← België

ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 Rolnummer: P.19.0806.N Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-16 Raadplegingen: 1487 - laatst gezien 2026-06-29 05:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De in artikel 37, §1 en §2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel vermelde uitzondering op het verbod tot vervolging, veroordeling of vrijheidsberoving van een overgeleverde persoon voor andere feiten dan die waarop de overlevering betrekking heeft, betreft een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt, zodat in het kader van die uitzondering een persoon kan worden vervolgd voor "enig ander feit" dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voorwaarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd; indien die persoon wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeperkende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestemming is verleend zodat hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenisstraf nog geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in artikel 37, §2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel maar dat de onmiddellijke aanhouding dat wel is

(1).
(1)HvJ 1 december 2008, arrest C-388/08/PPU, Strafzaken tegen Artur Leymann en Aleksei Pustovarov; S. DEWULF, Handboek Uitleveringsrecht, Intersentia, 2013, pp. 200-206. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Wet Europees Aanhoudingsbevel - Artikel 37 § 1 en § 2, 3° - Specialiteit - Draagwijdte - Gevolg Fiches 2 - 3 Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen maar deze artikelen kennen aan een beklaagde geen absoluut of onbeperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen en het komt aan de beklaagde toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding; het staat aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd niet in het gedrang wordt gebracht en waarbij de rechter zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à décharge moet steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst
(1).
(1)Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen à décharge - Beoordeling van de noodzaak op basis van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Recht op een eerlijk proces - Horen van getuigen à décharge - Beoordeling van de noodzaak op basis van concrete omstandigheden - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 5 De rechter die uitspraak doet over bij hem aanhangige feiten waaraan slechts één misdrijfomschrijving is gegeven, kan aan die ene misdrijfomschrijving desgevallend één of meerdere misdrijfomschrijvingen toevoegen maar aangezien een dergelijke toevoeging tot een bijkomende schuldigverklaring aan een misdrijf kan leiden, vereist dit een aanvullende aanhangigmaking hetgeen is uitgesloten in hoger beroep, zodat het appelgerecht voor de bij haar aanhangige feiten geen misdrijfomschrijving kan toevoegen en dus niet tot een ontdubbeling van de misdrijfomschrijving kan overgaan; de voormelde bepalingen verzetten zich er nochtans niet tegen dat de rechter en dus ook het appelgerecht de misdrijfomschrijving van de aanhangig gemaakte feiten opsplitst in onderdelen en vervolgens overgaat tot een heromschrijving van een onderdeel van een voltrokken misdrijf naar een strafbare poging aangezien daardoor aan de initiële misdrijfomschrijving geen misdrijfomschrijving toegevoegd wordt en de toestand van de beklaagde evenmin wordt verzwaard. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Strafvordering Vrije woorden: Saisine - Kwalificatie - Herkwalificatie - Hoger beroep - Bevoegdheid van de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Saisine - Kwalificatie - Herkwalificatie - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 10 Wanneer de raadkamer een verwijzing naar de correctionele rechtbank heeft uitgesproken voor feiten omschreven als deelname aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324ter, §2, Strafwetboek, zijnde een wanbedrijf en het arrest de feiten heromschrijft als deelname aan een criminele organisatie door een leidend persoon, zoals bepaald in artikel 324ter, §4, Strafwetboek, zijnde een misdaad, kan het hof van beroep van die misdaad enkel kennis nemen door krachtens artikel 3, derde lid Wet Verzachtende omstandigheden verzachtende omstandigheden aan te nemen
(1).
(1)M. DE SWAEF en M. TRAEST, Bendevorming en criminele organisaties, Comm. Straf.; I. ONSEA, "Wet betreffende de criminele organisaties: een eerste effectieve stap in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit", Panopticon 1999, 278-286; F. ROGGEN, "La loi du 10 janvier 1999 relative aux organisations criminelles", RDP, 1999, 1135-
  1. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Verwijzing door onderzoeksgerecht van een wanbedrijf naar de correctionele rechtbank - Heromschrijving door het hof van beroep als een misdaad - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Raadkamer - Verwijzing van een wanbedrijf naar de correctionele rechtbank - Heromschrijving door het hof van beroep als een misdaad - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - VERZACHTENDE OMSTANDIGHEDEN. VERSCHONINGSGRONDEN Vrije woorden: Verwijzing van een wanbedrijf naar de correctionele rechtbank - Heromschrijving door het hof van beroep als een misdaad - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VERENIGING VAN MISDADIGERS Vrije woorden: Criminele organisatie - Artikel 324ter, § 2, Strafwetboek - Deelname aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie - Aard van het misdrijf - Wanbedrijf Criminele organisatie - Artikel 324ter, § 4, Strafwetboek - Deelname aan een criminele organisatie door een leidend persoon - Aard van het misdrijf - Misdaad Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0806.N I J. M. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. II
  2. E. L. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen,
  3. T. D. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen,
  4. A. B. alias A. P. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sahil Malik, advocaat bij de balie Antwerpen. III C. P. L. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Thibaud Delva, advocaat bij de balie Antwerpen. IV A. T. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Sanne De Clerck, advocaat bij de balie Antwerpen. V D. X. M.-L. K. beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 104, waar de eiser woonplaats kiest. VI P. S. G. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 104, waar de eiser woonplaats kiest. VII N. S. B. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Antwerpen. VIII
  5. Y. E. B. beklaagde, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woon-plaats kiest,
  6. F. H. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen,
  7. A. H. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. IX A. B. A. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Filip Van Hende, advocaat bij de balie Gent, alsook mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen. X F. I. alias A. I. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. XI F. B. beklaagde, aangehouden, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, alsook met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leu-ven. XII
  8. B. O. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Kris Luyckx, advocaat bij de balie Antwerpen,
  9. D. Z. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, advocaten bij de balie Antwerpen,
  10. D. A. P. S. beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Kris Luyckx en mr. Nathalie Goedertier, advocaten bij de balie Antwerpen,
  11. B. I. H. D. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Xavier Potvin, advocaat bij de balie Antwerpen. XIII C. G. D. V. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Frank Decruyenaere, advocaat bij de balie Antwerpen. XIV A. M. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Dimitri Laes, advocaat bij de balie Leuven. XV K. G. beklaagde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Cato Siereveld, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, correctionele kamer, van 27 juni
  12. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser II.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser VII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser VIII.1 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IX voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser X voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser XI voert in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, respectieve-lijk vier en twee middelen aan. De eiser XII.2 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser XII.3 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiser XII.4 voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser XIII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser XIV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eisers II.2, II.3, III, VIII.2, VIII.3, XII.1 en XV voeren geen middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eiser VII heeft op 10 december 2019 een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot ingediend. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middelen van de eiser I Eerste middel Eerste onderdeel
  13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 57, § 1, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbe-ginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt ten onrechte dat de mogelijke miskenning van het geheim van het onderzoek geen impact heeft ge-had op de regelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek en het daarop volgend procesverloop en dat er geen sprake is van enige miskenning van het vermoeden van onschuld; wanneer het geheim van het onderzoek de fundamentele waarbor-gen van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling, waaronder het vermoeden van onschuld, onherstelbaar in het gedrang brengt, moet worden besloten tot de onontvankelijkheid van de strafvordering; nog vooraleer de eiser I werd ver-hoord, stond reeds in de krant te lezen dat hij werd aangehouden en werd zijn fo-to gepubliceerd.
  14. Het arrest (p. 86-88) oordeelt op grond van de redenen die het bevat dat is gebleken dat er geen sprake is van enige miskenning van het vermoeden van on-schuld, het recht van verdediging van de eiser I werd gerespecteerd, de mogelijke miskenning van het geheim van het onderzoek geen impact heeft gehad op de re-gelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek en het daarop volgende procesver-loop en dat van een onregelmatige bewijsgaring geen sprake is. Het onderdeel dat opkomt tegen dit onaantastbaar oordeel of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvanke-lijk. Tweede onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 8 EVRM, alsmede misken-ning van het recht op eerbiediging van het privéleven: het arrest oordeelt ten on-rechte dat er geen sprake is van enige miskenning van eisers recht op eerbiedi-ging van zijn privéleven, omdat de kwestieuze foto die bij het krantenartikel werd geplaatst niet afkomstig is van een gerechtelijke of politionele bron; derge-lijke krantenartikelen stellen de eiser I ten onrechte bloot aan de publieke ver-achting waarbij de schade voor de eiser I onherstelbaar is.
  16. Het onderdeel preciseert niet welk rechtsgevolg de miskenning van eisers recht op eerbiediging van zijn privéleven voor zijn schuldigverklaring en ver-oordeling heeft. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Tweede en derde middel in hun geheel
  17. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser I tot een geld-boete, met een algemene en voor alle beklaagden geldende motivering dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen moe-ten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; deze motivering is niet voldoende geïndividualiseerd en niet voldoende nauwkeurig. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest moti-veert onduidelijk en onnauwkeurig de aan de eiser I opgelegde geldboete; de en-kele reden dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun ver-mogen en de beklaagden moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lo-nend mag zijn, is een stereotype formule die niet volstaat; de appelrechters mo-tiveren niet waarom naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete diende te worden opgelegd.
  18. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het recht-vaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  19. Geen wetsbepaling vereist dat de rechter die meerdere beklaagden elk tot een geldboete veroordeelt voor elke veroordeling telkens een afzonderlijke mo-tivering verstrekt. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is voor alle beklaagden die tot een geldboete worden veroordeeld, doet geen af-breuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  20. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser I opgelegde bestraffing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), zijn strafrechtelijk verleden dat wijst op een duidelijk gebrek aan normbesef en een asociale persoonlijkheid (p. 259), zijn leeftijd, persoonlijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oor-deelt dat hem gelet op die elementen en ter vermijding van recidive een effectie-ve hoofdgevangenisstraf van 7 jaar en een geldboete van 25.000 euro moet wor-den opgelegd (p. 272-273) en het vermeldt dat de geldboete tot doel heeft de ei-ser I te raken in zijn vermogen en hem te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 288). Met die redenen motiveren de appelrechters zon-der enige onduidelijkheid maar op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser I opgelegde geldboete en de maat ervan. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Vierde middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest be-antwoordt "enkele middelen (aangevoerd) ten gronde met betrekking tot de hem ten laste gelegde feiten" met een typisch "passe-partout"-antwoord, wat in we-zen neerkomt op het niet-beantwoorden ervan.
  22. Het middel preciseert niet welke door de eiser I in zijn conclusie aange-voerde middelen het arrest onbeantwoord laat. Het middel is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Middelen van de eiser II.1 Eerste middel
  23. Het middel voert schending aan van artikel 37, § 1, en § 2, 3°, Wet Euro-pees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het specialiteitsbeginsel inza-ke uitlevering: het arrest verklaart de eiser II.1 ten onrechte schuldig aan de te-lastlegging C.IV van de zaak II, omdat hij op grond van een Europees aanhou-dingsbevel van 21 januari 2015 enkel werd overgeleverd voor het onder de te-lastlegging D.II omschreven feit van deelname aan een criminele organisatie; de eiser II.1 heeft geen afstand gedaan van het specialiteitsbeginsel en de vervol-ging en berechting voor de telastlegging C.IV heeft wel degelijk aanleiding ge-geven tot een vrijheidsbeperkende maatregel; de appelrechters maken ten on-rechte toepassing van de door artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbe-vel bepaalde uitzondering en hadden de strafvordering niet ontvankelijk moeten verklaren.
  24. Artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "§
  25. Een persoon overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden ver-volgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrek-king heeft. §
  26. Paragraaf 1 is niet van toepassing ingeval: (...) 3° de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van betrokkene beperkt; (...). Ingeval, buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid, de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of het gerecht de overgeleverde persoon naar gelang van het geval wenst te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid wenst te bene-men wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming worden gericht, zulks samen met de gege-vens vermeld in artikel 2, § 4 en, eventueel, met een vertaling."
  27. Die bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn de transposi-tie in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudings-bevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Volgens die bepa-lingen betreft de vermelde uitzondering, zoals het Hof van Justitie van de Euro-pese Unie die uitlegt (arrest C-388/08 in de zaak Leymann en Pustovarov 1 de-cember 2008) een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd voor "enig an-der feit" dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatre-gel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voor-waarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeper-kende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestem-ming is verleend. Hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenis-straf nog geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in ar-tikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  28. Het arrest (p. 89) stelt vast dat de eiser II.1 geen afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel en dat hij werd overgeleverd voor het feit bedoeld met de telastlegging D.II, maar niet voor het feit van de telastlegging C.IV van zaak II.
  29. Het arrest (p. 90) oordeelt dat de in artikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aan-houdingsbevel vervatte uitzondering hier van toepassing is en dat de eiser II.1 wel degelijk zonder toestemming kan worden vervolgd voor andere feiten dan die waarvoor hij werd overgeleverd en dat de toestemming moet worden ge-vraagd en verkregen indien een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel ten uitvoer moet worden gelegd.
  30. Het arrest kan bijgevolg oordelen dat de lastens de eiser II.1 ingestelde strafvordering ook ontvankelijk is voor het feit van de telastlegging C.IV en het kan hem voor de feiten C.IV en D.II van de zaak II samen onder meer veroorde-len tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Die beslissingen zijn naar recht verant-woord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  31. Het arrest beveelt evenwel ook de onmiddellijke aanhouding van de eiser II.
  32. Die beslissing strekt ertoe te verhinderen dat de betrokkene zich onttrekt aan de uitvoering van de bevolen vrijheidsstraf. Nu blijkt dat deze maatregel niet kon worden bevolen zonder de vervolging van de eiser II.1 voor het feit van de telast-legging C.IV en niet blijkt dat de eiser II.1 wat betreft dat feit afstand heeft ge-daan van het specialiteitsbeginsel of dat de uitvoerende gerechtelijke autoriteit voor de vervolging van dit feit toestemming heeft gegeven, is die beslissing niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Tweede en derde middel in hun geheel
  33. Het tweede middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser II.1 tot een geld-boete, met een algemene en voor alle beklaagden geldende motivering dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen moe-ten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; deze motivering is niet voldoende geïndividualiseerd en niet voldoende nauwkeurig. Het derde middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest moti-veert onduidelijk en onnauwkeurig de aan de eiser II.1 opgelegde geldboete, de enkele reden dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en de beklaagden moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, is een stereotype formule die niet volstaat; de appelrechters motiveren niet waarom naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete diende te worden opgelegd.
  34. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of een maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  35. Geen wetsbepaling vereist dat de rechter die meerdere beklaagden elk tot een geldboete veroordeelt voor elke veroordeling telkens een afzonderlijke mo-tivering verstrekt. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is voor alle beklaagden die tot een geldboete worden veroordeeld, doet geen af-breuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  36. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser II.1 opgelegde bestraf-fing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), zijn blanco strafrechtelijk verleden (p. 258), zijn leeftijd, persoonlijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oordeelt dat hem gelet op die elementen en ter vermijding van recidive een effectieve hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 5.000 euro moet worden opgelegd (p. 268) en het vermeldt dat de geldboete tot doel heeft de eiser II.1 te raken in zijn vermogen en hem te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 288). Met die redenen motiveren de appelrechters zonder enige onduidelijkheid maar op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser II.1 opgelegde geldboete en de maat ervan. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Middelen van de eiser IV Eerste en tweede middel in hun geheel
  37. Het eerste middel voert schending aan van artikel 6 EVRM: het arrest mis-kent het recht van de eiser IV om getuigen à décharge te doen oproepen op de rechtszitting; het oordeelt ten onrechte dat het niet past de getuige, die ook een beklaagde is, onder eed te horen, omdat zijn schuldvraag nog in het debat is; verder berust de verwijzing door de appelrechters naar het risico van beïnvloe-ding, intimidatie, bedreiging en zelfs geweld, gelet op het milieu van de georga-niseerde criminaliteit, op een loutere veronderstelling, die door geen enkel ob-jectief element uit het dossier wordt ondersteund; de eiser IV heeft het recht ge-tuigen à décharge te doen ondervragen over zijn deelnemingsopzet, zodat de verwijzing door het arrest naar de resultaten van het strafonderzoek niet relevant zijn, daar dit geenszins blijkt uit die onderzoeksresultaten; het arrest oordeelt verder ten onrechte dat de eiser IV niet aannemelijk maakt in welke zin het ge-tuigenverhoor van de eiser III nuttig zou kunnen zijn in het kader van de waar-heidsvinding; ook de reden dat de eiser III door het hof van beroep werd onder-vraagd en de eiser IV geen initiatief heeft genomen tot het horen of laten verho-ren van deze beklaagde op die rechtszitting, is niet relevant, daar hij niet werd opgeroepen om als getuige te worden gehoord. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de rede-nen dat de eiser IV het niet geloofwaardig maakt dat het horen van de eiser III enige bijdrage tot de waarheidsvinding zal opleveren, beantwoordt het arrest on-juist het door de eiser IV gedane verzoek tot het horen van deze beklaagde als getuige.
  38. In zoverre de middelen verplichten tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft of opkomen tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter, zijn ze niet ontvankelijk.
  39. Volgens artikel 6.3.d EVRM, dat bijzondere toepassingsmodaliteiten bevat van het door artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces, heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ook het recht getuigen à décharge te ondervragen of te doen ondervragen. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM kent aan een beklaagde evenwel geen absoluut of on-beperkt recht toe om getuigen à décharge door de politie te doen ondervragen of op de rechtszitting als getuige te horen. Het komt aan de beklaagde toe aan te to-nen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding. Het staat dan aan de rechter om daarover te oordelen, waarbij hij er dient over te waken dat het recht van de beklaagde op een eerlijk proces in zijn geheel be-schouwd niet in het gedrang wordt gebracht. De rechter moet zijn beslissing over het al dan niet horen van de getuigen à dé-charge steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. Die concrete om-standigheden kunnen onder meer betrekking hebben op de feitelijke of juridische onmogelijkheid om de getuigen te horen, de onmogelijkheid of de onwil van de partij die het getuigenverhoor vraagt om opgave te doen van de vragen die zij aan de getuige wenst te stellen, de relatie die de getuige had of heeft met de bij het strafproces betrokken partijen, de betrouwbaarheid van de door de getuige af te leggen verklaring rekening houdend met die relatie, zijn persoonlijkheid of het tijdsverloop sinds de feiten of het beschikbaar zijn van een geschreven verkla-ring van de persoon die de beklaagde als getuige wenst te horen, waarin die een eerdere verklaring herroept of nuanceert. In zoverre de middelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
  40. Het arrest wijst het verzoek van de eiser IV tot het horen van de eiser III als getuige op de rechtszitting af op de volgende gronden: - de eiser IV beschikt niet over een onbeperkt recht om getuigen à décharge op de rechtszitting als getuige te horen; - het komt de eiser IV toe aan te tonen en te motiveren dat het horen van een getuige à décharge noodzakelijk is voor de waarheidsvinding; - de eiser IV slaagt niet erin om geloofwaardig te maken dat het horen van de eiser III in dit dossier enige bijdrage tot de waarheidsvinding kan leveren in het licht van de reeds aan tegenspraak onderworpen bewijselementen; - dit geldt des te meer daar de eiser III zijn eigen betrokkenheid bij de in dit dossier aan de orde zijnde drugtrafiek tot voor het hof van beroep is blijven ontkennen, wat zijn goed recht is; - de eiser III was op de rechtszitting van 13 december 2018 als beklaagde aan-wezig in persoon en werd door de appelrechters ondervraagd, maar de eiser IV nam van zijn kant geen enkel initiatief tot het horen van deze beklaagde op de rechtszitting; - het horen van de eiser III ter rechtszitting is niet noodzakelijk voor de waar-heidsvinding; - de strafvervolging is in haar geheel beschouwd eerlijk verlopen: ook de eiser IV heeft kennis kunnen nemen en tegenspraak kunnen voeren over de stukken en de andere gegevens die aan het oordeel van de appelrechters werden voor-gelegd. Uit die redenen volgt dat de appelrechters de vraag tot het horen van de eiser III als getuige op de rechtszitting hebben beoordeeld in het licht van de voormelde criteria en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en de beslissing tot afwijzing van dit verzoek regelmatig met redenen is omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen.
  41. In zoverre de middelen het oordeel bekritiseren dat het niet past om de ei-ser III te horen als getuige onder eed op de rechtszitting gelet op zijn hoedanig-heid van beklaagde en het had volstaan om hem op de rechtszitting buiten eed te horen, zijn ze gericht tegen een overtollige reden, kunnen ze niet tot cassatie lei-den en zijn ze bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Middel van de eiser V
  42. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser V schuldig aan lidmaatschap van een criminele organisatie, zoals omschreven in artikel 324ter Strafwetboek; uit de vermelde wetsbepalingen volgt dat de rechter de aanwezigheid van de bestanddelen van het misdrijf concreet moet motiveren; het arrest toetst op geen enkele wijze de aanwezigheid van het materieel en het mo-reel bestanddeel van dit misdrijf.
  43. Artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvorde-ring verplichten, behoudens daartoe strekkende conclusie, de strafrechter enkel tot de vaststelling van de schuld van een beklaagde aan de strafbare feiten zoals omschreven in de bewoordingen van de strafwet en niet tot een concrete motive-ring betreffende het verenigd zijn van de diverse bestanddelen van het misdrijf. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiser VI
  44. Het middel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser VI zich in staat van bijzondere herhaling bevindt in de zaken II en III, terwijl het beroepen vonnis deze staat van herhaling enkel vaststelt in de zaak II; het grievenformulier van de eiser VI ver-meldt geen opmerkingen met betrekking tot de herhaling en ook het openbaar ministerie formuleerde alleen een grief met betrekking tot de strafmaat en kruis-te de grief over de herhaling niet aan; het arrest miskent de saisine van het ap-pelgerecht door ook in de zaak III de eiser VI in staat van bijzondere herhaling te bevinden.
  45. Het beroepen vonnis stelt voor wat betreft de lastens de eiser VI bewezen verklaarde feiten van de zaak II de toestand van bijzondere herhaling vast gelet op het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 28 juni
  46. Het arrest veroordeelt de eiser VI tot één straf voor de bewezen verklaarde telastleggingen in de zaken II en III en het stelt met verwijzing naar het voormelde arrest van 28 juni 2012 vast dat de eiser zich voor de feiten der telastleggingen C.VI van de zaak II en B.II, B.IV, B.V.a, G.I.a.1 en G.II.a.1 van de zaak III bevindt in een toe-stand van bijzondere herhaling (p. 259-260 en 305).
  47. Het middel betwist enkel dat de appelrechters de toestand van bijzondere herhaling konden vaststellen op grond van de bewezen verklaarde feiten van de zaak III. De vaststelling van de toestand van bijzondere herhaling vindt evenwel een afdoende grondslag in de bewezenverklaring en veroordeling voor de feiten van de telastlegging C.VI in de zaak II. Het middel, al was het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Middelen van de eiser VII Eerste middel in zijn geheel
  48. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het ar-rest vermeldt geen concrete positieve handeling die de eiser VII zou hebben ge-pleegd om bij te dragen aan de verwezenlijking van de invoer van cocaïne op 5 oktober 2014 (telastlegging B.V.a.1 van de zaak III) en die dateert van vóór dit feit of gelijktijdig met dit feit; de vermeldingen van het arrest hebben enkel be-trekking op eisers deelneming aan de poging tot bezit van de cocaïne (telastleg-ging B.V.a.2); bijgevolg is de schuldigverklaring als deelnemer aan de invoer van cocaïne niet naar recht verantwoord; de eiser VII heeft ook in zijn conclusie aangevoerd dat hij geen handeling heeft gesteld die kan worden beschouwd als een daad van strafbare deelneming aan de invoer van cocaïne op 5 oktober 2014, zodat het arrest dat een dergelijk handeling niet aanduidt, niet naar recht is ge-motiveerd. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 66 Strafwetboek en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest preciseert niet of de toezegging door de eiser VII om deel te nemen aan de po-ging tot bezit werd gedaan voorafgaand aan de invoer op 5 oktober 2014 dan wel voorafgaand aan de poging tot bezit op 6 oktober 2014; aldus kan het Hof niet nagaan of het arrest wettig beslist tot de schuldverklaring van de eiser VII aan de invoer van cocaïne, wat immers veronderstelt dat de eiser VII daaraan vooraf-gaand wetens en willens aan het misdrijf heeft bijdragen; de eiser VII heeft ook in zijn conclusie aangevoerd dat hij geen handeling heeft gesteld, die kan worden beschouwd als een daad van strafbare deelneming aan de invoer van cocaïne op 5 oktober 2014, zodat het arrest dat een dergelijke handeling niet aanduidt, niet naar recht is gemotiveerd.
  49. Het arrest (p. 218-221 en 226-228) oordeelt betreffende de rol van de eiser VII aan de feiten der telastleggingen B.V.a.1 en B.V.a.2 onder meer als volgt: - de eiser VII komt bij de aan de orde zijnde invoeroperatie en de pogingen tot uithaling van een partij cocaïne onmiskenbaar naar voor als een directe me-dewerker van zijn broer, de eiser XI; - de rol van de eiser VII vindt in het bijzonder bevestiging in de vaststellingen aangaande ontmoeting van de leden van de criminele organisatie/vereniging die doorgingen in ... te Merksem op 7 oktober 2014, waar de Marokkaanse tak van de organisatie samen kwam met de andere leden ervan om de situatie te bespreken na de mislukte poging tot uithaling van de partij cocaïne eerder deze dag; - de beklaagde M., die had gefaald bij het opzetten van de uithaling van de par-tij cocaïne uit de haven van Antwerpen, werd daarbij zwaar toegetakeld door leden van de Marokkaanse tak van de organisatie; - de aanwezigheid van de eiser VII werd daarbij met zekerheid vastgesteld door de politiediensten; - de eiser VII werd door Y. F. ook herkend uit een fotoreeks als zijnde een man van Marokkaanse afkomst, die toekwam met de VW Golf en eiste dat hij te-rug de haven zou ingaan om de partij cocaïne te recupereren; - uit de huiszoeking op 2 december 2014 op het adres te Mechelen, ... blijkt dat deze woning de verblijfplaats van de eiser VII betrof, waar hij ook werd aan-getroffen samen met onder meer twee Black Berry-toestellen die bij aankomst op het politiebureau vermoedelijk vanop afstand gereset bleken te zijn door onbekenden; - in het licht van de totaliteit van de dossiergegevens staat vast dat het appar-tement aan ... te Merksem dienstig was voor de wer¬king van de vereni-ging/criminele organisatie en dat van daaruit de pogingen tot uithalingen van nabij konden worden opgevolgd; - er kan dan ook niet worden betwijfeld dat de eiser VII heeft deelgenomen aan de organisatie van de invoer en de pogingen tot bezit van de partij cocaïne; - de in het arrest vermelde elementen, in hun onderlinge samenhang beoor-deeld, leiden tot het besluit dat de eiser VII zodanige hulp of bijstand in de zin van artikel 66 Strafwetboek heeft verleend dat de misdrijven van invoer van de partij cocaïne en van de poging tot bezit van deze partij zonder zijn bij-stand niet hadden kunnen worden verleend zoals ze in concreto hebben plaatsgevonden; - de eiser VII maakt onmiskenbaar deel uit van een groep van personen die als het ware klaar stond om hand- en spandiensten te leveren om de invoer en de gerelateerde uithaling van de partij cocaïne te doen slagen; - er moet worden onderlijnd dat de voorafgaande toezegging door de eiser VII om mee te werken aan het misdrijf een essentiële hulp heeft opgeleverd voor het plegen van het misdrijf en die medewerking geen vrijblijvend gegeven was, maar een essentieel onderdeel van de gehele aan de orde zijnde drugtra-fiek, zonder dewelke de invoer, gelet op de op het spel staande financiële be-langen, door de leidende persoon of personen van de vereniging/criminele or-ganisatie zonder twijfel niet zou slagen; - er moet worden aangestipt dat een daad van deelneming die, zoals hier, de uitvoering van het hoofdmisdrijf voorafgaat haar strafbaar karakter ontleent aan het hoofdmisdrijf waardoor eenzelfde misdrijf of wanbedrijf wordt ge-pleegd en waarbij er op de datum van het hoofdmisdrijf geen nieuwe positieve daad van deelneming is vereist; - het oogmerk van de eiser VII om de vereniging in het bezit te doen komen van de partij cocaïne staat vast; - de eiser VII wist onmiskenbaar dat de feiten kaderden in de bedrijvigheid van een vereniging en schakelde zich met volle overtuiging in de werking van de vereniging in en dit met het oog op de uithaling van de in te voeren partij co-caïne; - de contacten gelegd door de eiser VII viseerden geenszins louter occasioneel overleg of hadden geenszins betrekking op toevallige of onvoorziene bijeen-komsten of gebeurtenissen, maar kaderden integendeel binnen de werking van een vereniging van personen, als een groep die op het geëigende ogenblik kon optreden. Uit het geheel van die redenen volgt dat de appelrechters oordelen dat de eiser VII voorafgaand aan zowel de invoer als de poging tot bezit van de partij cocaïne heeft toegezegd mee te werken aan zowel de invoer als de poging tot bezit en dat die toezegging de voor de strafbare deelneming vereiste voorafgaande en posi-tieve daad van deelneming oplevert, waarbij die toezegging werd gevolgd door diverse handelingen die de toezegging hebben uitgewerkt. Met die redenen be-antwoorden de appelrechters het verweer van de eiser VII ter zake en verant-woorden zij zijn schuldigverklaring als deelnemer aan de invoer van de partij cocaïne (telastlegging B.V.a.1) naar recht. De onderdelen kunnen niet worden aangenomen. Tweede middel in zijn geheel
  50. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht op tegen-spraak en het recht van verdediging: het arrest wijst het verzoek van de eiser VII tot het horen van de medebeklaagde Y. F. als getuige af, zonder te oordelen of daardoor het recht op een eerlijk proces van de eiser VII is miskend; de veroor-deling van de eiser VII is gegrond op verklaringen afgelegd door deze medebe-klaagde. Het tweede onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de arti-kelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest is niet naar recht gemo-tiveerd aangezien het het verweer van de eiser VII dat bij gebrek aan confrontatie met Y. F. diens verklaringen niet als bewijs in aanmerking kunnen worden ge-nomen, onbeantwoord laat.
  51. Het arrest (p. 174-179) beoordeelt het verzoek van de eiser XI tot het horen van de medebeklaagde Y. F., die een gelijkaardig verzoek heeft geformuleerd als de eiser VII. Het arrest wijst met een geheel van redenen dit verzoek af en oord-eelt gemotiveerd dat het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging van de eiser XI daardoor niet wordt miskend. Die redengeving geldt evenzeer met betrekking tot het gelijkaardig verzoek van de eiser VII. De eiser VII kende bijgevolg de redenen op grond waarvan het arrest oordeelt dat op zijn verzoek niet kon worden ingegaan.
  52. Gelet op die beoordeling diende het hof van beroep niet te antwoorden op het verweer dat de verklaringen van de medebeklaagde Y. F. niet als bewijs in aanmerking mochten worden genomen.
  53. Het middel kan in zijn beide onderdelen niet worden aangenomen. Derde middel Eerste onderdeel
  54. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest beslist tot opsplitsing en heromschrijving van het onder de telastlegging B.V.a vervolgde feit van invoer en bezit van verdovende middelen en veroordeelt de eiser VII voor twee afzonderlijke feiten van eens-deels het voltrokken misdrijf van invoer en anderdeels de strafbare poging tot bezit; het arrest verzwaart eisers toestand door hem te veroordelen voor twee aparte telastleggingen, terwijl het beroepen vonnis voor datzelfde feit de eiser VII slechts heeft veroordeeld voor één enkel voltooid misdrijf; dit is geen herkwalificatie van één enkel feit, aangezien één enkel feit niet kan bestaan uit zowel een voltrokken misdrijf als uit een gepoogd misdrijf; de doorgevoerde wijziging is niet mogelijk zonder een aanvullende aanhangigmaking, wat in ho-ger beroep niet voor het eerst kan.
  55. Het vonnisgerecht in politie- of in correctionele zaken moet aan de ten las-te gelegde feiten de juiste misdrijfomschrijving geven en daartoe met eerbiedi-ging van het recht van verdediging de oorspronkelijke omschrijving verbeteren, aanvullen of vervangen. Die verplichting geldt ook voor het appelgerecht.
  56. De rechter die uitspraak doet over bij hem aanhangige feiten waaraan slechts één misdrijfomschrijving is gegeven, kan aan die ene misdrijfomschrij-ving desgevallend één of meerdere misdrijfomschrijvingen toevoegen. Aange-zien een dergelijke toevoeging tot een bijkomende schuldigverklaring aan een misdrijf kan leiden, vereist dit een aanvullende aanhangigmaking. Dat laatste is evenwel in hoger beroep uitgesloten, zodat het appelgerecht voor de bij haar aanhangige feiten geen misdrijfomschrijving kan toevoegen en dus niet tot een ontdubbeling van de misdrijfomschrijving kan overgaan.
  57. Wanneer daarentegen een telastlegging is omschreven in de bewoordingen van een wetsbepaling die verschillende van elkaar te onderscheiden gedragingen strafbaar stelt, belet het voorgaande het appelgerecht niet om te oordelen dat slechts bepaalde van die gedragingen bij het vonnisgerecht aanhangig zijn ge-maakt en de aanhangige gedragingen afzonderlijk te omschrijven en die of be-paalde ervan te heromschrijven van een voltrokken misdrijf naar een strafbare poging. Daarmee voegt het appelgerecht geen misdrijfomschrijving toe of ont-dubbelt het de initiële misdrijfomschrijving niet en verzwaart het evenmin de toestand van de beklaagde. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  58. De eiser VII werd door het onderzoeksgerecht verwezen naar de correctio-nele rechtbank voor onder meer de telastlegging B.V.a van de zaak III, omschre-ven zijnde als dader of mededader, cocaïne te hebben ingevoerd, onder bezwa-rende titel of om niet vervaardigd, in bezit gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft, ten aanzien van een hoeveelheid van 467,460 kilo-gram, tussen 1 september 2014 en 10 september 2014, meermaals, op niet nader te bepalen data, onder meer op 6 oktober 2014, op 7 oktober 2014, op 8 oktober 2014 en op 9 oktober
  59. Het arrest (p. 190-191) past deze initiële misdrijfomschrijving aan, met behoud van de omstandigheid dat het misdrijf een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, en verdeelt ze onder in: - B.V.a.1: op 5 oktober 2014, namelijk de invoer van cocaïne; - B.V.a.2: op 6 oktober 2014, op 7 oktober 2014, op 8 oktober 2014 en op 9 ok-tober 2014, namelijk poging tot bezit van cocaïne. Een dergelijke aanpassing van de initiële misdrijfomschrijving is niet strijdig met de in het onderdeel als geschonden aangevoerde wetsbepalingen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  60. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart de toestand van de eiser VII door de te-lastlegging B.V.a van de zaak III op te splitsen in twee afzonderlijke feiten, na-melijk een voltrokken misdrijf en een poging tot een misdrijf: het arrest kon dit niet aangezien het openbaar ministerie geen grieven heeft aangevoerd in verband met de schuld of de kwalificatie van deze telastlegging.
  61. Uit het antwoord op het eerste onderdeel volgt dat de geviseerde aanpas-sing van de telastlegging B.V.a geen verzwaring inhoudt van de toestand van de eiser VII. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Middel van de eiser VIII.1
  62. Het middel voert schending aan van artikel 66 Strafwetboek, artikel 2bis Drugwet en de artikelen 6, § 1, 50 en 61 van het koninklijk besluit van 6 septem-ber 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen: het arrest verklaart de eiser VIII.1 ten onrechte schuldig als deelnemer aan het feit van de telastlegging B.IV; de door het arrest, deels met overname van de mo-tieven van het beroepen vonnis, vastgestelde feitelijke elementen hebben in we-zen allen betrekking op de vaststelling dat de eiser VIII.1 op drie tijdstippen na-melijk 12 juli 2014, 21 juli 2014 en 18 oktober 2014 contacten had met andere beklaagden; deze contacten zijn niet voldoende om een daad van deelneming aan het betrokken drugmisdrijf te verantwoorden; het arrest stelt weliswaar vast dat deze ontmoetingen betrekking hebben op het uithalen van de cocaïne, maar het stelt op geen enkele wijze vast welke de inbreng van de eiser VIII.1 bij deze con-tacten is geweest noch welke daad van deelneming de eiser VIII.1 zou hebben ge-steld.
  63. Het arrest stelt vast dat de eiser VIII.1 samen met de eiser XI de nodige contacten legde en afspraken maakte met personen die onmiskenbaar een zekere specialisatie hadden in het opzetten van de uithaling van partijen cocaïne uit de Antwerpse haven. Het verwijst daarbij naar niet-toevallige ontmoetingen van 12 en 21 juli 2014 die voorafgaan aan het feit van 10 augustus
  64. Het neemt aan dat deze contacten betrekking hadden op het drugtransport van 10 augustus 2014 en het steunt dat oordeel op de overweging dat de uitleg die de eiser VIII.1 daar-voor heeft volstrekt ongeloofwaardig is, de identiteit van de personen met wie de eiser VIII.1 contact had en het tijdstip van die contacten. In zoverre het middel opkomt tegen die beoordeling van feiten, is het niet ont-vankelijk.
  65. De rechter oordeelt onaantastbaar of een bepaalde handeling te beschou-wen is als een positieve daad van deelneming. Het Hof gaat enkel na of de rech-ter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. Het arrest kan wel degelijk het leggen van de nodige con-tacten en het maken van afspraken met personen die betrokken zijn bij de invoer en de uithaling van cocaïne en dit voorafgaand aan die invoer en uithaling aan-merken als een positieve daad van deelneming aan dat misdrijf. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser IX
  66. Het middel heeft dezelfde strekking als het derde middel, eerste onderdeel van de eiser VII. Het moet om de in het antwoord op dat middel vermelde rede-nen worden verworpen. Middelen van de eiser X Eerste en tweede middel in hun geheel
  67. Het eerste middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser X tot een geld-boete, met een algemene en voor alle beklaagden geldende motivering dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen moe-ten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; deze motivering is niet voldoende geïndividualiseerd en niet voldoende nauwkeurig. Het tweede middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest mo-tiveert onduidelijk en onnauwkeurig de aan de eiser X opgelegde geldboete, de enkele reden dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en de beklaagden moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, is een stereotype formule die niet volstaat; de appelrechters motiveren niet waarom naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete diende te worden opgelegd.
  68. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het recht-vaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  69. Geen wetsbepaling vereist dat de rechter die meerdere beklaagden elk tot een geldboete veroordeelt voor elke veroordeling telkens een afzonderlijke mo-tivering verstrekt. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is voor alle beklaagden die tot een geldboete worden veroordeeld, doet geen af-breuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
  70. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser X opgelegde bestraf-fing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), zijn strafrechtelijk verleden (blanco strafregister) (p. 259), zijn leeftijd, persoon-lijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oordeelt dat hem gelet op die elementen en ter ver-mijding van recidive een effectieve hoofdgevangenisstraf van 12 jaar en een geldboete van 40.000 euro moet worden opgelegd (p. 267) en het vermeldt dat de geldboete tot doel heeft de eiser X te raken in zijn vermogen en hem te doen in-zien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 288). Met die redenen motiveren de appelrechters zonder enige onduidelijkheid maar op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser X opgelegde geldboe-te en de maat ervan. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Middelen van de eiser XI Eerste middel van de eerste memorie
  71. Het middel voert schending aan van de artikelen 1 en 324ter Strafwetboek en de artikelen 179, 216novies en 227 Wetboek van Strafvordering: de appel-rechters laten ten onrechte na hun onbevoegdheid vast te stellen voor de feiten van de heromschreven telastlegging K.II en de daarmee samenhangende telast-leggingen; in de verwijzingsbeschikking van de raadkamer werden de feiten van de telastlegging K.II omschreven als de deelname aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie, wat een wanbedrijf is, zodat de raadkamer geen verzachtende omstandigheden heeft aangenomen; het arrest heromschrijft voor wat betreft de eiser XI de feiten van de telastlegging K.II als de deelname aan een criminele organisatie door een lei-dend persoon, wat een misdaad is; uit geen enkel stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de appelrechters voor die heromschreven telastlegging K.II verzachtende omstandigheden aannemen.
  72. Bij beschikking van de raadkamer van 7 juni 2016 werd de eiser XI naar de correctionele rechtbank verwezen voor de feiten der telastleggingen A.I, A.II, C.I, C.II en C.III, K.II en L van de zaak III. De feiten van de telastlegging K.II wa-ren omschreven als deelname aan de voorbereiding of de uitvoering van enige geoorloofde activiteit van een criminele organisatie, zoals bepaald in artikel 324ter, § 2, Strafwetboek, zijnde een wanbedrijf. Het arrest heromschrijft de fei-ten van de telastlegging K.II wat betreft de eiser XI als deelname aan een crimi-nele organisatie door een leidend persoon, zoals bepaald in artikel 324ter, § 4, Strafwetboek, zijnde een misdaad.
  73. Het hof van beroep kon van die misdaad enkel kennis nemen door krach-tens artikel 3, derde lid, Wet Verzachtende omstandigheden verzachtende om-standigheden aan te nemen.
  74. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het hof van beroep voor de feiten van de heromschreven telastlegging K.II verzachtende omstandigheden heeft aangenomen. De appelrechters waren bijgevolg onbe-voegd om van deze feiten en van de daarmee samenhangende feiten der telast-leggingen A.I, A.II, C.I, C.II, C.III en L van de zaak III die met eenzelfde akte aanhangig waren gemaakt, kennis te nemen. Het middel is gegrond. Overige middelen
  75. Het tweede tot en met het vierde middel van de eerste memorie en de twee middelen van de tweede memorie, die niet tot een cassatie zonder verwijzing kunnen leiden, behoeven geen antwoord. Middelen van de eiser XII.2 en XII.3 Eerste middel
  76. Het middel voert schending aan van artikel 61, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het verbod op auto-saisine voor de onderzoeksrechter: het arrest oordeelt ten onrech-te dat de onderzoeksrechter zijn saisine niet heeft overschreden en dat hij zonder enige begrenzing was gevat voor feiten die inbreuken op de drugwetgeving be-troffen; er kan niet worden aangenomen dat de onderzoeksrechter nog verdere onderzoeksdaden mocht bevelen betreffende feiten waarvoor hijzelf had ge-vraagd een andere onderzoeksrechter te adiëren; de onderzoeksrechter was enkel gevat voor de feiten die door het arrest werden aangeduid als de zaak III en hij kon dan ook geen onderzoeksdaden bevelen betreffende andere groeperingen die zich op geheel eigen wijze zouden bezighouden met de invoer van verdovende middelen.
  77. Het staat aan de rechter om op basis van de bewoordingen van de vordering van het openbaar ministerie en in het licht van de daarbij gevoegde stukken te bepalen welke feiten het voorwerp zijn van het door de onderzoeksrechter ge-voerde onderzoek. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar.
  78. Met een geheel van eigen en van het beroepen vonnis (folio's 67 tot 70) overgenomen redenen (p. 160-163) oordeelt het arrest dat de onderzoeksrechter zijn saisine niet heeft overschreden, dat de betwiste onderzoeksmaatregelen ver-band hielden met het onderzoek naar de feiten die deel uitmaakten van de gehele activiteit van de criminele organisatie die het openbaar ministerie bedoelde in zijn vordering tot het instellen van een gerechtelijk onderzoek en dat het enkele feit dat de onderzoeksrechter opdracht gaf aan de federale politie om nieuwe aanvankelijke processen-verbaal op te stellen die aanleiding gaven tot nieuwe gerechtelijke onderzoeken niet inhoudt dat de onderzoeksrechter zijn saisine heeft overschreden bij het verder onderzoek naar de criminele organisatie waar-mee hij was geadieerd. Het middel dat opkomt tegen deze beoordeling of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede middel
  79. Het middel voert schending aan van artikel 28bis, § 2, Wetboek van Straf-vordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat niet wordt aannemelijk gemaakt dat de in het initieel proces-verbaal opgenomen informatie op onrechtmatige wijze is verkregen; die informatie betreffende de betrokkenheid van D. C. bij in-voer van verdovende middelen en het telefoonnummer dat hij zou gebruiken, kan enkel via een vorm van telefonie-onderzoek zijn verkregen; er werd dus in dit onderzoek zonder schriftelijke toestemming van de procureur des Konings pro actief onderzocht, opgespoord en gegevens verzameld; deze onderzoeksdaden zijn niet verantwoord op grond van een specifiek in tijd en ruimte gesitueerd misdrijf.
  80. Het staat aan de rechter te oordelen of een beklaagde erin slaagt zijn bewe-ring dat gegevens die als inlichting worden gebruikt onrechtmatig zijn verkregen aannemelijk maakt. Hij oordeelt daarover onaantastbaar.
  81. Het arrest (p. 154-156) oordeelt dat niet aannemelijk wordt gemaakt dat de informatie in het aanvankelijk proces-verbaal, die enkel als inlichting in aan-merking wordt genomen om het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze verder bewijzen te verzamelen, op onrechtma-tige wijze is verkregen. Het middel dat geheel opkomt tegen deze beoordeling van feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Derde middel van de eiser XII.2
  82. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet op concrete wijze eisers verzoek tot afwijzing van de vordering om de door de eerste rechter opgelegde straf te bevestigen; het arrest motiveert niet op concrete wijze waar-om de gevangenisstraf van vier jaar geen voldoende beteugeling is en er derhalve de noodzaak bestond om de straf te verzwaren.
  83. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser XII.2 opgelegde be-straffing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), het gegeven dat hij zich ook aan handel in hormonale producten heeft schuldig gemaakt en verboden of vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden had (p. 257), zijn strafrechtelijk verleden (vier veroordelingen inzake verkeer en één veroordeling in correctionele zaken die betrekking had op het toebrengen van opzettelijke slagen aan zijn (ex-)partner) wat wijst op een duidelijk gebrek aan normbesef en een asociale persoonlijkheid (p. 261-262), zijn leeftijd, per-soonlijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oordeelt verder dat het bevestigen van de door de eerste rechter opgelegde straf, zoals gevraagd door de eiser XII.2, een onvol-doende krachtig maatschappelijk signaal zou inhouden op deze feiten en hem onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van zijn handelen. Gelet op die elementen veroordeelt het arrest hem tot vijf jaar gevangenisstraf en een geld-boete van 5.000 euro, waarbij wordt vastgesteld dat enkel een substantiële en ef-fectieve hoofdgevangenisstraf van aard is om de eiser XII.2 het absoluut ontoe-laatbare van zijn handelen te doen inzien en aldus recidive te vermijden. Aldus vermelden de appelrechters op concrete wijze waarom een strafverzwaring noodzakelijk is. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser XII.3
  84. Het middel voert schending aan van de artikelen 51, 53 en 66 Strafwet-boek, artikel 2bis Drugwet en artikel 61, § 1, van het koninklijk besluit van 6 september 2017 houdende regeling van verdovende middelen en psychotrope stoffen, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat poging tot deelneming niet strafbaar is: het arrest verklaart de eiser XII.3 ten onrechte schuldig aan de poging tot deelneming aan de invoer van cocaïne (telastlegging C.VI); het oordeelt dat de eiser XII.3 met een binnenvaartschip zou aanmeren naast een zeeschip, zodat de uithaling kon plaatsvinden; het misdrijf van invoer van verdovende middelen is echter niet voltrokken; het zeeschip is nooit toege-komen in Antwerpen, het binnenvaartschip van de eiser XII.3 is nooit aange-meerd naast het zeeschip en er is nooit een uithaling van cocaïne gebeurd; om een begin van uitvoering vast te stellen moest minstens het zeeschip zijn aange-meerd in de haven van Antwerpen; er kan niet worden aangenomen dat de eiser XII.3 middelen heeft aangewend die hij heeft verschaft of klaargelegd of in ge-reedheid heeft gebracht om een uithaling van cocaïne te organiseren.
  85. Het arrest verklaart de eiser XII.3 met de telastlegging C.VI niet schuldig aan een poging tot deelneming aan de invoer van cocaïne, maar wel als deelne-mer aan een poging tot invoer van cocaïne met de verzwarende omstandigheid dat de feiten een daad van deelneming uitmaken aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. Het middel dat geheel berust op die onjuiste lezing van het arrest, mist feitelijke grondslag. Vierde middel van de eiser XII.3
  86. Het middel voert schending aan van de artikelen 324bis en 324ter Straf-wetboek: het arrest verklaart de eiser XII.3 schuldig aan deelneming aan een criminele organisatie, die gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, lis-tige kunstgrepen of corruptie en het motiveert deze schuldigverklaring met de redenen dat de organisatie gebruik maakte van een ervaren binnenschipper en dat er werd gecommuniceerd via beveiligde kanalen, zonder evenwel aan te duiden op welke manier de eiser XII.3 of andere leden van diezelfde organisatie gebruik hebben gemaakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of cor-ruptie.
  87. Het arrest veroordeelt de eiser XII.3 voor de telastleggingen C.VI, D.XII, E.III en F.II van de zaak II tot een hoofdgevangenisstraf van vijf jaar en een geld-boete van 6.000 euro. Deze straffen zijn naar recht verantwoord door de bewezen verklaarde telastleggingen C.VI, E.III en F.II van de zaak II, zodat het middel dat uitsluitend betrekking heeft op de telastlegging D.XII niet tot cassatie kan leiden en bijgevolg niet ontvankelijk is. Middelen van de eiser XII.4 Eerste middel
  88. Het middel voert schending aan van de artikelen 12, tweede lid, 14 en 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, alsmede mis-kenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende individualisering van de toe-passing van de strafwet: het arrest veroordeelt de eiser XII.4 wegens lidmaat-schap aan een criminele organisatie waarvan het op algemene wijze de bestand-delen vaststelt, maar het motiveert op geen enkele manier concreet wat zijn bij-drage en specifieke rol is; het arrest verwijst naar de redenen van het beroepen vonnis maar gaat daarbij niet in op de mondeling ter rechtszitting verstrekte in-formatie; zowel uit de redenen van het beroepen vonnis als uit het proces-verbaal PV009874/2014 van 22 mei 2014 blijkt dat de telefoon van de eiser XII.4 niet door hem werd gebruikt.
  89. De artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet zijn vreemd aan de aange-voerde grief. In zoverre faalt het middel naar recht.
  90. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  91. Artikel 149 Grondwet en artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvorde-ring verplichten de rechter die een in bewoordingen van de strafwet omschreven telastlegging van criminele organisatie bewezen verklaart niet om concreet te motiveren wat de bijdrage en de specifieke rol is van de beklaagde in die organi-satie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  92. Het arrest (p. 246-251) grondt de schuldigverklaring van de eiser XII.4 op een geheel van eigen redenen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen (folio 74-75 en 114). Het oordeelt daarbij onder meer dat: - uit het strafonderzoek is gebleken dat de eisers VI en XV in het kader van hun dubieuze activiteiten geregeld contact onderhielden met de eiser XII.2 en met de oorspronkelijk medebeklaagde D. C.; - de eiser XII.2, de medebeklaagde D. C. en de eiser XII.4 vrienden zijn; - uit de gecapteerde communicaties duidelijk blijkt dat - ook al werd er op ver-doken wijze gecommuniceerd of codetaal gebruikt - zij als groep bereid wa-ren om zo gevraagd hun medewerking te verlenen aan de uithaling van partij-en verdovende middelen uit de haven; - de gecapteerde gesprekken en berichten uitwijzen dat met het oog op de uitha-ling van een partij verdovende middelen die was gepland op 18 mei 2014 minstens D. C. en de eisers XII.2, XII.4 en V klaar stonden om in actie te schieten; - elk deelnemer waaronder de eisers XI, XII.4 en V zich met kennis van zaken inschreven in de criminele logica van de criminele organisatie en een bijdrage leverde tot de werking en de oogmerken ervan; - het voor het hof van beroep vaststaat dat de op 16, 17 en 18 mei 2014 gecap-teerde communicaties tussen de eiser V, de eiser XII.4 en D. C. betrekking hadden op de voorbereiding van de uithaling van een partij cocaïne, waarbij de betrokkenen een verdoken taalgebruik of codetaal hebben aangewend. Daaruit blijkt dat het arrest wel degelijk concrete elementen vermeldt die de ap-pelrechters hebben doen besluiten tot de schuldigverklaring van de eiser XII.4 aan de bedoelde telastlegging. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
  93. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het arrest motiveert niet de afwijzing van eisers verzoek tot het opleggen van een werkstraf, waarvoor nochtans een bijzondere motiveringsplicht geldt; het motiveert evenmin waarom een verdubbeling van de straf van drie jaar naar zes jaar gepast is; algemene redenen en standaardformuleringen volstaan niet.
  94. De appelrechters moeten de door hen uitgesproken straffen motiveren. Zij moeten niet motiveren waarom zij anders straffen dan de eerste rechter. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  95. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken, zijn be-slissing met redenen moet omkleden. De rechter kan dit doen door de vermel-ding van de redenen om een andere straf of andere straffen dan een werkstraf op te leggen.
  96. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser XII.4 opgelegde be-straffing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), het gegeven dat hij zich ook aan handel in hormonale producten heeft schuldig gemaakt (p. 257), zijn strafrechtelijk verleden (meerdere veroordelin-gen inzake verkeer, zes veroordelingen in correctionele zaken die betrekking hebben op eigendoms- en geweldsdelicten, inbreuken op de wapenwet, de drug-wet en deelneming aan een criminele organisatie) wat wijst op een duidelijk ge-brek aan normbesef en een asociale persoonlijkheid (p. 262-263), de toestand van wettelijke herhaling waarin hij zich bevindt (p. 263), zijn leeftijd, persoon-lijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oor¬deelt dat hem gelet op die elementen en ter ver-mijding van recidive een effectieve hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geld-boete van 8.000 euro moet worden opgelegd (p. 285-286), waarbij wordt vastge-steld dat enkel een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf van aard is om de eiser XII.4 het absoluut ontoelaatbare van zijn handelen te doen inzien en aldus recidive te vermijden. Aldus vermelden de appelrechters zonder gebruik van standaardformuleringen maar op concrete en geïndividualiseerde wijze de redenen waarom aan de eiser XII.4 geen werkstraf kan worden opgelegd. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser XIII
  97. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest veroordeelt de eiser XIII tot een geldboe-te met een algemene en voor alle beklaagden geldende motivering dat de geld-boetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen moeten doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn; deze motivering voor het opleggen van de geldboete, die een facultatief karakter heeft, is niet voldoende geïndividualiseerd en niet voldoende nauwkeurig.
  98. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als de wet die aan zijn vrije beoordeling overlaat, een straf of maatregel uitspreekt. Het recht-vaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  99. Geen wetsbepaling vereist dat de rechter die meerdere beklaagden elk tot een geldboete veroordeelt voor elke veroordeling telkens een afzonderlijke mo-tivering verstrekt. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is voor alle beklaagden die tot een geldboete worden veroordeeld, doet geen af-breuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  100. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser XIII opgelegde bestraf-fing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), zijn strafrechtelijk verleden (één correctionele veroordeling wegens inbreuken op de wapenwet) wat wijst op een duidelijk gebrek aan normbesef (p. 259), zijn leeftijd, persoonlijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oordeelt dat hem gelet op die elementen en ter vermijding van recidive een effectieve hoofdgevangenisstraf van 6 jaar en een geldboete van 15.000 euro moet worden opgelegd (p. 273-274) en het ver-meldt dat de geldboete tot doel heeft de eiser te raken in zijn vermogen en hem te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 288). Met die redenen motiveren de appelrechters zonder enige onduidelijkheid maar op nauw-keurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser XIII opgeleg-de geldboete en de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middelen van de eiser XIV Eerste middel
  101. Het middel voert schending aan van artikel 37, § 1, en § 2, 3°, Wet Euro-pees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het specialiteitsbeginsel inza-ke uitlevering: het arrest veroordeelt de eiser XIV voor de telastleggingen C.IV en D.IV van zaak II, terwijl de eiser XIV niet kon worden vervolgd voor de feiten van de telastlegging C.IV, omdat het tegen hem uitgevaardigde Europees aan-houdingsbevel op basis waarvan hij vanuit Spanje werd overgeleverd deze feiten niet tot voorwerp had.
  102. Artikel 37 Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "§
  103. Een persoon overgeleverd op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door een Belgische rechterlijke autoriteit kan niet worden ver-volgd, veroordeeld of van zijn vrijheid worden benomen wegens een ander, voor zijn overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrek-king heeft. §
  104. Paragraaf 1 is niet van toepassing ingeval: (...) 3° de strafprocedure geen aanleiding geeft tot de toepassing van een maatregel die de individuele vrijheid van betrokkene beperkt; (...). Ingeval, buiten de gevallen bedoeld in het eerste lid, de onderzoeksrechter, de procureur des Konings of het gerecht de overgeleverde persoon naar gelang van het geval wenst te vervolgen, te veroordelen of van zijn vrijheid wenst te bene-men wegens een ander, voor de overlevering gepleegd strafbaar feit dan dat waarop de overlevering betrekking heeft, moet aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit een verzoek tot toestemming worden gericht, zulks samen met de gege-vens vermeld in artikel 2, § 4 en, eventueel, met een vertaling."
  105. Die bepalingen van de Wet Europees Aanhoudingsbevel zijn de transposi-tie in het interne recht van artikel 27, 2 en 3, c, van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudings-bevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten. Volgens die bepa-lingen betreft de vermelde uitzondering, zoals het Hof van Justitie van de Euro-pese Unie die uitlegt (arrest C-388/08 in de zaak Leymann en Pustovarov 1 de-cember 2008) een situatie waarin de strafvervolging niet leidt tot de toepassing van een maatregel die de persoonlijke vrijheid van de betrokkene beperkt. In het kader van die uitzondering kan een persoon dus worden vervolgd voor "enig an-der feit" dan dat welk de reden tot zijn overlevering is geweest, dat strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatre-gel, zonder dat de toestemmingsprocedure hoeft te worden gevolgd, op voor-waarde dat tijdens de strafvervolging geen vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd. Indien die persoon echter wordt veroordeeld tot een vrijheidsbeper-kende straf of maatregel, kan die straf pas worden uitgevoerd indien toestem-ming is verleend. Hieruit volgt dat de enkele veroordeling tot een gevangenis-straf nog geen maatregel is die de individuele vrijheid beperkt als bedoeld in ar-tikel 37, § 2, 3°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  106. Het arrest kan dan ook kennis nemen van de tegen de eiser XIV ingestelde strafvordering voor de feiten van de telastleggingen C.IV en D.IV en hem voor die feiten samen onder meer veroordelen tot een gevangenisstraf van vijf jaar. Die beslissingen zijn naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  107. Het arrest beveelt evenwel ook de onmiddellijke aanhouding van de eiser XIV. Die beslissing strekt ertoe te verhinderen dat de betrokkene zich onttrekt aan de uitvoering van de bevolen vrijheidsstraf. Nu blijkt dat deze maatregel niet kon worden bevolen zonder de vervolging van de eiser XIV voor het feit van de telastlegging C.IV en evenmin blijkt dat de eiser XIV wat betreft dat feit afstand heeft gedaan van het specialiteitsbeginsel of dat de uitvoerende gerechtelijke au-toriteit voor de vervolging van dit feit toestemming heeft gegeven, is die beslis-sing niet naar recht verantwoord. In zoverre is het middel gegrond. Tweede middel
  108. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet op geïndividualiseerde wijze waarom het de eiser XIV ook tot een geldboete ver-oordeelt, terwijl die geldboete een facultatief karakter heeft; de overweging dat de geldboetes tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn, volstaat daartoe niet.
  109. Krachtens artikel 195, tweede lid, eerste en tweede zin, Wetboek van Strafvordering, dat op grond van artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op het hof van beroep, vermeldt het vonnis nauwkeurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen waarom de rechter, als hij daartoe de vrije beoordeling heeft, een straf of maatregel uitspreekt. Het rechtvaardigt bovendien de strafmaat voor elke uitgesproken straf of maatregel.
  110. Geen wetsbepaling vereist dat de rechter die meerdere beklaagden elk tot een geldboete veroordeelt voor elke veroordeling telkens een afzonderlijke mo-tivering verstrekt. Een gemeenschappelijke motivering die van toepassing is voor alle beklaagden die tot een geldboete worden veroordeeld, doet geen af-breuk aan het principe van de individualisering van de bestraffing. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  111. Het arrest houdt bij de bepaling van de aan de eiser XIV opgelegde bestraf-fing rekening met de ernst van de gepleegde feiten en zijn rol daarin (p. 258), zijn blanco strafrechtelijk verleden (p. 258), zijn leeftijd, persoonlijke, financiële en sociale toestand en persoonlijkheid zoals die blijkt uit het strafdossier en de behandeling op de rechtszitting (p. 264) en het tijdsverloop sinds de feiten (p. 264). Het oordeelt dat hem gelet op die elementen en ter vermijding van recidive een effectieve hoofdgevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 5.000 euro moet worden opgelegd (p. 268-269) en het vermeldt dat de geldboete tot doel heeft de eiser XIV te raken in zijn vermogen en hem te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn (p. 288). Met die redenen motiveren de appel-rechters op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze de keuze voor de aan de eiser XIV opgelegde geldboete en de maat ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  112. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhoudingen van de eisers I, II.2, II.3, III, IV, VI, VII, VIII.1, VIII.2, VIII.3, IX, X, XII.1, XII.2, XII.4, XIII en XV
  113. Ingevolge de hierna uit te spreken verwerping van de cassatieberoepen te-gen de beslissing op de strafvordering, verkrijgen deze beslissingen kracht van gewijsde. In zoverre de cassatieberoepen zijn gericht tegen de beslissingen waar-bij de onmiddellijke aanhouding wordt bevolen, hebben zij derhalve geen be-staansreden meer. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het: - de onmiddellijke aanhouding beveelt van de eiser II.1 en de eiser XIV; - uitspraak doet over de tegen de eiser XI ingestelde strafvordering. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eiser I, II.2, II.3, III, IV, V, VI, VII, VIII.1, VIII.2, V.III.3, IX, X, XII.1, XII.2, XII.3, XII.4, XIII, en XV tot de kosten van hun cassatieberoep. Veroordeelt de eisers II.1 en XIV elk tot zeven achtsten van de kosten van hun cassatieberoep. Laat een achtste van de kosten van de cassatieberoepen van de eisers II.1 en XIV ten laste van de Staat. Houdt de beslissing over de kosten van het cassatieberoep van de eiser XI aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing voor wat betreft de tegen de eisers II.1 en XIV bevolen onmiddellijke aanhouding. Verwijst de zaak voor wat betreft de beslissing over de tegen de eiser XI inge-stelde strafvordering naar het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, anders samengesteld. Bepaalt de kosten in het geheel op 3.466,03 euro, waarvan de eiser I, III, IV, V, VII, IX, X, XIII en XV elk 125,59 euro verschuldigd zijn, de eiser II.2 42,97 euro verschuldigd is, de eiser II.3 42,96 euro verschuldigd is, de eiser VI, VIII en XII elk 128,89 euro verschuldigd zijn, de eiser II.1 565,96 euro verschuldigd is, de eiser XI en XIV elk 648,58 euro verschuldigd zijn. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 7 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet, met bijstand van afgevaardigd griffier Ayse Birant. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211019.2N.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220622.2F.10 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230207.2N.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230425.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250122.2F.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260127.2N.18 precedenten: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210309.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210929.2F.7 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220301.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221011.2N.12 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230207.2N.8 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241029.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.