id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 Rolnummer: C.19.0188.N Zaak: C. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 1302 - laatst gezien 2026-06-29 07:00 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: Publicatie in voorbereiding Fiche 1 Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, is enkel van toepassing op beslissingen die de rechter uitspreekt binnen dezelfde rechtspleging wat niet het geval is wanneer de rechter enerzijds uitspraak doet in het kader van een hoger beroep tegen een eindvonnis en anderzijds in het kader van een nadien, in een afzonderlijke procedure, ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Eindvonnis - Rechterlijke uitspraak in twee van elkaar te onderscheiden rechtsplegingen - Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 2 Artikel19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek, is enkel van toepassing op beslissingen die de rechter uitspreekt binnen dezelfde rechtspleging wat niet het geval is wanneer de rechter enerzijds uitspraak doet in het kader van een hoger beroep tegen een eindvonnis en anderzijds in het kader van een nadien, in een afzonderlijke procedure, ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Algemeen Vrije woorden: Hoger beroep tegen eindvonnis - Nadien ingesteld hoger beroep tegen tussenvonnis - Afzonderlijke rechtsplegingen - Artikel 19, eerste lid Gerechtelijk Wetboek - Toepassing Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 19, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Fiche 3 Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet enkel uit tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, maar ook tot hetgeen de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: RECHTERLIJK GEWIJSDE - GEZAG VAN GEWIJSDE - Burgerlijke zaken Vrije woorden: Gezag van het rechterlijk gewijsde - Omvang Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 23 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wet - 21-12-2018 - zoals van kracht voor de wijziging ervan bij - 09 ELI link Pub nr 2018015683 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0188.N
- A. R. C.,
- N. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen M. D., verweerster, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beslissing van 10 mei 2019 (nr. G.19.0076.N) vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 10 oktober
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 23 oktober 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Het is niet tegenstrijdig te oordelen, enerzijds, dat het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de vrederechter van 30 januari 2017 ontvankelijk is aangezien de appelrechter met zijn vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018, in het kader van het hoger beroep tegen het eindvonnis van de vrederechter van 19 juni 2017, zijn rechtsmacht niet heeft uitgeput inzake het bedrag van de maandelijks te betalen geïndexeerde huurprijs vanaf 1 oktober 2015 en, anderzijds, dat de appelrechter in zijn vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 voor de bepaling van het bedrag van de teveel betaalde huurgelden voor de periode van december 2015 tot en met augustus 2016, rekening heeft gehouden met een te indexeren basishuurprijs van 123,95 euro per maand. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- De appelrechter oordeelt dat "bij vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 werd geoordeeld dat - rekening houdend met een te indexeren basishuurprijs van 123,95 euro per maand - [de verweerster] slechts 2.324,11 euro verschuldigd was voor de periode van december 2015 tot en met augustus 2016" en dat "het door [de eisers] gevraagde bedrag boven de te indexeren basishuurprijs van 123,95 euro werd afgewezen als ongegrond".
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de rechter bij vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 zelf opnieuw uitspraak heeft gedaan over het bedrag van de te indexeren basishuurprijs. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Artikel 19, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat een vonnis een eindvonnis is in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.
- Die bepaling is enkel van toepassing op beslissingen die de rechter uitspreekt binnen het kader van dezelfde rechtspleging. Dat is niet het geval wanneer de rechter uitspraak doet, enerzijds, in het kader van een hoger beroep tegen een eindvonnis en, anderzijds, in het kader van een nadien in een afzonderlijke procedure ingesteld hoger beroep tegen een tussenvonnis. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van artikel 28 Gerechtelijk Wetboek, is het afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het gezag van het rechterlijk gewijsde strekt zich niet enkel uit tot hetgeen de rechter over een betwist punt heeft beslist, maar ook tot hetgeen, ingevolge het geschil dat voor de rechter was gebracht en waarover de partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gehad om tegenspraak te voeren, de noodzakelijke, zij het impliciete grondslag van zijn beslissing vormt.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de vrederechter bij tussenvonnis van 30 januari 2017 heeft beslist dat de te indexeren basishuurprijs 123,95 euro bedraagt, nu een verhoging tot 405 euro niet bewezen wordt; - de vrederechter bij eindvonnis van 19 juni 2017 heeft beslist dat de eisers, op basis van een te indexeren basishuurprijs van 123,95 euro, aan de verweerster een bedrag van 1260 euro aan teveel betaalde huurgelden moesten terugbetalen voor de periode van december 2015 tot en met augustus 2016; - de eisers uitsluitend hoger beroep hebben ingesteld tegen het eindvonnis van 19 juni 2017; - de eisers daadwerkelijk de mogelijkheid hebben gehad om ook hoger beroep in te stellen tegen het tussenvonnis van 30 januari 2017 en om in dat kader tegenspraak te voeren omtrent het daarin vastgestelde bedrag van de te indexeren basishuurprijs, maar dit niet hebben gedaan, ondanks de expliciete vraag hieromtrent ter zitting van 14 februari 2018; - de appelrechter bij vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 heeft geoordeeld dat hij gebonden is aan het gezag van gewijsde van het niet beroepen tussenvonnis van 30 januari 2017 betreffende het daarin vastgestelde bedrag van de te indexeren basishuurprijs, namelijk 123,95 euro, en de eisers, op basis van dit bedrag, aan de verweerster een bedrag van 1320,89 euro aan teveel betaalde huurgelden moesten terugbetalen voor de periode van december 2015 tot en met augustus 2016; - de eisers thans voor de appelrechter hoger beroep hebben ingesteld tegen het tussenvonnis van 30 januari 2017 betreffende het bedrag van de te betalen geïndexeerde huurprijs vanaf 1 oktober
- De appelrechter oordeelt dat het vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 gezag van gewijsde heeft, zodat hij thans niet meer anders kan oordelen betreffende het bedrag van de te betalen geïndexeerde huurprijs vanaf 1 oktober
- Door aldus te oordelen dat het gezag van gewijsde van het vonnis in hoger beroep van 14 maart 2018 zich ook uitstrekt tot het bedrag van de te indexeren basishuurprijs, dat de noodzakelijke grondslag uitmaakt van de beslissing tot terugbetaling aan de verweerster van de teveel betaalde huurgelden en waarover partijen de mogelijkheid hebben gehad om tegenspraak te voeren, doordat zij daadwerkelijk de kans hebben gehad om ook een hoger beroep in te stellen tegen het tussenvonnis van 30 januari 2017, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 639,39 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.8 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231130.1N.8 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250131.1N.9 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251120.1N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210423.1N.3 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220905.3N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div