← België

FL BEHEER bvba contra GEMEENTE BRASSCHAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: RECHTSBEGINSELEN (ALGEMENE) Vrije woorden: Artikel 159, Grondwet 1994 - Aard - Gevolg Wettelijke bepalingen:

Art. 159

- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 3 - 4 De omstandigheid dat een bestuurshandeling na het verstrijken van de termijn van zes maanden waarvan sprake in artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet meer voor nietigverklaring vatbaar is, verhindert in de regel niet dat de hoven en rechtbanken deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing kunnen laten

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MACHTEN - RECHTERLIJKE MACHT Vrije woorden: Taak van de rechter - Niet meer voor vernietiging vatbare bestuurshandeling - Artikel 159, Grondwet 1994 - Toepassing Wettelijke bepalingen:

Art. 159- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 06-01-1989 - Art.

18 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Artikel 18 - Niet meer voor vernietiging vatbare bestuurshandeling - Artikel 159, Grondwet 1994 - Toepassing Wettelijke bepalingen:

Art. 159- 30 ELI link Pub nr 1994021048 Wet - 06-01-1989 - Art.

18 - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Annotaties Publicaties: Tijdschrift voor Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw [TROS] - DE PRETER, FILIP; Noot " Een onwettige last is ook een onverschuldigde last." - 2019, nr. 95, p. 244-

  1. Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0146.N FL BEHEER bvba, met zetel te 2900 Schoten, Hertendreef 59, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen
  2. GEMEENTE BRASSCHAAT, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, met zetel te 2930 Brasschaat, Bredabaan 182,
  3. VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding, met kantoor te 1000 Brussel, Arenbergstraat 7, verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 15 januari
  5. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 22 november 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  6. Krachtens artikel 159 Grondwet passen de hoven en rechtbanken de algemene, provinciale en plaatselijke besluiten en verordeningen alleen toe in zoverre zij met de wetten overeenstemmen. Krachtens artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof kan, niettegenstaande de door de wetten en bijzondere verordeningen bepaalde termijnen verstreken zijn, tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen, alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, die vervolgens door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, of op een verordening ter uitvoering van zodanige norm, al naar het geval, elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staatsblad.
  7. Artikel 159 Grondwet is een bijzondere toepassing van het algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde volgens hetwelk de rechter geen toepassing mag maken van een beslissing waarbij een hogere bepaling wordt geschonden. Op grond hiervan hebben de met eigenlijke rechtspraak belaste organen de plicht om de interne en externe wettigheid te onderzoeken van elke administratieve handeling waarop een vordering, een verweer of een exceptie gegrond is.
  8. De omstandigheid dat een bestuurshandeling na het verstrijken van de termijn van zes maanden waarvan sprake in artikel 18 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet meer voor nietigverklaring vatbaar is, verhindert in de regel niet dat de hoven en rechtbanken deze op grond van artikel 159 Grondwet buiten toepassing kunnen laten in het kader van een vordering op grond van onverschuldigde betaling.
  9. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - het college van burgemeester en schepenen van de eerste verweerster op 27 februari 2012 een verkavelingsvergunning afleverde voor de gronden, gelegen te Brasschaat, aan de Sionkloosterlaan 31; - de verkavelingsvergunning onder meer als voorwaarde stelt dat de kavels slechts te koop worden aangeboden nadat de vereiste sociale bijdragen in de gemeentekas zijn gestort; - het Grondwettelijk Hof bij arrest nr. 145/2017 van 7 november 2013 de artikelen in het Grond- en Pandendecreet van 27 maart 2009, meer bepaald in hoofdstuk 3, titel 1, boek IV daarvan, die de sociale lasten vastleggen, heeft vernietigd; - de eiseres bij exploot van 28 mei 2014 de terugbetaling vorderde van de door haar op 27 maart 2012 betaalde sociale lasten ten bedrage van 50.719,42 euro in hoofdsom; - de eiseres tot staving van het onverschuldigd karakter van de door haar gedane betaling verwijst naar het arrest nr. 145/2013 van 7 november 2013 waarbij het Grondwettelijk Hof de artikelen van het Grond- en Pandendecreet die de sociale lasten in verkavelingsvergunningen vastleggen, met terugwerkende kracht vernietigt; - de verweerders terecht laten gelden dat de vernietiging van decretale bepalingen door het Grondwettelijk Hof niet impliceert dat de op die bepalingen gebaseerde bestuurshandelingen daardoor automatisch uit de rechtsorde verdwijnen. Bestuurshandelingen zijn immers geen gevolg van de vernietigde decretale bepalingen, wel van het optreden van de uitvoerende macht; - daardoor een bestuurshandeling blijft bestaan zolang ze niet werd afgeschaft, ingetrokken of nietig verklaard; - alleen haar rechtsgeldigheid, ingevolge de vernietiging van de decretale bepalingen waarop zij is gesteund, aangetast is, reden waarom de bestuurshandeling kan worden aangevochten mits inachtneming van de decretaal voorgeschreven formaliteiten; - de sociale last weliswaar gesteund is op een decretale bepaling, maar niettemin zijn oorzaak vindt in de verleende verkavelingsvergunning die toepassing maakt van die decretale bepaling. Het is immers deze vergunning als be-stuurshandeling die de betaling van de sociale last aan de eiseres oplegt; - de eiseres niet aantoont dat zij de haar op 27 februari 2012 verleende verkavelingsvergunning heeft aangevochten bij de deputatie van de provincie Antwerpen op grond van artikel 4.7.21 VCRO binnen de termijn van zes maanden na de publicatie, op 10 februari 2014, van het vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof, hetzij voor 11 augustus
  10. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat "bij gebrek aan tijdig beroep bij de deputatie aan de verleende verkavelingsvergunning geen gebrek aan rechtsgeldigheid meer [kan] worden verweten, de verkavelingsvergunning definitief en onherroepelijk geworden [is] en verder [blijft] bestaan in de rechtsorde, zonder dat zij nog buiten toepassing kan worden verklaard op grond van artikel 159 Gerechtelijk Wetboek", verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  11. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Geert Jocqué, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 9 januari 2020 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200109.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200109.4 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220616.1N.8 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230306.3N.6 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251208.3F.2 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260323.3F.10 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.