id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.4 Rolnummer: C.19.0213.N Zaak: GREENPEACE BELGIUM VZW contra ELECRABEL NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 783 - laatst gezien 2026-06-28 10:40 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het louter tegen elkaar concluderen door partijen die niets van elkaar vorderen doet geen daadwerkelijke procesverhouding ontstaan; Hieraan wordt geen afbreuk gedaan doordat, ondanks de afwezigheid van een daadwerkelijke procesverhouding, ten onrechte een veroordeling tot de kosten wordt gevorderd of de rechter ten onrechte een der partijen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding veroordeelt. Thesaurus CAS: VORDERING IN RECHTE Vrije woorden: Concluderen zonder iets te vorderen - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 812, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: TUSSENKOMST Vrije woorden: Tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling - Ten onrechte vorderen van een veroordeling tot de kosten - Afwezigheid van daadwerkelijke procesverhouding - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 812, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0213.N GREENPEACE BELGIUM vzw, met zetel te 1030 Schaarbeek, Haachtsesteenweg 159, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0424.496.447, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen ELECTRABEL nv, met zetel te 1000 Brussel, Simon Bolivarlaan 34, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.170.701, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, mede inzake 1. BELGISCHE STAAT, f.o.d. ECONOMIE, KMO, MIDDENSTAND EN ENERGIE, vertegenwoordigd door de minister van Economie, met kantoor te 1000 Brussel, Hertogstraat 61, in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partij, 2. BELGISCHE STAAT, f.o.d. BINNENLANDSE ZAKEN, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 2, 3. FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR NUCLEAIRE CONTROLE, afgekort F.A.N.C., openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 Brussel, Ravensteinstraat 36, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0254.487.220, in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat 7. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 12 juni 2018. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 25 oktober 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen bij gerechtsdeurwaardersexploot van 9 december 2014 heeft gedagvaard om te verschijnen voor de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend zoals in kort geding, teneinde (
- i)hen, alvorens recht te doen, te horen veroordelen tot het organiseren van een milieu-effectrapportage en een grensoverschrijdend publiek consultatieproces met betrekking tot de levensduurverlenging van kernreactor Tihange 1 tot 1 oktober 2025, met dien verstande dat de organisatie van de milieu-effectrapportage en het grensoverschrijdend publiek consultatieproces diende te worden opgestart binnen de 24 uur na de betekening van de beschikking, dit onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per dag vertraging en dat de milieu-effectrapportage en het grensoverschrijdend publiek consultatieproces diende te worden afgerond ten laatste op 31 juli 2015, dit onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per dag vertraging; (
- ii)"de staking te bevelen van de exploitatie van kernreactor Tihange 1" op 1 oktober 2015 bij gebreke aan beslissing tot levensduurverlenging van Tihange 1 tot 1 oktober 2025 waarbij een milieu-effectrapportage en een grensoverschrijdende publieke consultatieprocedure werd betrokken, dit onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per dag vertraging vanaf 1 oktober 2015; (iii) de eiseres voorbehoud te verlenen haar vordering uit te breiden in het geval tijdens de procedure wordt besloten de levensduur van andere Belgische kernreactoren te verlengen zonder dat hieromtrent een milieu-effectrapportage en het grensoverschrijdend publiek consultatieproces werd georganiseerd; en (
- iv)hen te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding. - de verweerster bij verzoekschrift van 12 december 2014 verzocht vrijwillig in de zaak te kunnen tussenkomen; - de eiseres in haar synthesebesluiten van 23 februari 2015, waarin de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen worden aangeduid als ‘verwerende partijen' en de verweerster als ‘tussenkomende partij', haar vorderingen zoals geformuleerd in de dagvaarding van 9 december 2014 woordelijk overnam, zij het (
- i)dat zij haar vorderingen uitbreidde tot de kernreactoren Doel 1 en Doel 2 en (
- ii)dat zij verzocht zowel de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen als de verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, "gelet op het feit dat [de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen] en [de verweerster] ieder afzonderlijk uitvoerig hebben geconcludeerd"; - de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend zoals in kort geding, bij vonnis van 1 juni 2015 (
- i)akte verleende aan de verweerster van haar vrijwillige tussenkomst, (
- ii)de vordering van de eiseres afwees als onontvankelijk en (iii) de eiseres veroordeelde tot de kosten van de procedure, begroot op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding voor de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen en voor de verweerster; - de eiseres bij verzoekschrift van 2 september 2015, waarin de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen worden aangeduid als ‘geïntimeerden' en de verweerster als ‘tussenkomende partij', hoger beroep aantekende tegen voormeld vonnis, waarbij zij vorderde dat het vonnis zou worden teniet gedaan en vervolgens, opnieuw rechtdoende, (
- i)"de staking te bevelen van de exploitatie, minstens van de industriële elektriciteitsprocedure door splijting van kernbrandstoffen" van de kernreactoren Tihange 1, Doel 2 en Doel 1, bij gebreke aan beslissing tot levensduurverlenging waarbij een milieueffectrapportage en een grensoverschrijdend publiek consultatieproces werd betrokken, dit onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per dag vertraging en dit tot de dag dat de beschikking wordt nageleefd, en (
- ii)de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen en de verweerster elk afzonderlijk te veroordelen tot de kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding, "gelet op het feit dat [de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen] en [de verweerster] ieder afzonderlijk uitvoerig hebben geconcludeerd"; - de eiseres, na advies van het openbaar ministerie van 24 januari 2017, voor het eerst in haar tweede syntheseappelconclusie van 16 maart 2017 vorderde "aan [de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen] en [de verweerster] de staking te bevelen van de exploitatie, minstens van de industriële elektriciteitsproductie door splijting van kernbrandstoffen" van de kernreactoren Tihange 1, Doel 2 en Doel 1. 2. Aldus geven de appelrechters die oordelen dat (
- i)de eiseres voor de eerste rechter geen vordering tegen de verweerster heeft ingesteld; (
- ii)artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, dat tussenkomsten tot het verkrijgen van een veroordeling verbiedt wanneer zij voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep, uitsluit dat een partij die in eerste aanleg geen vordering heeft ingesteld tegen een bepaalde partij, tegen die partij voor het eerst in hoger beroep een vordering instelt; en (iii) de vordering van de eiseres tegen de verweerster dus niet ontvankelijk is, aan de syntheseconclusie van de eiseres van 23 februari 2015 geen uitleg die met de bewoordingen ervan niet verenigbaar is en derhalve miskennen zij de bewijskracht van die syntheseconclusie niet. Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag. 3. In zoverre het onderdeel een schending aanvoert van de artikelen 13, 15, 812, tweede lid, 813, tweede lid en 1050 Gerechtelijk Wetboek, is het geheel afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van de artikelen 1319, 1320, 1321 en 1322 Burgerlijk Wetboek en is het mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 4. Krachtens artikel 812, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek kan tussenkomst tot het verkrijgen van een veroordeling niet voor de eerste maal plaatsvinden in hoger beroep. 5. Het louter tegen elkaar concluderen door partijen die niets van elkaar vorderen, doet geen daadwerkelijke procesverhouding ontstaan. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan doordat, ondanks de afwezigheid van een daadwerkelijke procesverhouding, ten onrechte een veroordeling tot de kosten wordt gevorderd of de rechter ten onrechte een der partijen tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding veroordeelt. 6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseres in haar syntheseconclusie van 23 februari 2015 voor de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel verzocht (
- i)de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen te horen veroordelen tot het organiseren van een milieueffectrapportage en een grensoverschrijdend publiek consultatieproces met betrekking tot de verlenging van de exploitatievergunning van de kernreactoren Tihange 1, Doel 2 en Doel 1 en met betrekking tot de tienjaarlijkse veiligheidsherziening van die kernreactoren onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag vertraging; (
- ii)de staking te bevelen van de exploitatie van genoemde kernreactoren bij gebreke aan een tijdige beslissing tot verlenging van de exploitatievergunning van de kernreactoren waarbij een milieueffectrapportage en een grensoverschrijdend publiek consultatieproces werd betrokken of bij gebreke aan een beslissing omtrent de tienjaarlijkse veiligheidsherziening van de kernreactoren waarbij een milieueffectrapportage en een grensoverschrijdend consultatieproces werd betrokken, onder verbeurte van een dwangsom van 250.000 euro per dag vertraging; en (iii) zowel de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen als de verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, "gelet op het feit dat [de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen] en [de verweerster] ieder afzonderlijk uitvoerig hebben geconcludeerd". 7. De voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend zoals in kort geding, verleende bij vonnis van 1 juni 2015 akte aan de verweerster van haar vrijwillige tussenkomst, wees de vorderingen van de eiseres af als onontvankelijk en veroordeelde de eiseres tot de kosten van de procedure, begroot op 1.320 euro rechtsplegingsvergoeding voor de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen en voor de verweerster. 8. De appelrechters stellen vast en oordelen dat de eiseres voor de eerste rechter geen vordering tegen de verweerster, vrijwillig tussenkomende partij in de procedure voor de eerste rechter, heeft ingesteld, maar enkel tegen de in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen, verweersters in de procedure voor de eerste rechters. Aangezien tussen de eiseres en de verweerster geen procesverhouding was ontstaan, verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Overige grieven De overige grieven zijn afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 649,36 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231019.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div