id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.4 Rolnummer: P.19.0705.N Zaak: V. contra BELGISCHE STAAT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Belastingrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 956 - laatst gezien 2026-06-28 23:04 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De bepalingen van een dadingsovereenkomst tussen een medebeklaagde en de Administratie van Douane en Accijnzen zijn vertrouwelijk gelet op artikel 320 AWDA, krachtens hetwelk elke ambtenaar van deze administratie verplicht is tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitoefening van zijn opdracht kennis heeft, behoudens indien hij optreedt binnen de uitoefening van zijn ambt; bovendien wordt de Administratie van de Douane en Accijnzen, zowel in haar hoedanigheid van vervolgende partij als in haar hoedanigheid van bestuur belast met de inning van belastingen als opdracht van algemeen belang, vermoed loyaal op te treden, behoudens indien het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt; hieruit volgt dat een beklaagde bij de beoordeling van de gegrondheid van een tegen hem gerichte rechtsvordering tot betaling van douanerechten of accijnzen, niet steeds het recht heeft voorlegging te eisen van de dadingsovereenkomst, afgesloten met een medebeklaagde; de rechter oordeelt onaantastbaar of voorlegging van deze overeenkomst is vereist voor de vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, dan wel of de door de administratie voorgelegde afrekening en uitleg op basis van die overeenkomst volstaan. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op tegenspraak - Dading van een medebeklaagde met de douaneadministratie - Recht op inzage van de beklaagde in de overeenkomst van transactie - Beoordeling door de feitenrechter - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 18-07-1977 - Artt. 263 en 320 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Transactie - Vertrouwelijkheid van de overeenkomst - Recht op tegenspraak van een medebeklaagde Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 18-07-1977 - Artt. 263 en 320 - 31 ELI link Pub nr 1977071850 Fiche 3 De artikelen 42, 1° en 3° en 43bis, tweede en zevende lid, Strafwetboek, die de strafrechter toelaten om geen onredelijk zware straf op te leggen, het bedrag of de geldwaarde te verminderen van de zaken die gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf en van zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel uitmaken, hebben alleen op strafsancties; in zijn arrest 16/2019 van 31 januari 2019 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de matigingsbevoegdheid van de strafrechter niet geldt voor de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde goederen, omdat die veroordeling geen strafsanctie uitmaakt, maar een verplichting inhoudt tot het betalen van schadevergoeding die overeenkomt met de door het slachtoffer geleden schade; hieruit volgt dat de veroordeling tot betaling van de tegenwaarde van de verbeurdverklaarde zaken niet te kwalificeren is als een verbeurdverklaring per equivalent en dat de rechter behoudens de hier niet toepasselijke gevallen niet beschikt over een matigingsbevoegdheid om schadevergoeding te verminderen wegens de financiële toestand van de veroordeelde op grond van andere omstandigheden die hij vaststelt. Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Veroordeling tot de tegenwaarde van verbeurdverklaarde zaken - Geen verbeurdverklaring per equivalent - Schadevergoeding - Geen matigingsbevoegdheid van de strafrechter - Uitwerking Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Artt. 42, 43bis, 44 en 50 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0705.N
- G. J. C. V. G. beklaagde,
- E. L. beklaagde,
- D. V. A. beklaagde, eisers, allen vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassa-tie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eisers woon-plaats kiezen, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de di-recteur van de douane en accijnzen van de provincie Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy De Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de ver-weerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brus-sel, correctionele kamer, van 19 juni 2019, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 28 juni
- De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 1315 Bur-gerlijk Wetboek en de artikelen 870 en 871 Gerechtelijk Wetboek, alsmede mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op bewijs: de ap-pelrechters beoordelen de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder tegen de eisers, strekkende tot het betalen van de nalatigheidsinteres-ten op de ontdoken invoerrechten en accijnzen voor de periode van 22 juni 2006 tot 21 april 2009, zonder dat zij ingaan op het verzoek van de eisers om de ver-weerder te bevelen de transactionele regeling te overleggen die hij met hun werkgever heeft gesloten; zij oordelen enkel dat de door de verweerder opgege-ven afrekening van de reeds door de werkgever van de eisers betaalde belastin-gen en interesten juist is; bijgevolg zijn de eisers niet in staat de gegrondheid van de vordering van de verweerder te beoordelen, hoewel deze in rechtstreeks verband staat met de inhoud van die regeling en de eisers dus het recht hebben daarvan kennis te nemen; minstens had het arrest moeten nagaan of de nalatig-heidsinteresten niet begrepen waren in de regeling of had het moeten vaststellen dat het voor de beoordeling van de gegrondheid van de vordering van de ver-weerder niet relevant was over dit stuk te beschikken; het arrest kan niet zonder meer en spijts het desbetreffende verweer van de eisers, afgaan op de inhoud van de regeling zoals weergegeven door de verweerder, op grond waarvan hij aan-voert dat de gevorderde nalatigheidsinteresten niet in de regeling waren begre-pen; de redenen van het arrest zijn niet dienstig om de voormelde beslissing naar recht te verantwoorden.
- Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel van het recht op bewijs. In zoverre het middel miskenning van een dergelijk algemeen rechtsbeginsel aanvoert, faalt het naar recht.
- Artikel 263 AWDA bepaalt: "Wegens alle overtredingen van deze wet en van de bijzondere wetten op de heffing van accijnzen, zal door, of op autorisatie van de administratie, omtrent geldboete, verbeurdverklaring en het sluiten van fabrieken of werkplaatsen kunnen worden getransigeerd, zo dikwijls verzachten-de omstandigheden de zaak vergezellen, of als aannemelijk kan worden gehouden dat het misdrijf eerder aan verzuim of abuis, dan aan een oogmerk van opzette-lijke fraude moet worden toegeschreven."
- Krachtens dat artikel kan de administratie een dadingsovereenkomst slui-ten met een verdachte, waarvan de uitvoering door deze laatste in de regel leidt tot het verval van de strafvordering. Hoewel over de verschuldigde belasting zelf niet kan worden getransigeerd, geldt de betaling van die belasting als voorwaar-de voor de definitieve beslechting van het geschil en maakt zij aldus onlosmake-lijk deel uit van de overeenkomst.
- De bepalingen van een dergelijke overeenkomst zijn vertrouwelijk. Dit volgt zowel uit het feit dat die overeenkomst een regeling bevat in verband met de uitoefening van de strafvordering ten aanzien van de verdachte als uit het feit dat zij valt onder het toepassingsgebied van artikel 320 AWDA, krachtens het-welk elke ambtenaar van de administratie van de douane en accijnzen verplicht is tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij we-gens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft, behoudens indien hij optreedt binnen de uitoefening van zijn ambt zoals nader bepaald in dat artikel.
- Bovendien wordt de administratie van de douane en accijnzen, zowel in haar hoedanigheid van vervolgende partij als in haar hoedanigheid van bestuur belast met de inning van belastingen als opdracht van algemeen belang, vermoed loyaal op te treden, behoudens indien het tegendeel aannemelijk wordt gemaakt.
- Hieruit volgt dat een beklaagde, naar aanleiding van de beoordeling van de gegrondheid van een tegen hem gerichte rechtsvordering tot betaling van doua-nerechten of accijnzen, niet steeds het recht heeft de voorlegging door de admi-nistratie te eisen van de hier bedoelde overeenkomst. De rechter oordeelt onaan-tastbaar en rekening houdend met het voorgaande of in het concrete geval de voorlegging van die overeenkomst als dusdanig vereist is ter vrijwaring van het recht op een eerlijk proces van de beklaagde, dan wel of de door de administratie voorgelegde afrekening en uitleg op basis van die overeenkomst volstaan. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verant-woord.
- Het arrest oordeelt als volgt: - vermits de administratie van de douane en accijnzen bij het sluiten van een transactie rekening houdt met verzachtende omstandigheden en onachtzaam-heid, kan een dergelijke transactie enkel ten persoonlijke titel worden aange-gaan; - bovendien kan een transactie enkel worden aangegaan over de geldboete, de verbeurdverklaring en het sluiten van fabrieken of werkplaatsen, niet over be-lastingen of nalatigheidsinteresten; - het komt het hof van beroep dan ook niet noodzakelijk voor nog om bijko-mende onderzoeksdaden te verzoeken wat betreft deze transactionele rege-ling. Deze regeling is immers niet noodzakelijk om te oordelen over de reste-rende punten. De weigering te verzoeken om bijkomende onderzoeksdaden komt dan ook niet voor als zijnde een gegeven dat het recht van de eisers miskent om zich voor het hof van beroep op adequate wijze te kunnen verde-digen; - weliswaar is de betaling van de belasting steeds in het transactievoorstel van de administratie geïncorporeerd en geldt ze als voorwaarde voor de definitie-ve beslechting van het douane- of accijnsgeschil; - de verweerder geeft evenwel een overzicht van de belasting en de interest die in het kader van de transactie reeds is betaald en brengt die in rekening; - het hof van beroep stelt vast dat de afrekening van de verweerder correct is en dat de gevorderde intrest nog niet werd betaald in het kader van de transactie; - het hof van beroep stelt vast dat de verweerder in zijn vordering de reeds be-taalde nalatigheidsintrest in rekening heeft gebracht, zodat deze geen tweede maal wordt aangerekend. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen over de gegrondheid van de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder zonder de voorlegging te vra-gen van de met eisers' werkgever gesloten transactionele regeling als dusdanig. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM en de artikelen 10 en 11 Grondwet: de appelrechters verwerpen het verzoek van de eisers om de gevorderde betaling van de tegen-waarde van de verbeurdverklaarde goederen te milderen omdat zij daarvoor geen bevoegdheid hebben; de veroordeling tot die betaling is nochtans te kwalificeren als een verbeurdverklaring per equivalent, waarvan de rechter krachtens artikel 43bis, zevende lid, Strafwetboek het bedrag kan verminderen om de veroordeel-de geen onredelijk zware straf op te leggen; bijgevolg onderwerpen de appel-rechters de eisers aan een verschillende behandeling in vergelijking met perso-nen veroordeeld op grond van het gemeen strafrecht, ten aanzien van wie een verbeurdverklaring of een verbeurdverklaring per equivalent wordt uitgesproken. De eiser verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwette-lijk Hof: "Schenden de artikelen 220 § 1, 221 § 1 en 257 § 3 van het Koninklijk besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de Algemene bepalingen inzake Dou-ane en Accijnzen, samen gelezen met de artikelen 1382 en 1383 van het Burger-lijk Wetboek alsook met de artikelen 44 en 50 van het Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Euro-pees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, in de interpretatie dat de strafrechter geen bevoegdheid heeft om ten aanzien van personen die wegens een inbreuk op deze artikelen strafrechtelijk worden ver-oordeeld tot de verbeurdverklaring van de niet aangehaalde goederen en tevens veroordeeld worden tot de betaling van de tegenwaarde van deze goederen, bij niet wederoverlegging ervan, deze veroordeling tot betaling van de tegenwaarde te milderen op grond van verzachtende omstandigheden of de financiële situatie van de veroordeelden, terwijl in het gemeen strafrecht de strafrechter op grond van de artikelen 42, 43 en 43bis van het Strafwetboek wel de bevoegdheid heeft om niet alleen de veroordeling tot verbeurdverklaring maar ook de veroordeling tot verbeurdverklaring bij equivalent te milderen op grond van deze omstandig-heden?"
- Krachtens de artikelen 42, 1° en 3°, en 43bis, tweede en zevende lid, Straf-wetboek kan de rechter, om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen, het bedrag of de geldwaarde verminderen van de zaken die gediend heb-ben of bestemd waren tot het plegen van het misdrijf en van de zaken die het uit het misdrijf verkregen vermogensvoordeel uitmaken. Die bepalingen hebben en-kel betrekking op strafsancties.
- In zijn arrest nr. 16/2019 van 31 januari 2019 heeft het Grondwettelijk Hof geoordeeld dat de artikelen 220, § 1, 221, § 1, en 257, § 3, AWDA, artikel 1382 Burgerlijk Wetboek, de artikelen 44 en 50 Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 6.1 EVRM en artikel 1 Eerste Aanvullend Protocol EVRM, in hun onderlinge samenhang gelezen, niet vereisen dat de rechter een matigings-bevoegdheid heeft met betrekking tot de veroordeling tot betaling van de tegen-waarde van de verbeurdverklaarde goederen omdat die veroordeling geen straf-sanctie uitmaakt, maar een verplichting tot het betalen van schadevergoeding en het tot het wezen van een schadevergoeding behoort dat die overeenkomt met de door het slachtoffer geleden schade. Aldus heeft het Grondwettelijk Hof zich ze-ker en noodzakelijk uitgesproken over de aard van de hier bedoelde veroordeling en het daaruit voortvloeiende gevolg.
- Hieruit volgt, eensdeels, dat de veroordeling tot betaling van de tegen-waarde van de verbeurdverklaarde zaken niet te kwalificeren is als een verbeurd-verklaring per equivalent aangezien deze laatste een strafsanctie uitmaakt waar-over het hier niet gaat en, anderdeels, dat de rechter behoudens in hier niet toe-passelijke gevallen niet beschikt over een matigingsbevoegdheid om schadever-goeding, waarover het hier wel gaat, te verminderen wegens de financiële toe-stand van de veroordeelde op of grond van andere omstandigheden die hij vast-stelt. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- De prejudiciële vraag die uitgaat van die onjuiste rechtsopvatting, wordt niet gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 170,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.114 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.020 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.081 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240416.2N.21 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div