← België

SINDER G.C.V. contra FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3 Vervangt nummer: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191217.2N.1 Rolnummer: P.19.0671.N Zaak: SINDER G.C.V. contra FOD FINANCIËN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 1029 - laatst gezien 2026-06-29 00:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier vermeldt het hoger beroep van de beklaagde te volgen, geeft het te kennen dat het tegen het beroepen vonnis dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde; hieruit volgt dat, wanneer een beklaagde hoger beroep instelt en een grief aankruist die gericht is tegen de beslissing over de procedure, het hoger beroep van het openbaar ministerie dat dezelfde grief als voorwerp heeft, de appelrechter rechtsmacht verleent om de beslissing waarbij de eerste rechter heeft geoordeeld dat een bewijselement nietig is en uit het debat moet worden geweerd, te hervormen en te oordelen dat dit bewijs niet nietig is en aanwezig dient te blijven in het debat. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Volgappel openbaar ministerie - Beoordeling in beroep van de regelmatigheid van het bewijs - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 204 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Voorafgaande titel van het wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 2 Artikel 14 Wet Politieambt, dat bepaalt dat de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie toezien op de handhaving van de openbare orde, ter voorkoming van misdrijven en ter bescherming van personen en goederen, laat de politiediensten toe algemeen toezicht uit te oefenen en controles te verrichten op de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben. Thesaurus CAS: POLITIE Vrije woorden: Opdrachten van bestuurlijke politie - Controle op plaatsen - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 05-08-1992 - Art. 14 - 52 ELI link Pub nr 1992000606 Fiches 3 - 5 Het verbod een huiszoeking te verrichten in een voor het publiek niet-toegankelijke plaats voor vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds, zoals bepaald in artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet en de uitzondering op in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats, zoals bepaald in artikel 1, tweede lid, 3° Huiszoekingswet, bevatten een wettelijke basis voor het uitvoeren van een zoeking in een voor het publiek niet-toegankelijke plaats; de bijzondere vereiste van artikel 3 Huiszoekingswet dat het verzoek of de toestemming van de bewoner voorafgaand aan de opsporing of huiszoeking moet worden gegeven is niet van toepassing op bedrijfsruimten, die, ook al zijn ze niet publiek toegankelijk, door hun aard of de erin uitgeoefende bedrijvigheden niet te aanzien zijn als een woning of een aanhorigheid ervan; noch het feit dat bedrijfsruimten kunnen vallen onder de bescherming van artikel 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van Mens, noch het feit dat artikel 3 Huiszoekingswet is bedoeld om bewijsproblemen te vermijden, doet daaraan afbreuk. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - OPSPORINGSONDERZOEK - Opsporingshandelingen Vrije woorden: Huiszoeking met toestemming - Begrip woning - Bedrijfsruimten - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 07-06-1969 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op privacy - Huiszoeking - Huiszoeking met toestemming - Begrip woning - Bedrijfsruimten - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 07-06-1969 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 15 Vrije woorden: Onschendbaarheid van de woning - Bedrijfsruimten - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 8 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Art. 15 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 07-06-1969 - Artt. 1 en 3 - 30 ELI link Pub nr 1969060701 Tekst van de beslissing Arrest Nr. P.19.0671.N I SINDER gcv, met zetel te 9032 Wondelgem, Morekstraat 501, vertegenwoor-digd door de lasthebber ad hoc Gwendolyn Van Kerckvoorde, met kantoor te 9920 Lovendegem, Appensvoordestraat 145, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, II

  1. J. S. S. beklaagde,
  2. S. B. beklaagde, eisers, beiden met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, alle cassatieberoepen tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur der douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administratief centrum "Ter Plaeten", Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, bus 14, waar de ver-weerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 5 juni
  3. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd. De eisers hebben op 20 december 2019 ter griffie van het Hof een door arti-kel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van de artikelen 204 en 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt, anders dan het beroepen vonnis, dat het verhoor van de eiser II.1 van 3 juli 2006 niet nietig is en in het debat wordt gehouden; enkel de eisers hebben grieven geformuleerd over de procedure en de schuld; de appelrechters hadden bijgevolg geen rechtsmacht om het beroe-pen vonnis te hervormen met betrekking tot de regelmatigheid van het bedoelde verhoor; een beklaagde kan immers niet op ontvankelijke wijze hoger beroep in-stellen of grieven formuleren tegen een beslissing die hem niet grieft.
  5. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - na de verklaring van de eiser II.1 van 3 juli 2016 nietig te hebben verklaard en ze uit het debat te hebben geweerd, spreekt het beroepen vonnis de eiseres I vrij van de telastleggingen B en C en veroordeelt het haar voor de telastleg-gingen A, spreekt het de eiser II.1 vrij van de telastlegging B en veroordeelt het hem voor de telastleggingen A en C en veroordeelt het de eiser II.2 voor de telastleggingen A; - de eisers stellen tegen dat vonnis hoger beroep in en formuleren grieven met betrekking tot de procedure, de schuld en de strafmaat; - de verweerder stelt tegen dat vonnis ook hoger beroep in, maar beperkt de grieven tot de straf en de burgerlijke rechtsvordering; - het openbaar ministerie stelt tegen dat vonnis ook hoger beroep in en ver-meldt als grieven met betrekking tot de eisers II dat het een volgberoep instelt en ook de strafmaat viseert; - het arrest leidt hieruit af dat de appelrechters belast zijn met de volledige zaak op strafgebied en burgerlijk gebied, met uitzondering van de vermelde vrijspraken. Het oordeelt dat de verklaring van de eiser II.1 van 3 juli 2016 niet nietig is en in het debat behouden blijft. Het veroordeelt de eisers wegens dezelfde telastleggingen als in eerste aanleg.
  6. Een grief als bedoeld in artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de spe-cifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het be-roepen vonnis, waarvan hij de hervorming door de appelrechter vraagt.
  7. Wanneer het openbaar ministerie in zijn grievenformulier vermeldt het ho-ger beroep van de beklaagde te volgen, geeft het te kennen dat het tegen het be-roepen vonnis dezelfde grieven aanvoert als de beklaagde.
  8. Hieruit volgt dat, wanneer een beklaagde hoger beroep instelt en een grief aankruist die gericht is tegen de beslissing van de eerste rechter over de procedu-re, het hoger beroep van het openbaar ministerie dat dezelfde grief tot voorwerp heeft, de appelrechter rechtsmacht verleent om de beslissing waarbij de eerste rechter bij toepassing van artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering heeft geoordeeld dat een bewijselement nietig is en uit het debat moet worden geweerd, te hervormen en te oordelen dat dit bewijs niet nietig is en aanwezig dient te blijven in het debat. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en de artikelen 1 en 3 Huiszoekingswet: het arrest oordeelt dat de zoe-king verricht op 2 juli 2016 in de opslagplaats te Gent, ... regelmatig is en dat het daar vastgestelde bewijs, namelijk de door de verbalisanten visueel waarge-nomen voorraad aan dranken, regelmatig werd verkregen; die opslagplaats betrof echter een niet voor het publiek toegankelijke plaats, zodat de verbalisanten voor hun zoeking dienden te beschikken over een schriftelijke en voorafgaande toe-stemming zoals bepaald in de artikelen 1, tweede lid, 3° en 3 Huiszoekingswet; de verbalisanten beschikten enkel over een mondelinge toestemming van een aanwezige vennoot om de opslagplaats te betreden; aldus was de zoeking onre-gelmatig; het arrest oordeelt ten onrechte dat de in artikel 3 Huiszoekingswet bepaalde toestemming enkel vereist is voor een woning in de zin van artikel 15 Grondwet; die toestemming slaat echter op elke niet publiek toegankelijke plaats; zij strekt immers ertoe bewijsproblemen te vermijden; bovendien valt een dergelijke plaats onder de bescherming van artikel 8 EVRM, zodat een zoeking daarin een wettelijke bepaling als bedoeld bij artikel 8.2 EVRM vereist. De eisers vragen minstens de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schenden de artikelen 1 en 3 van de wet van 7 juni 1969 tot vaststelling van de tijd gedurende welke geen opsporing ten huize, huiszoeking of vrijheidsbeneming mag worden verricht, in die zin geïnterpreteerd dat voor het verrichten van een zoeking in een niet voor het publiek toegankelijke plaats die een woning is in de zin van artikel 15 van de Grondwet met toestemming van de persoon die het werkelijk genot heeft van de plaats, vereist is dat die toestem-ming schriftelijk en voorafgaand aan de zoeking wordt gegeven, terwijl voor het verrichten van een zoeking in een niet voor het publiek toegankelijke plaats die geen woning is in de zin van artikel 15 van de Grondwet, maar een voor beroeps- of handelsdoeleinden gebruikt lokaal, een mondelinge toestemming volstaat, de artíkelen 10 en 11 van de Grondwet?"
  10. Artikel 8 EVRM bepaalt: "
  11. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezins-leven, zijn woning en zijn correspondentie.
  12. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenle-ving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare vei-ligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijk-heden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."
  13. Artikel 14 Wet Politieambt bepaalt dat de politiediensten bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke politie toezien op de handhaving van de openbare orde met inbegrip van de naleving van de politiewetten en -verorde-ningen, de voorkoming van misdrijven en de bescherming van personen en goe-deren. Daartoe zorgen onder meer zij voor een algemeen toezicht en voor contro-les op de plaatsen waartoe zij wettelijk toegang hebben.
  14. Krachtens artikel 1, eerste lid, Huiszoekingswet mag geen opsporing of huiszoeking in een voor het publiek niet-toegankelijke plaats worden verricht vóór vijf uur 's morgens en na negen uur 's avonds. Het tweede lid, 3°, van dat artikel maakt op die regel een uitzondering in geval van verzoek of toestemming van de persoon die het werkelijke genot heeft van de plaats. Deze bepalingen, die van toepassing zijn ongeacht het uur waarop de opsporing of de huiszoeking plaatsvindt, bevatten een wettelijke basis voor het uitvoeren van een zoeking in een voor het publiek niet-toegankelijke plaats.
  15. Artikel 3 Huiszoekingswet bepaalt dat het verzoek of de toestemming schriftelijk en voorafgaand aan de opsporing of huiszoeking moet worden gege-ven. Dit bijzondere vereiste is bepaald omdat dit verzoek of die toestemming er-op neerkomt te verzaken aan het grondwettelijk recht van de onschendbaarheid van de woning. Het is bijgevolg niet van toepassing op plaatsen die niet van een dergelijke waarborg genieten, zoals bedrijfsruimten die, ook al zijn zij niet pu-bliek toegankelijk, door hun aard of de erin uitgeoefende bedrijvigheden niet te aanzien zijn als een woning of een aanhorigheid daarvan. Noch het feit dat be-drijfsruimten kunnen vallen onder de bescherming van artikel 8 EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch het feit dat artikel 3 Huiszoekingswet is bedoeld om bewijsproblemen te vermijden, doet daaraan afbreuk.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Het arrest oordeelt dat: - de verbalisanten op 2 juni 2016 deelnamen aan een gecoördineerde bestuurlij-ke actie tegen straatcriminaliteit, drugscriminaliteit en overlast te Gent; - zij in de ... om 19.45 uur vaststelden dat een man ter hoogte van huisnummer ... dranken aan het inladen was in een lichte vrachtauto, waarbij die man haastig was en steeds zenuwachtig om zich heen keek; - zij die man hebben geïnterpelleerd en geïdentificeerd als S.P., die steeds her-haalde er niets mee te maken te hebben; - zij na mondelinge toestemming van die persoon een grote opslagplaats heb-ben betreden waarin zij visueel een enorme stock aan alcoholische dranken, sterke alcoholische dranken en frisdranken hebben waargenomen, waarna zij van de persoon en het voertuig nazicht hebben gedaan in de politionele be-standen; - de gegevens van het strafdossier uitwijzen dat S.P. een beherend vennoot van de eiseres I was; - de opslagplaats in kwestie geen woning is in de zin van artikel 15 Grondwet, maar wel een voor het publiek niet-toegankelijke plaats; - de verbalisanten, gelet op de mondelinge toestemming van S.P., de loods mochten betreden zonder een schriftelijke en voorafgaande toestemming in de zin van artikel 3 Huiszoekingswet, aangezien dat vereiste niet van toepassing is op een plaats die niet geniet van de grondwettelijke waarborg van de be-scherming van de woning. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing dat de verbalisanten regelmatig de opslagplaats hebben betreden en daar vaststellingen hebben gedaan, naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  18. Een lokaal dat valt onder de onschendbaarheid van de woning zoals be-paald in artikel 15 Grondwet is niet vergelijkbaar met een lokaal dat niet valt onder die onschendbaarheid, ongeacht of die lokalen al dan niet voor het publiek toegankelijk zijn. De voorgestelde prejudiciële vraag betreft bijgevolg geen ge-lijke rechtssituaties die de wet verschillend behandelt. De vraag wordt niet gesteld. Ambtshalve onderzoek
  19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 238,21 euro, waarvan 119,10 euro door eise-res I verschuldigd is, en 119,11 euro door de eisers II. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250506.2N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251125.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.