← België

AUTOMOTIVE GROUP D.O.O.E.L. contra EUROPESE UNIE

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.1 Rolnummer: C.19.0139.N Zaak: AUTOMOTIVE GROUP D.O.O.E.L. contra EUROPESE UNIE Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige - Unierecht Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 753 - laatst gezien 2026-06-29 06:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit artikel 19 Gerechtelijk Wetboek volgt dat de rechter zijn rechtsmacht overschrijdt indien hij uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen diezelfde partijen over dat geschilpunt een beslissing heeft gewezen en hij aldus zijn rechtsmacht daarover geheel heeft uitgeput

(1).
(1)Cass. 8 maart 2019, AR C.16.0130.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1, AC 2019, nr. 146; Zie Cass. 19 februari 2018, AR S.17.0052.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180219.3, AC 2018, nr. 105; Cass. 12 juni 2014, AR C.13.0465.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140612.8, AC 2014, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Taak van de rechter - Geschilpunt - Reeds gewezen vonnis in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: MACHTSOVERSCHRIJDING Vrije woorden: Taak van de rechter - Geschilpunt - Reeds gewezen vonnis in dezelfde zaak en tussen dezelfde partijen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste en tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Een intrekkingsbeslissing van een overeenkomst die uitgaat van een contracterende instelling, handelend als bestuursorgaan is een appellabel besluit in de zin van artikel 230, vierde lid EG-verdrag waarvan de nationale rechter, bij gebrek aan beroep bij het Hof van Justitie, de geldigheid niet meer kan beoordelen. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Algemeen Vrije woorden: Handelingen van de Europese instellingen - Afwezigheid van beroep bij het Hof van Justitie - Bevoegdheid van de nationale rechter - Omvang Wettelijke bepalingen: Verdrag EG/EU - 25-03-1957 - Art. 230, vierde lid - 38 Link Justel databank 19570325-38 Verdrag EG/EU - 25-03-1957 - zoals vervangen door art. 263 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0139.N AUTOMOTIVE GROUP D.O.O.E.L, vennootschap naar het recht van de Republiek Macedonië, met zetel te 1000 Skopje (Macedonische Republiek), Prvomajska 21, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen EUROPESE UNIE, vertegenwoordigd door de Europese Commissie, met kantoor te 1049 Brussel, Wetstraat 200, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/
  2. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 26 september
  3. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 23 oktober 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
  4. Krachtens artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Krachtens het tweede lid kan de rechter die zijn rechtsmacht over een geschilpunt heeft uitgeput, terzake niet meer worden geadieerd, behoudens de bij dit wetboek bepaalde uitzonderingen.
  5. Uit die bepaling volgt dat de rechter die uitspraak doet over een geschilpunt dat bij hem niet meer aanhangig is omdat hij reeds vroeger in dezelfde zaak en tussen diezelfde partijen over dat geschilpunt een beslissing heeft gewezen en aldus zijn rechtsmacht daarover geheel heeft uitgeput, zijn rechtsmacht overschrijdt.
  6. In het tussenarrest van 10 januari 2018 oordelen de appelrechters dat: - "het standpunt van [de verweerster] dat het aanbod werd ingetrokken wegens onregelmatigheden in de procedure, niet kan worden bijgetreden. De mogelijkheid tot intrekking van het aanbod, zoals opgenomen in artikel 24 van de "Instructies voor inschrijvers" en in artikel 103, § 1, Financieel Reglement, geldt enkel voor de aanbestedingsprocedure, met andere woorden zolang het contract niet tot stand is gekomen"; - "de intrekkingsbeslissing betreffende de aanbestedingsprocedure werd genomen op 13 februari 2009, terwijl het contract reeds tot stand was gekomen op 7 februari
  7. De intrekkingsbeslissing was dan ook zonder voorwerp. De zogenaamde intrekking maakt een eenzijdige verbreking van de overeenkomst uit"; - "[de eiseres] bijgevolg terecht stelt dat er geen reden was om de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 aan te vechten".
  8. De appelrechters oordelen aldus in het tussenarrest van 10 januari 2018 dat er geen reden meer was om de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009, gekwalificeerd als beslissing tot beëindiging van de aanbestedingsprocedure op grond van artikel 103, § 1, Financieel Reglement, voor het Hof van Justitie aan te vechten krachtens artikel 263 VWEU, aangezien er op 7 februari 2009 reeds een overeenkomst tot stand was gekomen die de aanbestedingsprocedure heeft beëindigd.
  9. In het arrest van 26 september 2018 oordelen de appelrechters dat: - "de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 een appellabel besluit is in de zin van artikel 263, vierde lid, VWEU" en "[de eiseres] geen beroep heeft ingesteld zoals voorzien in artikel 263 VWEU"; - "[de verweerster] terecht van oordeel is dat de geldigheid van de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009, die de overeenkomst met de eiseres beëindigde en waarbij aan de eiseres geen schadevergoeding werd toegekend, voor de nationale rechter thans niet meer in vraag kan worden gesteld"; "het hof gebonden is door de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 en niet meer kan oordelen over de vraag of artikel 103, § 2, Financieel Reglement al dan niet van toepassing is en evenmin over de vraag of [de eiseres] al dan niet aanspraak kan maken op enige schadevergoeding".
  10. De appelrechters oordelen aldus in het arrest van 26 september 2018 dat de eiseres de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009, gekwalificeerd als beslissing tot beëindiging van de reeds tot stand gekomen overeenkomst op grond van artikel 103, § 2, Financieel Reglement, wel voor het Hof van Justitie had dienen aan te vechten krachtens artikel 263 VWEU, zodat de nationale rechter, bij gebreke hiervan, niet meer over de geldigheid van die intrekking mag oordelen.
  11. Met dit oordeel doen de appelrechters geen uitspraak over een geschilpunt dat bij hen niet meer aanhangig was doordat zij dit reeds in het tussenarrest van 10 januari 2018 hadden beslecht, zodat zij hun rechtsmacht niet overschrijden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  12. Artikel 230 EG-Verdrag, zoals van toepassing op het geschil en zoals thans vervangen door artikel 263 VWEU, bepaalt in het eerste lid dat het Hof van Justitie de wettigheid nagaat van de handelingen van het Europees Parlement en de Raad gezamenlijk, van de handelingen van de Raad, van de Commissie en van de Europese Centrale Bank, voorzover het geen aanbevelingen of adviezen betreft, en van de handelingen van het Europees Parlement die beogen rechtsgevolgen ten aanzien van derden te hebben. Krachtens het vierde lid van voormelde bepaling kan iedere natuurlijke of rechtspersoon onder dezelfde voorwaarden beroep instellen tegen de tot hem gerichte beschikkingen, alsmede tegen beschikkingen die, hoewel genomen in de vorm van een verordening, of van een beschikking gericht tot een andere persoon, hem rechtstreeks en individueel raken. Krachtens het vijfde lid moet het in dit artikel bedoelde beroep worden ingesteld binnen twee maanden te rekenen, al naar gelang van het geval, vanaf de dag van bekendmaking van de handeling, vanaf de dag van kennisgeving aan de verzoeker of, bij gebreke daarvan, vanaf de dag waarop de verzoeker van de handeling kennis heeft gekregen.
  13. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 9 september 2015, C-506/13 P, Lito Maieftiko Gynaikologiko kai Cheirourgiko Kentro AE t. Europese Commissie geoordeeld dat "wanneer er sprake is van een overeenkomst tussen de verzoekende partij en één van de instellingen, slechts een beroep op grond van [voormelde bepaling] bij de rechterlijke instanties van de Unie aanhangig kan worden gemaakt indien de bestreden handeling beoogt bindende rechtsgevolgen teweeg te brengen die de contractuele verhouding tussen de partijen te buiten gaan en de uitoefening impliceren van bevoegdheden van openbaar gezag die aan de contracterende instelling handelend als bestuursorgaan zijn toegekend".
  14. De appelrechters oordelen in het arrest van 26 september 2018 dat: - de verweerster zich op artikel 103, § 2, Financieel Reglement beriep om de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 te verantwoorden, waarbij de aanbestedingsovereenkomst met de eiseres werd beëindigd wegens onregelmatigheden in de procedure; - deze bepaling aan de contracterende instellingen de wettelijke bevoegdheid toekent om een reeds tot stand gekomen aanbestedingsovereenkomst te beëindigen indien na de gunning van de opdracht blijkt dat de plaatsingsprocedure of de uitvoering van de opdracht gepaard zijn gegaan met wezenlijke fouten, onregelmatigheden of fraude; - de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 van EUPT Kosovo, optredend namens EULEX Kosovo, een handeling is van een orgaan of een instantie van de Unie die gericht is tot de eiseres en die haar rechtstreeks en individueel raakt.
  15. De appelrechters oordelen aldus dat de contracterende instelling, handelend als bestuursorgaan, met de intrekkingsbeslissing van 13 februari 2009 bevoegdheden van openbaar gezag heeft uitgeoefend en dat die beslissing bindende rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen die de contractuele verhouding tussen de partijen te buiten gaan. Door op die grond te oordelen dat deze beslissing een appellabel besluit is in de zin van artikel 230, vierde lid, EG-Verdrag en dat, nu de eiseres hiertegen geen beroep bij het Hof van Justitie heeft ingesteld krachtens de voormelde bepaling, de nationale rechter de geldigheid ervan niet meer kan beoordelen, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  16. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 240 EG-Verdrag en 274 VWEU is het afgeleid en derhalve niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 331,68 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140612.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180219.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190308.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.