← België

V. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.10 Rolnummer: C.18.0116.N Zaak: V. contra E. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 671 - laatst gezien 2026-06-28 07:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche Wanneer rechterlijke beslissingen betrekking hebben op een rechtsvordering ingesteld door een schuldeiser voor dezelfde schuld tegen onderscheiden hoofdelijke medeschuldenaren, kan de onverenigbaarheid in de zin van artikel 1133, 3° Gerechtelijk wetboek erin bestaan dat de beslissing gewezen op de vordering tegen de ene schuldenaar iedere rechtsgrond ontneemt aan de rechtsvordering tegen de andere. Thesaurus CAS: HERROEPING VAN HET GEWIJSDE Vrije woorden: Rechtsvordering van een schuldeiser tegen onderscheiden hoofdelijke medeschuldenaars wegens dezelfde schuld - Onverenigbare rechterlijke beslissingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1133, 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1208, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0116.N A. V. B., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen S. E., verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 juni

  1. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 16 augustus 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Eerste voorzitter Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
  2. Artikel 1133, 3°, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een verzoek tot herroeping van het gewijsde kan worden ingediend, indien tussen dezelfde partijen, handelend in dezelfde hoedanigheid, onverenigbare beslissingen zijn gewezen over hetzelfde onderwerp en op dezelfde grond.
  3. Krachtens artikel 1208, eerste lid, Burgerlijk Wetboek kan een hoofdelijke medeschuldenaar die door de schuldeiser wordt vervolgd alle excepties inroepen die uit de aard van de verbintenis voortvloeien. Onder deze excepties worden gerekend deze die het voortbestaan van de verbintenis betreffen, zoals de betaling. Een hoofdelijke schuldenaar mag te zijnen gunste het gezag van gewijsde van rechterlijke beslissingen gewezen tussen de schuldeiser en een medeschuldenaar inroepen waarin over een dergelijke exceptie werd geoordeeld.
  4. Uit het vorenstaande volgt dat wanneer de beslissingen betrekking hebben op een rechtsvordering ingesteld door een schuldeiser voor dezelfde schuld tegen onderscheiden hoofdelijke medeschuldenaren, de onverenigbaarheid in de zin van de wet erin kan bestaan dat de beslissing gewezen op de vordering tegen de ene schuldenaar iedere rechtsgrond ontneemt aan de rechtsvordering tegen de andere.
  5. Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat: - in een eerder geding het hof van beroep te Antwerpen in een arrest van 9 mei 2016 uitspraak heeft gedaan over de vordering van de verweerder tegen DS Construct nv, als met de eiseres "hoofdelijk" gehouden schuldenaar van het saldo van de overnameprijs van de bij overeenkomst van 19 maart 2007 aan de verweerder overgedragen aandelen, alsmede over de vordering van de verweerder tegen DS Construct nv en de eiseres tot uitvoering van "artikel 5.C van de overeenkomst". Dit arrest heeft de vordering tot betaling van de overnameprijs ongegrond verklaard om reden dat afdoende bewezen is "dat de verkoopprijs volledig werd betaald" omdat zulks blijkt "uit de ondertekening van de overdracht in het aandelenregister"; - in het later ingesteld geding het hof van beroep te Gent in een arrest van 8 september 2015 als beslagrechter, uitspraak heeft gedaan over de tenuitvoerlegging van een vonnis van 28 oktober 2009 waarbij de eiseres bij verstek veroordeeld werd ten aanzien van de verweerder tot betaling van de overnameprijs van de genoemde aandelenoverdracht. Dit arrest heeft het verzet tegen de gedwongen tenuitvoerlegging van dit vonnis afgewezen omdat de eiseres niet bewijst dat de overnameprijs werd voldaan aangezien "het aftekenen van het aandeelregister en de overdracht ervan [niet] impliceren dat [de eiseres] niets meer verschuldigd zou zijn"; - de eiseres een vordering heeft ingesteld tot herroeping van het gewijsde van het arrest van 8 september 2015 wegens tegenstrijdigheid met het arrest van 9 mei 2016; - het bestreden arrest deze vordering heeft afgewezen omdat in elk van beide zaken de gevorderde zaak niet dezelfde is en de vordering niet tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is.
  6. De appelrechters die oordelen dat de beslissingen niet onverenigbaar zijn omdat in het arrest van 9 mei 2016 de vordering tot betaling van het saldo van de overnameprijs enkel de vennootschap betrof en de vordering tegen de eiseres zelf enkel betrekking had op de uitvoering van artikel 5.C van de overeenkomst, terwijl het arrest van 8 september 2015 de vordering tot betaling van het saldo van de overnameprijs tegen de eiseres zelf betreft, derwijze dat "de in beide zaken de gevorderde zaak niet dezelfde is en de vordering niet tussen dezelfde partijen bestaat en door hen en tegen hen in dezelfde hoedanigheid gedaan is", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de betwisting daaromtrent over aan de feitenrechter. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de sectievoorzitters Eric Dirix en Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.