id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.6 Rolnummer: C.19.0233.N Zaak: D. contra V. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Intellectuele eigendom - Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-01-31 Raadplegingen: 1148 - laatst gezien 2026-06-28 19:29 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De toestemming vereist voor de geldigheid van een overeenkomst tot overdracht van een auteursrecht kan stilzwijgend zijn indien zij volgt uit een gedraging die voor geen andere uitleg vatbaar is en derhalve de wil inhoudt de overeenkomst te sluiten. Thesaurus CAS: AUTEURSRECHT Vrije woorden: Overdracht van een auteursrecht - Geldigheid - Toestemming - Vorm Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-1886 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1108, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - BESTANDDELEN - Toestemming Vrije woorden: Overeenkomst tot overdracht van een auteursrecht - Geldigheid - Toestemming - Vorm Wettelijke bepalingen: Wet - 22-03-1886 - Art. 3 - 30 ELI link Pub nr 1886032250 oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Art. 1108, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 In de gevallen waarin het bewijs door vermoedens wettelijk is toegelaten, stelt de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt en beoordeelt hij in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zij beslissing steunt; het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip "feitelijk vermoeden" niet heeft miskend en of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft afgeleid die op grond van die feiten onmogelijk te verantwoorden zijn
(1).
(1)Zie Cass. 4 mei 2017, AR C.16.0020.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.2-C.16.0036.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.2, AC 2017, nr. 309; Cass. 17 december 2015, AR F.14.0020.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151217.6, AC 2015, nr.
- Thesaurus CAS: BEWIJS - BURGERLIJKE ZAKEN - Vermoedens Vrije woorden: Taak van de rechter - Toezicht van het Hof Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1349 en 1353 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0233.N
- F. D. S.,
- TRENDEX INTERNATIONAL nv, met zetel te 9470 Denderleeuw, Fabriekstraat 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0428.548.869,
- GLOBE SHOW CENTER nv, met zetel te 9470 Denderleeuw, Fabriekstraat 6, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0464.934.460, eisers, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, tegen
- H. V. E.,
- R. S., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3,
- INTERSONG-PRIMAVERA, EDITIONS MUSICALES nv, met zetel te 1853 Strombeek-Bever, Romeinsesteenweg 468, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.030.644, derde verweerster,
- EDITIONS BASART BELGIUM bvba, met zetel te 2460 Kasterlee, Geelsebaan 69A, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0402.990.458, vierde verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Joseph Stevensstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 2 oktober
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 5 november 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - geen betwisting erover bestaat dat de eerste eiser de auteur is van de titel "Tien om te zien", waaronder het gelijknamige TV-muziekprogramma werd uitgezonden door VTM vanaf 1989 tot 2009, dat het voorwerp uitmaakte van de overeenkomst die op 28 december 1988 werd gesloten tussen VTM en het productiehuis D&D; - de stukken 4, 8 en 9 van de verweerders, minstens deze stukken samen gelezen, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die voldoende bewijzen dat de eerste eiser in 1988 de zekere en ondubbelzinnige wil had om het auteursrecht op "Tien om te zien" over te dragen aan VTM; - de Auteurswet van 22 maart 1886 van toepassing was op het ogenblik dat de eerste eiser zijn auteursrecht op "Tien om te zien" heeft overgedragen; - artikel 3 van de Auteurswet van 22 maart 1886, krachtens hetwelk het auteursrecht een roerend recht is dat vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke overdracht, zich beperkt tot een verwijzing naar de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek; - de overdracht van auteursrechten aldus stilzwijgend kon plaatsvinden, waarbij enkel vereist was dat de wil om over te dragen zeker en ondubbelzinnig was; - de vordering van de eisers ongegrond is in de mate waarin deze ertoe strekt te horen zeggen voor recht dat zij houder zijn van de exclusieve rechten met betrekking tot het werk/de titel "Tien om te zien" en zij strekt tot de veroordeling van de verweerders tot de betaling van de door de eisers gevorderde bedragen.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordelen de appelrechters niet dat de eerste eiser zijn morele rechten, met name het recht op vaderschap en het recht op integriteit van het werk, heeft overgedragen aan VTM, maar, krachtens artikel 3 Auteurswet van 22 maart 1886, uitsluitend zijn vermogensrechten. Het onderdeel berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en mist mitsdien feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Artikel 3 Auteurswet van 22 maart 1886 bepaalt dat het auteursrecht een roerend recht is dat overgaat bij erfopvolging en vatbaar is voor gehele of gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek.
- Krachtens voornoemde bepaling, in samenhang met artikel 1108, tweede lid, Burgerlijk Wetboek, is de overdracht van een auteursrecht dus een overeenkomst, waarvan de geldigheid de toestemming vereist van beide partijen tot het sluiten van deze overeenkomst. Tussen de partijen moet een wilsovereenstemming bestaan om daadwerkelijk rechtsgevolgen te doen ontstaan. De toestemming kan stilzwijgend zijn, indien zij volgt uit een gedraging die voor geen andere uitleg vatbaar is en derhalve de wil inhoudt om een overeenkomst te sluiten.
- Krachtens artikel 3 Auteurswet van 22 maart 1886, in samenhang met de artikelen 1341 en volgende Burgerlijk Wetboek inzake bewijs, mogen derden de stilzwijgende toestemming tot overdracht van een auteursrecht bewijzen met alle middelen van recht, getuigen en vermoedens inbegrepen.
- Artikel 1349 Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit om te besluiten tot een onbekend feit. Luidens artikel 1353 Burgerlijk Wetboek worden vermoedens die niet bij wet zijn ingesteld, overgelaten aan het oordeel en aan het beleid van de rechter. In de gevallen waarin het bewijs door vermoedens wettelijk is toegelaten, stelt de rechter op onaantastbare wijze het bestaan vast van de feiten waarop hij steunt en beoordeelt hij in feite de bewijswaarde van de vermoedens waarop hij zijn beslissing steunt. Het Hof gaat enkel na of de rechter het begrip "feitelijk vermoeden" niet heeft miskend en, meer bepaald, of hij uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen heeft afgeleid die op grond van die feiten onmogelijk te verantwoorden zijn.
- De appelrechters stellen vast dat: - uit stuk 4 van de verweerders blijkt dat de nieuwe generiek van het programma "Tien om te zien", met aangepaste muziek en daarop de woorden "Tien om te zien", in gebruik werd genomen en werd uitgezonden op het televisiekanaal van VTM vanaf januari 1990 tot 2009; - het niet geloofwaardig is dat, zoals de eerste eiser aanvoert, hij slechts in 2006 kennis nam van het feit dat de eerste en tweede verweerder sedert januari 1990 gebruik maakten van de woorden "Tien om te zien" bij het herwerken van de muziek voor de generiek van het TV-muziekprogramma met dezelfde naam en bij het uitzenden daarvan op de televisiezender van VTM; - het, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, voldoende aannemelijk is dat de eerste eiser het programma "Tien om te zien" wel op de televisie heeft bekeken na december 1989 en dat hij sedert januari 1990 wel kennis had van het gebruik dat de eerste en tweede verweerder hebben gemaakt van de woorden "Tien om te zien" bij het herwerken van de muziek voor de generiek van het TV-muziekprogramma met dezelfde naam en bij het uitzenden daarvan op de televisiezender van VTM, doch dat hij daartegen niets ondernam, minstens tot in 2007, en zelfs geen voorbehoud formuleerde dienaangaande; - uit stuk 8 van de verweerders, met name de overeenkomst gesloten tussen VTM en het productiehuis D&D op 28 december 1988, blijkt dat VTM op het ogenblik van de definitieve aanvaarding door haar van een programma-aflevering, de gehele en volstrekte eigenaar werd van het geleverde eindpro-duct, zonder enige beperking of restrictie, en dat dit eindproduct ter vrije beschikking stond van VTM, met uitsluiting van elke mogelijkheid tot navordering, uit welke hoofde ook; - uit stuk 9 van de verweerders blijkt dat VTM zich ook tegenover derden bij deze overeenkomst daadwerkelijk gedroeg als de eigenaar van alle rechten op "Tien om te zien", aangezien zij de merkhouder is van het Benelux-woordmerk "Tien om te zien" en de eerste eiser zich nooit tegen de inschrijving van dit merk door VTM heeft verzet, hoewel hij niet betwist hiervan kennis te hebben sedert
- Op grond van deze vaststellingen konden de appelrechters, zonder schending van de voormelde wettelijke bepalingen, oordelen dat de voormelde stukken van de verweerders, minstens samen gelezen, gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens vormen die de aanvoering van de verweerders voldoende bewijzen, namelijk dat de eerste eiser in 1988 de zekere en ondubbelzinnige wil had om het auteursrecht op "Tien om te zien" over te dragen aan VTM. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel de schending aanvoert van overige wetsbepalingen en de miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht niet wordt vermoed, is het afgeleid en mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 1.593,00 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.6 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20151217.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170504.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div