id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.17 Rolnummer: P.19.1291.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-24 Raadplegingen: 336 - laatst gezien 2026-06-28 07:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche De strafuitvoeringsrechtbank kan beslissen naast de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, de directeur en het slachtoffer andere personen te horen, zoals een medewerker van de psycho-sociale dienst van de gevangenis of de gevangenisgeneesheer; deze personen zijn geen eigenlijke getuigen in die zin dat zij in het belang van de waarheidsvinding betreffende vervolgende feiten verklaringen afleggen over wat ze hebben gezien of gehoord; het gaat om personen die omwille van hun professionele of persoonlijke relatie met de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechtbank informatie kunnen verschaffen die bij de beslissing over een gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit relevant kan zijn, deze personen zijn geen getuigen en moeten dan ook niet onder eed worden verhoord. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Horen van personen - Geen getuigen onder eed Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 155 en 407 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet - 17-05-2006 - Art. 53, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 2006009456 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1291.N M. E. M. J., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Jürgen Millen, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Antwerpen van 13 december
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 155 Wet-boek van Strafvordering, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het horen van I.B. als diensthoofd van de ge-vangenisadministratie om ter rechtszitting toelichting te verstrekken bij de bere-kening van eisers strafeinde gebeurde niet onder eed, wat op straffe van nietig-heid is voorgeschreven.
- In zoverre het middel schending van artikel 6 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces aanvoert zonder te preciseren hoe en waarom het vonnis dat artikel schendt of dat algemeen rechtsbeginsel miskent, is het onnauwkeurig en bijgevolg niet ontvankelijk.
- Artikel 53, vierde lid, Wet Strafuitvoering bepaalt dat de strafuitvoerings-rechtbank naast de veroordeelde en zijn raadsman, het openbaar ministerie, de directeur en het slachtoffer, kan beslissen eveneens andere personen te horen. Daarbij kan worden gedacht aan naasten van de veroordeelde, een medewerker van de psycho-sociale dienst of de gevangenisgeneesheer.
- Die personen zijn geen eigenlijke getuigen in die zin dat zij in het belang van de waarheidsvinding betreffende vervolgde feiten verklaringen afleggen over wat ze hebben gezien of gehoord. Zij worden door de wetgever ook niet als getuigen omschreven. Het gaat om personen die omwille van hun professionele of persoonlijke relatie met de veroordeelde aan de strafuitvoeringsrechtbank in-formatie kunnen verschaffen die bij de beslissing over een gevraagde strafuit-voeringsmodaliteit relevant kan zijn. Zij moeten dan ook niet onder eed worden gehoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de strafuit-voeringsrechtbank op de rechtszitting een personeelslid van de penitentiaire ad-ministratie heeft gehoord over de wijze waarop de administratie het einde van de straf van de eiser heeft berekend. Een dergelijk verhoor moet niet onder eed worden afgenomen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: voor de bereke-ning van eisers strafeinde motiveert het vonnis niet hoe het strafrestant wordt bepaald; door te verwijzen naar een ‘gebruikelijke formule' laat het vonnis in het midden of ook nog andere formules worden toegepast.
- Het vonnis (p. 2) oordeelt onder meer: "Voor de berekening van het straf-restant bij de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling [...] werd het aantal dagen in rekening genomen die [de eiser] nog niet had uitgezeten op [zijn] toenmalige straffen, zijnde 1355 dagen. Hiervan heeft de rechtbank nog 63 dagen afgetrokken, met name het aantal dagen tussen de start van de voorwaar-delijke invrijheidstelling en de dag dat [de eiser] de nieuwe feiten pleegde. Ver-volgens heeft de rechtbank haar gebruikelijke formule toegepast voor de bepa-ling van het strafrestant bij een herroeping van een voorwaardelijke invrijheid-stelling, namelijk ‘strafrestant - (strafrestant : proeftijd) x in rekening te bren-gen dagen', zodat een uiteindelijke strafrestant van 1308 dagen restte." Het vonnis (p. 2 en 3) oordeelt verder: "De rechtbank stelt vast dat [eisers] hui-dige opsluitingsfiche, zoals ze berekend werd door de gevangenisadministratie, een aanvang neemt op 8 december
- Dit houdt in dat sedert 8 december 2017 iedere dag heeft geteld als een dag doorgebracht in hechtenis en aldus volledig in rekening wordt genomen voor de berekening van [eisers] strafeinde. Omdat [de eiser] sedert 8 december 2017 ook niet meer definitief vrij geweest is, kan de gevangenis deze periode niet als voorhechtenis vermelden op de opsluitingsfiche vermits deze periode deel uitmaakt van [eisers] lopende hechtenis." Met deze redenen motiveert de strafuitvoeringsrechtbank wel degelijk hoe het strafrestant wordt bepaald. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Het vonnis moet enkel melding maken van de berekeningswijze betreffen-de het strafeinde die het toepast en niet, behoudens daartoe strekkende conclusie, van berekeningswijzen die het niet toepast. In zoverre faalt het middel naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering: met de redenen dat er geen voldoende veilig sociaal reclasseringsplan voorligt en dat de noodzakelijke elementen ontbreken om het recidiverisico maximaal in te perken, alsook door deze tegenindicaties te koppelen, voert het vonnis bijko-mende voorwaarden toe die de wet niet bepaalt.
- Artikel 47, § 1, Wet Strafuitvoering bepaalt: "Met uitzondering van de voorlopige invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of met het oog op overlevering en met uitzondering van de vermindering van de duur van de door de rechter uitgesproken ontzetting van het recht in een bepaal-de aangewezen zone te wonen, te verblijven of er zich te vertonen, kunnen de door Titel V bepaalde strafuitvoeringsmodaliteiten aan de veroordeelde worden toegekend voor zover er in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen bestaan waaraan men niet tegemoet kan komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden. Deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op: 1° de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering van de veroordeel-de; 2° het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten; (...)"
- De strafuitvoeringsrechtbank bepaalt onaantastbaar binnen de grenzen van de wet, welke de tegenaanwijzingen zijn op grond waarvan zij gevraagde straf-uitvoeringsmodaliteiten afwijst. Bij die beoordeling mag de rechter alle vast-staande feiten betrekken die aan de tegenspraak van de partijen zijn onderwor-pen.
- Voor de afwijzing van eisers elektronisch toezicht en beperkte detentie neemt het vonnis meerdere feitelijke omstandigheden als tegenaanwijzingen in aanmerking, onder meer dat: - aan de eiser in het verleden al verschillende strafuitvoeringsmodaliteiten werden toegekend; - in 2013 een voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen moest worden om-wille van strafbare feiten onmiddellijk na aanvang van de modaliteit; - na een op 30 juni 2016 toegekende voorwaardelijke invrijheidstelling op-nieuw een voorlopige hechtenis volgde op 9 maart 2019; - de eiser op 5 december 2018 definitief werd veroordeeld tot een gevangenis-straf van vier jaar wegens feiten gepleegd in de nacht van 7 op 8 september 2016 en dus snel na de op 30 juni 2016 toegekende modaliteit; - het justitiehuis sedert februari 2017 het dossier van de eiser niet meer inhou-delijk opvolgde aangezien hij sedertdien steeds in voorlopige hechtenis ver-keerde, hetzij in de gevangenis hetzij onder elektronisch toezicht; - de eiser in de PSD-verslaggeving omschreven wordt als een ‘draaideurcrimi-neel' waarbij het risico op geweldrecidive hoog is; - er over het verloop van de laatste voorwaardelijke invrijheidstelling nog geen gesprekken werden gevoerd, onder meer omdat de eiser niet wenste in te gaan op het aanbod tot gesprek van de PSD; - het momenteel onduidelijk is wat er in de toekomst moet worden voorzien om het hoge recidiverisico in te perken. Daarmee beschrijft het vonnis de feitelijke omstandigheden die het als tegen-aanwijzingen in aanmerking neemt om de weigering van de gevraagde strafuit-voeringsmodaliteiten te verantwoorden daar deze wijzen op de afwezigheid van vooruitzichten op sociale reclassering en op het risico van het plegen van nieuwe ernstige strafbare feiten. Door besluitend te oordelen dat er geen voldoende vei-lig sociaal reclasseringsplan voorligt en voldoende elementen ontbreken om het recidiverisico maximaal in te perken, schendt het vonnis de aangevoerde bepa-ling niet. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Doo-ren, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div