← België

E. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.2 Rolnummer: P.19.0584.N Zaak: E. contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 1125 - laatst gezien 2026-06-29 07:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het oorzakelijk verband tussen fout en schade veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan

(1); de rechter kan degene die een fout heeft begaan, niet veroordelen tot vergoeding van de schade indien uit die beslissing onzekerheid blijkt te bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade.
(1)Cass. 4 januari 2018, AR C.17.0103.N, arrest niet gepubliceerd; Cass. 18 november 2014, AR P.13.0250.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141118.6, AC 2014, nr. 701; Cass. 14 november 2012, AR P.11.1611.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121114.10, AC 2012, nr. 612. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - OORZAAK - Begrip. Beoordeling door de rechter Vrije woorden: Uitwerking Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 2 De rechter dient de schade te bepalen op het tijdstip dat dit van het effectieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is op het tijdstip van zijn uitspraak. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - SCHADE - Beoordelingsbevoegdheid. Raming. Peildatum Vrije woorden: Tijdstip van beoordeling - Omvang Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0584.N I P. N. J. E. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie te Leuven, met kan-toor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 20, waar de eiser woonplaats kiest, II 1. B. C. V. D. beklaagde, 2. A. A. A. T. beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen 1. P. E. burgerlijke partij, 2. A. M. burgerlijke partij, 3. Gert RYDANT, met kantoor te 9050 Gentbrugge, Brusselsesteenweg 691, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement LYS nv, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I en II zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 april 2019 (hierna het arrest). Het cassatieberoep II is bovendien gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 25 juni 2018. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eisers II voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep van de eiser I 1. In zoverre gericht tegen de beslissing tot vrijspraak van de eiser I voor de telastlegging D, is zijn cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I Eerste onderdeel 2. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest duidt de eiser I systematisch aan als financieel directeur van de groep Lys zonder dit in de motivering verder te onderbouwen; het leidt daaruit de deelneming van de eiser I af aan de telastleggingen A.1, A.2 (valsheid in geschriften m.b.t ver-koopovereenkomsten van aandelen van Immo Lion D'Or
  1. nv)en C (verduistering van activa m.b.t. die aandelen); met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet eisers nauwkeurige en uitvoerige verweer dat hij met betrekking tot die telastleggingen geen materiële deelnemingshandeling heeft gesteld aange-zien hij ten tijde van de feiten niet langer financieel directeur was van de groep Lys; aldus laat het arrest niet toe te begrijpen waarom het niet op dat verweer in-gaat en is de beslissing in functie van dat verweer niet regelmatig gemotiveerd. 3. Het arrest (ro 3.2.3) neemt onder meer de volgende redenen over van het beroepen vonnis: "De rechtbank twijfelt evenmin over de betrokkenheid van [de eiser I] als mededader. Hij was de rechterhand en de financiële raadgever van [de eiser II.1] en behartigde diens belangen in België (cfr. de eigen verklaring van [de eiser I]; ...). [De eiser I] was bovendien perfect op de hoogte van de economische realiteit van de nv Lys en van de dreiging die uitging van de juridi-sche actie van [de verweerders 1 en 2]. De vierde beklaagde verklaarde dat hij naar aanleiding van de bewuste koopovereenkomsten de journaalposten in de boekhouding aanpaste op vraag van [de eiser I] (...). [De eiser II.2] stelde ove-rigens dat de overeenkomst van 3 januari 2011 werd opgemaakt door [de eiser I] (...). [De eiser I] heeft naar oordeel van de rechtbank noodzakelijke hulp ver-leend bij de valselijke opmaak van de schijnovereenkomsten van respectievelijk 31 december 2010 en 3 januari 2011." Het vult die redenen aan met onder meer de volgende eigen motivering: - de ganse operatie gebeurde in de periode dat de verweerders 1 en 2 als schuld-eisers van Foxland sa dan wel de eiser II.1 hun schuldvorderingen trachtten uit te voeren op het vermogen van Lys nv; - volgens de verklaringen van A.V. en de eiser I zelf was de eiser I betrokken bij de voorbereiding en afhandeling van de splitsing van Elektro Porta Instal-latie Techniek nv volgens een principeovereenkomst van 22 september 2010; - volgens de boekhouder werden alle strategische beslissingen en beleidsbeslis-singen met betrekking tot de groep Lys genomen door de eiser II.1 na samen-spraak met de eiser I; - A.V. verklaarde dat de eiser II.1 voor het beleid van de groep Lys rekende op de eiser I en de eiser II.2 en dat de financiën van de groep Lys werden geleid door de eiser I; - volgens de verklaringen van de boekhouder en de eiser I zelf heeft de eiser I mogelijk de opdracht tot het opstellen van de overeenkomst van 31 december 2010 en de boekhoudkundige verwerking ervan overgebracht aan de finan-cieel-boekhoudkundige dienst; - de boekhouder zal volgens zijn verklaring de met de aandelenovereenkomst van 3 januari 2011 corresponderende journaalposten wel hebben ingeboekt op vraag van de eiser I; - de boekhouder verklaarde dat hij uitvoering gaf aan de inboeking van overeenkomsten en transacties waarbij hij zelf niet betrokken was, maar de instructies van de eiser I opvolgde; - de eiser II.2 bevestigde dat de boekhoudkundige verrichtingen van de boek-houder gebeurden onder het rechtstreekse toezicht en de controle van de eiser I; - de eiser II.2 verklaarde op geloofwaardige wijze dat met betrekking tot de overeenkomst van 3 januari 2011 het initiatief voor de verkoop van de aande-len Immo Lion D'Or nv uitging van de eisers I en II.1, het om een verkoop om louter boekhoudkundige redenen zou hebben gegaan, de eiser I de overeenkomst opstelde en het aannemelijk leek dat de eiser I ook de overeenkomst van 31 december 2010 redigeerde. Het besluit dat het niet anders kan dan dat de eiser I actief meewerkte aan de fic-tieve constructie om via de verkoop van aandelen te vermijden dat de verweer-ders 1 en 2 beslag zouden kunnen leggen op het onroerend goed van Immo Lion D'Or nv. 4. Met het geheel van die redenen baseren de appelrechters de schuld van de eiser I aan de telastleggingen A.1, A.2 en C op het gegeven dat de eiser I wel de-gelijk een vertrouwenspersoon was van de eiser II.1 en ten tijde van de feiten een leidinggevende rol had bij de financiële en boekhoudkundige huishouding binnen de groep Lys, alsmede dat de eiser I een daadwerkelijke en onmisbare rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van de in die telastleggingen bedoelde aandelen-overeenkomsten. Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt niet eisers nauwkeurige en uitvoerige verweer dat het ongeloofwaar-dig is dat de eisers II een beroep zouden hebben gedaan op de eiser I voor het uitwerken van de aandelenovereenkomsten bedoeld in de telastleggingen A.1, A.2 en C, gelet op de rol van notaris T. als spilfiguur voor wat betreft het beheer van het persoonlijke vermogen van de eiser II.1 in België; aldus laat het arrest niet toe te begrijpen waarom het niet op dat verweer ingaat en is de beslissing in functie van dat verweer niet regelmatig gemotiveerd. 6. Het arrest oordeelt eensdeels (p. 32): "Weze nog aangestipt dat uit de ver-klaring van notaris [T.] (verhoor onder eed ter zitting van het hof [van beroep]) blijkt dat hij naar zijn zeggen niet betrokken was bij de verkoop van de aandelen van de NV Immo Lion D'Or door de NV Lys aan de NV Lys Immo op 31 december 2010 en ook niet betrokken was bij de verkoop van die aandelen door de NV Lys Immo aan [de verweerder II.2] op 3 januari 2011. Hij verklaarde tevens dat hij niet op de hoogte was van een clausule in de overeenkomst van 3 januari 2011 waarbij [de eiser II.1] de schuld van [de eiser II.2] overnam." Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel verwerpt het ar-rest anderdeels, op grond van de feitelijke elementen die het vaststelt, het ver-weer van de eiser I dat hij geen deelnemer was aan de feiten van de telastleggin-gen A.1, A.2 en C. Dat oordeel houdt in dat de rol van notaris T. geen afbreuk doet aan de schuld van de eiser I aan die feiten. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Derde onderdeel 7. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de eiser I volgens de boekhouder van de groep Lys financieel directeur van de groep Lys zou zijn, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal 007126/2003 van 5 juli 2013 met daarin de verklaring waarin die boekhouder dat ontkent. 8. Met de bedoelde verklaring heeft de boekhouder van de groep Lys niet ontkend dat de eiser I financieel directeur was van de groep Lys, maar enkel dat hij als een feitelijke bestuurder van Lys nv mocht worden aanzien. Aldus geeft het arrest van die verklaring een uitlegging die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel 9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 66 Strafwetboek: met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest niet het nauwkeurige en uitvoerige verweer van de eiser I dat hij niet beschikte over het vereiste deelnemingsopzet omdat hij geen kennis had van het voor de telastleg-gingen A en C noodzakelijke bijzonder opzet of oogmerk om te schaden van de eisers II; aldus laat het arrest niet toe te begrijpen waarom het niet op dat ver-weer ingaat en is het niet regelmatig gemotiveerd; het arrest stelt in de feiten evenmin vast dat de eiser I over die kennis beschikte of kan die kennis niet aflei-den uit de feitelijke vaststellingen die het vermeldt. 10. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, beant-woordt het arrest wel degelijk het bedoelde verweer en is het regelmatig met re-denen omkleed. Daarmee stelt het ook de feiten vast waaruit het wettig kan af-leiden dat de eiser I beschikte over het vereiste deelnemingsopzet. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Vijfde onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 489ter, 1°, Strafwetboek: het arrest beantwoordt niet het nauwkeurige en uitvoe-rige verweer van de eiser I dat de aandelen van Immo Lion D'Or nv geen econo-mische waarde hadden en dus geen activa zijn zoals bedoeld in artikel 489ter, 1°, Strafwetboek, gelet op de zeer specifieke situatie waarbij op het enige onroerend goed van die vennootschap een hypothecaire inschrijving rustte die hoger is dan het voorkoop- en terugkooprecht van de stad Aalst; aldus laat het arrest niet toe te begrijpen waarom het niet op dat verweer ingaat en is de beslissing in functie van dat verweer niet regelmatig gemotiveerd; bovendien worden de vermelde re-denen afgeleid uit de mening van de eisers over de waarde van het bedoelde ac-tiefbestanddeel en dus uit een louter putatief misdrijf. 12. Het arrest (p. 24, 33 en 45-48) oordeelt onder meer: - uit de inlichtingen verstrekt door de stad Aalst blijkt dat bij brief van 6 mei 2011 notaris T. het voornemen meedeelt van de koop-verkoop van het onroe-rend goed door Immo Lion D'Or nv aan Marlimat bvba, dat bij brief van 20 juni 2011 de stad Aalst meedeelt dat zij haar terugkooprecht zoals notarieel vastgelegd en dit bij toepassing van artikel 12 Wet Economische Expansie wenst uit te oefenen, dat bij brief van 6 december 2011 Immo Lion D'Or nv de aankondiging doet dat zij overgaat tot verkoop aan Marlimat bvba voor de verkoopprijs van 850.000 euro, dat bij brief van 13 februari 2012 de ontvan-ger der registratie de terugkoopprijs voor de stad Aalst op 162.541,92 euro bepaalt, dat Immo Lion D'Or nv zich verzet tegen het nog in voege zijn van het voorkooprecht van de stad Aalst, dat op dagvaarding van Immo Lion D'Or nv bij vonnis van 27 juni 2012 van de rechtbank van eerste aanleg te Dender-monde het terugkooprecht van de stad Aalst is bevestigd en dat de zaak han-gende is voor het hof van beroep te Gent; - de verwijzing naar de hypothecaire schuldvordering van BNP Paribas Fortis en het terugkooprecht van de stad Aalst brengt niet mee dat er geen sprake was van een bestaand actief bestanddeel dat het voorwerp van het misdrijf van verduistering van activa kan zijn; - de verkoopprijs van de aandelen van Immo Lion D'Or nv, die overeenstemt met de waarde van het kwestieuze onroerend goed, werd in de overeenkom-sten van 31 december 2010 en 3 januari 2011 bepaald op 619.733,81 euro, wat minder is dan de boekhoudkundige waarde van dat onroerend goed, die is ge-raamd op 686.260,04 euro in het verslag van de bedrijfsrevisor van 21 decem-ber 2010 met betrekking tot de inbreng in natura bij de oprichting van Immo Lion D'Or nv ingevolge de partiële splitsing van Electro Porta I.T. nv; - de eisers verwijzen, gelet op dat revisoraal verslag, niet pertinent naar de hy-pothecaire schuldvordering van BNP Paribas Fortis, terwijl ook het terug-kooprecht van de stad Aalst zich niet noodzakelijk diende te realiseren indien het bedrijfsgebouw kon worden verkocht aan een koper die een industriële ac-tiviteit erin zou uitvoeren, waardoor het terugkooprecht en voorkooprecht be-paald in artikel 32, § 1, Wet Economische Expansie zich niet zouden voor-doen. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer en is de beslissing regel-matig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. 13. Voor het overige komt het onderdeel op tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk. Tweede middel 14. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 21ter Vooraf-gaande Titel Wetboek van Strafvordering en de artikelen 202, 1°, 203 en 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt, anders dan het beroepen vonnis, dat de redelijke termijn is overschreden; hoewel het arrest aangeeft bij de straf-toemeting rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn voor wat betreft de opgelegde hoofdgevangenisstraf en geldboete, bevestigt het die straffen zoals opgelegd door het beroepen vonnis; de appelrechter die op het loutere hoger beroep van de beklaagde voor het eerst de overschrijding van de redelijke termijn aanneemt, dient de bestraffing op een daadwerkelijke en meet-bare wijze te verminderen ten opzichte van de door de eerste rechter opgelegde straf; dit is immers de maximumstraf; door dat niet te doen, stelt het arrest het Hof ook niet in staat na te gaan of de appelrechter de bestraffing op daadwerke-lijke en meetbare wijze heeft verminderd ten opzichte van de straf die hij zou hebben opgelegd zonder een overschrijding van de redelijke termijn. 15. De appelrechter die een overschrijding van de redelijke termijn vaststelt die geen impact heeft op de bewijsvoering, dient de straf van de beklaagde op een reële en meetbare wijze te verminderen ten opzichte van de straf die hij zelf zou hebben opgelegd zonder overschrijding van de redelijke termijn. Hij dient deze vermindering niet te beoordelen ten opzichte van de straf die is opgelegd door de eerste rechter. Het feit dat de eerste rechter geen overschrijding van de redelijke termijn heeft vastgesteld en dat de zaak bij de appelrechter enkel aanhangig is ingevolge het loutere hoger beroep van de beklaagde, speelt daarbij geen rol en belet het Hof niet zijn toezicht op de wettigheid van de beslissing van de appelrechter uit te oefenen. De relatieve werking van dat hoger beroep heeft immers enkel tot gevolg dat de door de appelrechter opgelegde straf niet hoger mag zijn dan de door de eerste rechter opgelegde straf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel Tweede onderdeel 16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 44 en 45 Strafwetboek en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest veroordeelt de ei-sers wegens de telastleggingen A.1, A.2 en C hoofdelijk tot het betalen aan de verweerder 3 van een bedrag van 619.733,81 euro, dit is het bedrag vermeld in de aandelenovereenkomsten geviseerd in de telastleggingen A.1 en A.2; het steunt daarvoor op de redenen vermeld in het eerste middel, vijfde onderdeel, meer in het bijzonder de reden dat het terugkooprecht van de stad Aalst zich niet noodza-kelijk diende te realiseren indien het bedrijfsgebouw kon worden verkocht aan een koper die een industriële activiteit erin zou uitvoeren; uit de vaststellingen van het arrest blijkt dat het voorkoop- en terugkooprecht van de stad Aalst bij de betrokkenen nog niet gekend was op de data van de telastleggingen A.1 en A.2 en van het daaraan voorafgaande verslag van de bedrijfsrevisor; met de hiervoor aangehaalde reden stelt het arrest niet vast dat zonder het bewezen verklaarde misdrijf de schade zich niet zou hebben voorgedaan zoals zij zich in concreto heeft voorgedaan, maar enkel dat de mogelijkheid daartoe bestond; indien im-mers het misdrijf niet was gepleegd, had de verweerder 3 het onroerend goed eveneens moeten verkopen aan een derde die in het onroerend goed een industri-ele activiteit moest organiseren, wat niet vaststaat; het arrest kan de eiser I niet wettig veroordelen tot integrale vergoeding van schade waarover geen zekerheid bestaat. 17. Het oorzakelijk verband tussen fout en schade veronderstelt dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorgedaan zoals ze zich heeft voorgedaan. 18. De rechter kan degene die een fout heeft begaan, niet veroordelen tot ver-goeding van de schade indien uit zijn beslissing onzekerheid blijkt te bestaan over het oorzakelijk verband tussen de fout en die schade. 19. De rechter dient de schade te bepalen op het tijdstip dat dit van het effec-tieve herstel ervan zo dicht mogelijk benadert, dit is op het tijdstip van zijn uit-spraak. 20. Uit de in het onderdeel vermelde redenen blijkt niet dat, zonder de fout van de eiser I, het onroerend goed de waarde had die het arrest bepaalt, maar enkel dat de mogelijkheid daartoe bestond indien dat onroerend goed werd verkocht aan een derde die een industriële activiteit erin zou uitvoeren. Aldus stelt het ar-rest niet met zekerheid vast dat, zonder de fout, de schade zich niet had voorge-daan zoals ze zich heeft voorgedaan en is de beslissing niet naar recht verant-woord. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven van de eiser I 21. De grieven die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Middel van de eisers II Eerste onderdeel 22. Het onderdeel heeft dezelfde strekking als het derde middel, tweede onder-deel, van de eiser I en is om dezelfde reden gegrond. Tweede onderdeel 23. Het onderdeel dat niet kan leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeft geen antwoord. Ambtshalve onderzoek 24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eisers veroordeelt tot schadever-goeding, rechtsplegingsvergoeding en kosten aan de verweerder 3. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot drie vijfden van de kosten van hun cassatieberoepen. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing over aan de rechter op verwij-zing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Bepaalt de kosten in het geheel op 1.354,19 euro, waarvan de eiser I 340,11 euro verschuldigd is en de eisers II 590,59 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.2 Gerelateerde publicatie(
  2. s)precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121114.10 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20141118.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.