id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.11 Rolnummer: C.19.0119.N Zaak: SECRETARIAAT GENERAAL VAN DE RAAD VAN DE c. AXA BELGIUM Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2021-12-02 Raadplegingen: 520 - laatst gezien 2026-06-18 12:00 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Het regresrecht van de Unie op grond van subrogatie is beperkt tot de rechten die het slachtoffer zelf en zijn rechtverkrijgenden naar Belgisch recht hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar
(1).
(1)Art. 85bis, Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij EEG-Verordening nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALGEMEEN Vrije woorden: Statuut van ambtenaren van de Europese gemeenschappen - Arbeidsongeschiktheid - Door de Europese unie gedane uitkeringen - Regresrecht op grond van subrogatie - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen - 28-09-1972 - Art. 85bis Fiche 2 Een prejudiciële vraag die uitgaat van de verkeerde rechtsopvatting dat uit artikel 85bis Statuut blijkt dat de uitkeringen die de Unie heeft gedaan aan een arbeidsongeschikte ambtenaar diens schade vergoeden en deze schadelast definitief rust op de aansprakelijke en zijn verzekeraar, dient niet te worden gesteld
(1).
(1)Art. 85bis, Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, vastgesteld bij EEG-Verordening nr. 259/68 van de Raad van 29 februari
- Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie - Arbeidsongeschiktheid - Door de Europese unie gedane uitkeringen - Verkeerde rechtsopvatting - Gevolg Wettelijke bepalingen: Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen - 28-09-1972 - Art. 85bis Tekst van de beslissing Nr. C.19.0119.N SECRETARIAAT GENERAAL VAN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE, met kantoor te 1048 Brussel, Wetstraat 175, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, tegen AXA BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Troonplein 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.483.367, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 6 september 2018 op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 19 juni
- Advocaat-generaal André Van Ingelgem heeft op 1 oktober 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de eiser niet beschikt over een subrogatoir vorderingsrecht voor de aan een arbeidsongeschikte ambtenaar betaalde invaliditeitsuitkeringen, maar wel dat de subrogatoire vordering van de eiser ongegrond is omdat hij geen betalingen heeft verricht voor vergoedingen waarop het slachtoffer gerechtigd was ten aanzien van de verweerster of haar verzekerde. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Artikel 85bis Statuut van de ambtenaren van de Unie bepaalt: “
- Wanneer het overlijden, een ongeval of een ziekte van een in dit Statuut bedoelde persoon aan een derde is te wijten, treedt de Unie, voor zover er voor hen uit de schadebrengende gebeurtenis op grond van dit Statuut verplichtingen voortvloeien, van rechtswege in alle rechten en rechtsvorderingen van die persoon of zijn rechtsverkrijgenden ten aanzien van de aansprakelijke derde.
- De in lid 1 bedoelde subrogatie is met name van toepassing in de volgende gevallen: - de bezoldiging die overeenkomstig artikel 59 aan de ambtenaar gedurende zijn tijdelijke arbeidsongeschiktheid is uitbetaald, - de betalingen die overeenkomstig artikel 70 zijn verricht als gevolg van het overlijden van een ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar, - de uitkeringen en vergoedingen uit hoofde van de artikelen 72 en 73 en van de desbetreffende uitvoeringsbepalingen, betreffende de ziektekosten en ongevallenverzekering, - de vergoeding van de kosten van het vervoer van het stoffelijk overschot als bedoeld in artikel 75, - de uitbetaling van extra gezinstoelagen uit hoofde van artikel 67, lid 3, en artikel 2, lid 3 en lid 5, van bijlage VII, wegens een ernstige ziekte, gebrek of handicap van een kind ten laste, - de uitbetaling van invaliditeitsuitkeringen op grond van een ongeval of ziekte waardoor het de ambtenaar blijvend niet mogelijk is zijn werkzaamheden te verrichten, - de uitbetaling van overlevingspensioenen als gevolg van het overlijden van een ambtenaar of gewezen ambtenaar of het overlijden van de echtgenoot van een ambtenaar of gepensioneerd ambtenaar, die zelf geen ambtenaar of tijdelijk functionaris is, - de uitbetaling van wezenpensioenen zonder inachtneming van enige leeftijdsgrens ten behoeve van het kind van een ambtenaar of gewezen ambtenaar na diens overlijden wanneer dit kind ernstig ziek is of een gebrek of handicap heeft, waardoor het niet in zijn behoeften kan voorzien.
- De subrogatie van de Unie strekt zich evenwel niet uit tot de rechten op schadeloosstelling uit hoofde van strikt persoonlijke schade zoals met name schadeloosstelling wegens immateriële schade en smartegeld, alsmede dat deel van de schade wegens esthetisch verlies en gederfde levensvreugde dat het bedrag van de eventuele vergoeding uit hoofde van artikel 73 te boven gaat.
- Het bepaalde in de leden 1, 2 en 3 kan geen beletsel vormen voor het instellen van een rechtstreekse vordering van de kant van de Unie.”
- Bij zijn arrest van 9 september 2004, C-397/02, Clinique La Ramée, heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat artikel 85bis van het Statuut “geen wijziging brengt in de nationale regels volgens welke moet worden vastgesteld, of en in hoeverre de derde die de schade heeft veroorzaakt, aansprakelijk is. De aansprakelijkheid van de derde blijft onderworpen aan de materiële regels die de nationale rechter bij wie het slachtoffer de vordering instelt, normaliter moet toepassen, dat wil zeggen in beginsel aan de wettelijke regeling van de lidstaat op het grondgebied waarvan de schade is ontstaan”. Hieruit volgt dat het regresrecht van de Unie op grond van subrogatie beperkt is tot de rechten die het slachtoffer zelf en zijn rechtverkrijgenden naar Belgisch recht hadden kunnen laten gelden tegen de aansprakelijke en zijn verzekeraar.
- In zoverre het middel ervan uitgaat dat uit artikel 85bis Statuut blijkt dat de uitkeringen die de Unie heeft gedaan aan de arbeidsongeschikte ambtenaar diens schade vergoeden en deze schadelast definitief rust op de aansprakelijke en zijn verzekeraar, faalt het naar recht.
- De prejudiciële vraag die uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting, dient niet te worden gesteld. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. (…) Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div