id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.5 Rolnummer: P.19.1123.N Zaak: P. contra NV LEASEPLAN FLEET MANAGEMENT Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 750 - laatst gezien 2026-06-29 07:01 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Indien het cassatieberoep uitgaat van het openbaar ministerie kan dit zijn memorie in cassatie, met de bewijzen van verzending aan de tegenpartijen, via de griffie aan het dossier laten toevoegen; de memorie zal ontvankelijk zijn indien het dossier tijdig, binnen de in artikel 429 Wetboek van Strafvordering bedoelde termijnen, wordt ontvangen ter griffie van het Hof van Cassatie. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Openbaar ministerie en vervolgende partij - Memorie - Indiening ter griffie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 429, 430 en 431 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiche 2 De verplichting voor de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt om de identiteit mee te delen van de bestuurder van of van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig ingeschreven op naam van die rechtspersoon waarmee een overtreding is begaan, vloeit voort uit de wet, en dus niet uit een bericht in het antwoordformulier toegezonden aan de rechtspersoon, ook al heeft het ontvangen van dit formulier voor gevolg dat daaraan gevolg moet worden gegeven; de vraag om inlichtingen via dat formulier, als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegverkeerswet, is bovendien niet onderworpen aan bepaalde vormvereisten; hieruit volgt dat voor vrijspraak van de beklaagde aan overtreding van artikel 67ter Wegverkeerswet niet volstaat dat de vraag om inlichtingen onvolkomenheden bevat, maar dat de beklaagde zich moet bevinden in omstandigheden waarin het voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk zou zijn geweest om aan de wettelijke verplichtingen te voldoen. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 67 - Artikel 67ter Vrije woorden: Toegezonden antwoordformulier aan overtreder - Omvang informatie - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet - 16-03-1968 - Art. 67ter - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Koninklijk Besluit - 19-04-2014 - Art. 11 - 01 ELI link Pub nr 2014014161 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1123.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AAN-LEG WEST-VLAANDEREN, afdeling Brugge, eiser, tegen LEASEPLAN FLEET MANAGEMENT nv, met zetel te 1831 Diegem, Telecomlaan 9 bus 6, beklaagde, verweerster, met als raadsman mr. Sabine Szulanski, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 11 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie
- De verweerster voert aan dat de memorie van de eiser niet ontvankelijk is, omdat die niet werd ingediend ter griffie van het Hof, maar wel ter griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen.
- Uit artikel 429 Wetboek van Strafvordering volgt dat de memories in cas-satie en de bewijzen van verzending aan de tegenpartijen in beginsel moeten worden ingediend ter griffie van het Hof en dit op straffe van niet-ontvankelijkheid.
- Uit de artikelen 430 en 431 Wetboek van Strafvordering volgt dat, nadat de griffie van het gerecht dat de bestreden beslissing heeft gewezen het dossier heeft geïnventariseerd, het openbaar ministerie bij dit gerecht instaat voor de overzending van het dossier aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie. Indien het cassatieberoep uitgaat van dit openbaar ministerie kan dit zijn memo-rie in cassatie, met de bewijzen van verzending aan de tegenpartijen, via de grif-fie van dat gerecht aan het dossier laten toevoegen. Die memorie zal ontvanke-lijk zijn indien het dossier tijdig, dit wil zeggen binnen de in artikel 429, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering bedoelde termijnen, wordt ontvangen ter griffie van het Hof.
- De eiser heeft zijn memorie met bewijs van verzending aan de verweerster ingediend ter griffie van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, op 21 oktober 2019 en die memorie en bewijs van verzending zijn opge-nomen in het geïnventariseerde dossier. Het door de eiser aan de procureur-generaal bij het Hof toegestuurde dossier werd op 13 november 2019 ontvangen ter griffie van het Hof. De memorie is bijgevolg ontvankelijk. De exceptie van niet-ontvankelijkheid van eisers memorie wordt verworpen. Middel Ontvankelijkheid van het middel
- Anders dan de verweerster aanvoert, vereist het middel niet louter een on-derzoek van feiten, maar ook een onderzoek van de wettigheid van het bestreden vonnis op grond van de erin vermelde vaststellingen. De grond van niet-ontvankelijkheid van het middel kan niet worden aangeno-men. Gegrondheid van het middel
- Het middel voert schending aan van artikel 67ter Wegverkeerswet, zoals van toepassing, alsmede artikel 11 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van over-tredingen inzake het wegverkeer: het bestreden vonnis spreekt de verweerster ten onrechte vrij van overtreding op 12 juli 2018 van voormeld artikel 67ter omdat de vraag om inlichtingen niet overeenkomstig de wettekst, misleidend en onvol-ledig is, gelet op het feit dat de vraagstelling enkel is toegespitst op het doorge-ven van de identiteit van de bestuurder zonder de mogelijkheid te bieden om te antwoorden wie de verantwoordelijke voor het voertuig is en de indruk wordt gewekt dat de informatieplicht enkel bestaat in geval van betwisting; artikel 11 van het vermelde koninklijk besluit vereist enkel dat een verklarend document tegelijkertijd met het afschrift van het proces-verbaal wordt overgemaakt aan de vermoedelijke overtreder; geen enkele wettelijke bepaling schrijft voor dat de vraag om inlichtingen bepaalde bewoordingen moet bevatten; de informatie-plicht vloeit voort uit de wet zelf; uit de feiten die het vaststelt kan het bestreden vonnis niet wettig afleiden dat de vraag om inlichtingen niet in overeenstem-ming is met de als geschonden aangewezen bepalingen.
- Artikel 67ter, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet, zoals toepasselijk, bepaalt: "Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de be-stuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte verte-genwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen. De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd." Het vierde lid voegt daaraan toe dat de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, ertoe gehouden is de nodige maatregelen te ne-men om aan deze verplichting te voldoen.
- Artikel 11 van het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de in-ning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer bepaalt: "Voor de inning van een som wordt een verklarend do-cument waarin de verschillende modaliteiten voor de betaling zijn opgenomen, naar de vermoedelijke of aangeduide overtreder gestuurd, overeenkomstig de ar-tikelen 67bis en 67ter van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, te-gelijkertijd met het afschrift van het proces-verbaal bedoeld in artikel 62, acht-ste lid, van dezelfde wet."
- De verplichting voor de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon vertegenwoordigt om de identiteit van de bestuurder van of van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig ingeschreven op naam van die rechtspersoon en waarmee een overtreding op de Wegverkeerswet of haar uit-voeringsbesluiten werd begaan, mee te delen, vloeit voort uit de wet, namelijk uit artikel 67ter Wegverkeerswet dat elkeen geacht is te kennen. Die verplichting vloeit niet voort uit een bericht daarover in het opgestuurde antwoordformulier, ook al heeft het ontvangen van dit formulier voor gevolg dat daaraan gevolg moet worden gegeven zoals vereist bij de voormelde wetsbepaling.
- De vraag om inlichtingen als bedoeld in artikel 67ter, tweede lid, Wegver-keerswet is bovendien niet onderworpen aan bepaalde vormvereisten. Het vol-staat dat de betrokkene op grond van de hem ter beschikking staande gegevens weet op welk voertuig, tijdstip, plaats en overtreding de vraag om inlichtingen betrekking heeft. Die gegevens kunnen niet enkel blijken uit de vraag om inlich-tingen zelf, maar ook uit andere bronnen zoals mondelinge informatie, een do-cument als bedoeld in artikel 11 van voormeld koninklijk besluit van 19 april 2014 of het proces-verbaal van overtreding, indien zulke stukken zijn verstuurd.
- Hieruit volgt dat het voor de vrijspraak van de beklaagde aan overtreding van artikel 67ter Wegverkeerswet niet volstaat dat de vraag om inlichtingen on-volkomenheden bevat, maar dat de beklaagde zich moet bevinden in omstandig-heden waarin het voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmoge-lijk zou zijn geweest om te voldoen aan de in dat artikel gestelde verplichtingen.
- Uit de feiten die het bestreden vonnis vaststelt en die het middel vermeldt, kan het niet afleiden dat de verweerster zich in een dergelijke situatie bevond. Aldus is de beslissing niet naar recht verantwoord. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Laat één tiende van de kosten ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 102,47 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230906.2F.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231004.2F.5 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240925.2F.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div