadwerkelijk beantwoorden aan doeleinden van algemeen belang en niet te beschouwen zijn als een onevenredige en onduldbare ingreep waardoor de beschermde rechten in hun kern zouden worden aangetast. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar op grond van de feiten die hij vaststelt.
  15. Het arrest oordeelt: - de concrete uitoefening van de voormelde grondrechten, die niet ter discussie staan, kan aan voorwaarden en beperkingen zijn onderworpen, onder meer wanneer sprake is van de overtreding van een wettelijke strafbepaling, waarbij het in de regel sowieso gaat over meer dan gewone hinder die van stakingsacties het gevolg kunnen zijn. Bij evenredige toepassing moet een wettelijke strafbaarstelling als dusdanig immers niet als een ondermijning van het stakingsrecht of van de voormelde vrijheden worden beschouwd. Evenmin is het tegenstrijdig voor te houden dat het recht op staken inhoudt dat geen verkeer in gevaar mag worden gebracht. Daardoor worden geen grondrechten uitgehold en komt het er integendeel op aan te evalueren of het stakingsrecht en de vrijheden van expressie en vereniging ook niet hadden kunnen zijn uitgeoefend zonder enige miskenning van de strafwet. Dit gaat niet enkel specifiek op voor het misdrijf van kwaadwillige verkeersbelemmering, maar geldt evenzeer voor andere misdrijven zoals diefstal, wederrechtelijk wapenbezit, gijzeling, brandstichting, ... De in aanmerking komende wettelijke strafbepalingen, die de veiligheid en de vrijheid van alle burgers raken, kunnen niet zonder meer en op absolute wijze opzij worden geschoven voor bepaalde fundamentele rechten, hoe waardevol en beschermingswaardig deze ook zijn. Daarmee wordt de syndicale vrijheid niet in het gedrang gebracht en het hof van beroep ziet niet in waarom een syndicale actie een strafrechtelijke vrijgeleide zou noodzaken; - gelet op wat voorafgaat, kan een overtreding van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek en dus het doelbewust creëren van een potentiële gevaarsituatie in het verkeer, niet worden gerechtvaardigd door een recht van staken of een recht van verenigen. De werking van het strafrecht heeft dan immers niet de staking zelf op het oog, maar wel de criminele ingesteldheid van de dader van de verkeersbelemmering. Het stakingsrecht en de overige rechten kunnen ook worden uitgeoefend zonder dat daarbij verkeersbelemmering aan te pas komt; - het voorkomen van ongevallen of van gevaar in het verkeer kan bezwaarlijk als niet-noodzakelijk voor de democratische samenleving worden beschouwd. Evenmin is er een vorm van disproportionaliteit tussen de toepassing van artikel 406, eerste lid, Strafwetboek en de artikelen 10 en 11 EVRM. Deze grondrechten konden ook worden uitgeoefend zonder de Belgische strafwet te overtreden. De beperking door de nationale wet is te dezen derhalve te relativeren. Met die redenen en deze vermeld in het antwoord op het eerste middel, oordelen de appelrechters zowel op grond van de feiten die zij concreet vaststellen als van algemene beschouwingen over de verhouding tussen grondrechten en het Belgische strafrecht, dat eisers veroordeling niet tot gevolg heeft dat zijn stakingsrecht wordt onderworpen aan andere beperkingen dan deze vermeld in de artikelen 10 en 11 EVRM, te meer daar die veroordeling niet belet het stakingsrecht op een normale wijze uit te oefenen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  16. De aangevoerde schending van artikel 6.4 Herzien Europees Sociaal Handvest is afgeleid uit de hiervoor vergeefs aangevoerde onwettigheid. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 123,81 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200107.2N.1 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221212.3F.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.