← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18 Rolnummer: P.19.1305.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-24 Raadplegingen: 731 - laatst gezien 2026-06-28 15:16 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch de artikelen 9, §2, 59, 3°, en 60, §1 Interneringswet noch enige verdragsrechtelijke of andere wettelijke bepaling vereisen dat een geïnterneerde wiens invrijheidstelling op proef wordt herroepen wegens het niet-naleven van de hem opgelegde bijzondere voorwaarden, slechts kan worden opgenomen in een hiervoor bedoelde inrichting nadat zijn geestestoestand is beoordeeld door een medisch deskundige, aangezien de betrokkene immers werd geïnterneerd op basis van een psychiatrisch deskundigenonderzoek en zijn geestestoestand gedurende het verder beheer van de internering werd opgevolgd; de toestand van herroeping van de invrijheidstelling op proef van een geïnterneerde wegens niet-naleving van de voorwaarden valt dan ook niet te vergelijken met die van een andere geesteszieke die van zijn vrijheid wordt beroofd. Thesaurus CAS: GEESTESZIEKE Vrije woorden: Internering - Wederopsluiting - Ontbreken van medisch verslag - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 05-05-2014 - Artt. 9, § 2, 59, 3°, en 60, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - UITVOERINGSMODALITEITEN INTERNERING Vrije woorden: Wederopsluiting - Ontbreken van medisch verslag - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet - 05-05-2014 - Artt. 9, § 2, 59, 3°, en 60, § 1 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 3 De vrijheidsberoving van een geesteszieke die strafbare feiten heeft gepleegd en die op die grond is geïnterneerd, is rechtmatig indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt; het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en gespecialiseerd college, erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt en die regel geldt ook voor geïnterneerden waarvan de invrijheidstelling op proef wordt herroepen wegens niet-naleving van de voorwaarden. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.1 Vrije woorden: Artikel 5.1.e - Geesteszieke - Aangepaste instelling - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Art. 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 05-05-2014 - Art. 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 4 De redelijkheid van de termijn van plaatsing van een geïnterneerde in een aangepaste instelling waar hem de aangepaste zorg wordt verstrekt is niet in absolute termen uit te drukken, maar hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behandelingswijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de beschikbaarheid van de voorzieningen die gericht zijn op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met de voorgestelde behandelingen; het aanvangspunt voor de beoordeling van die redelijke termijn is het tijdstip waarop de geïnterneerde wegens de niet-naleving van de voorwaarden opnieuw is opgesloten in een inrichting waar hij niet de gepaste zorg ontvangt, zonder dat moet worden rekening gehouden met periodes van opsluiting zonder gepaste zorg voor deze wederopsluiting

(1).
(1)Cass. 7 januari 2020, AR P.19.1276.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.12, AC 2020, nr. 13. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Geesteszieke - Redelijke termijn - Criteria Wettelijke bepalingen: Verdrag of internationale overeenkomst - 04-11-1950 - Artt. 3 en 5.1.e - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet - 05-05-2014 - Art. 2 - 11 ELI link Pub nr 2014009316 Fiche 5 Het verzuim van het niet ondertekenen van een vonnis van de kamer voor de bescherming van de maatschappij door één van de drie rechters en evenmin door de griffier, waarbij geen melding is gemaakt van de onmogelijkheid om te ondertekenen, kan worden hersteld op schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie overeenkomstig art. 788 Gerechtelijk Wetboek, dat toepasselijk is in strafzaken; dergelijk herstel heeft retroactieve werking, ook al vond het herstel plaats na het tegen het vonnis ingestelde cassatieberoep
(1).
(1)Cass. 16 oktober 2002, AR P.02.0683.F ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021016.2, AC 2002, nr. 543; Cass. 15 oktober 1976, AC 1977, 199, RW 1976-77, 940. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Allerlei Vrije woorden: Internering - Ondertekening van het vonnis - Verzuim - Herstel van het verzuim - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 782, 785 en 788 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1305.N M. B., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuit-voe-ringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 17 december 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep 1. Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de beslissing tot de plaatsing van de eiser in de afdeling tot bescherming van de maatschappij te Merksplas, Turnhout of Antwerpen, geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvanke-lijk. Eerste middel 2. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis besluit na de herroeping van zijn invrijheidstelling op proef tot de wederopsluiting van de eiser in de gevangenis zonder dat daarbij zijn huidige geestestoestand wordt beoordeeld en zonder dat met dat oogmerk een medische expertise wordt bevo-len. Ondergeschikt wordt gevraagd de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt de Wet van 05.05.2014 betreffende de internering art. 5, §1, e van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in samen-hang gelezen met art. 10 en 11 van de Grondwet, nu elke maatregel tot vrijheids-beroving van een geesteszieke persoon voorafgegaan dient te worden door een beoordeling van de aanwezige geestesziekte op basis van een objectief, medisch verslag, maar dit door de wet betreffende de internering niet voorzien wordt in het kader van de procedure voor een herroeping van een invrijheidsstelling op proef?" 3. Artikel 5.1 EVRM bepaalt: "Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid. Niemand mag van zijn vrijheid worden beroofd, behalve in een van de navolgende gevallen en langs wettelijke weg: (...)
  1. e)in het geval van recht-matige gevangenhouding (...) van geesteszieken (...)." Uit deze verdragsbepaling volgt dat: - de vrijheidsberoving van een geesteszieke slechts rechtmatig is, indien (
  2. a)uit een objectieve en medische expertise blijkt dat de betrokkene is getroffen door een reële en voortdurende mentale stoornis, (
  3. b)die stoornis van aard is dat zij de vrijheidsberoving rechtvaardigt en (
  4. c)de vrijheidsberoving niet langer duurt dan noodzakelijk is; - bij de voormelde beoordeling niet enkel strikt medische elementen een rol spelen, maar ook het gevaar dat de betrokkene vormt voor de samenleving; - indien een van zijn vrijheid beroofde geesteszieke terug gezond is, hij in be-ginsel in vrijheid moet worden gesteld. 4. De internering is krachtens artikel 9, § 2, Interneringswet in beginsel slechts mogelijk na de uitvoering van een door artikel 5 van deze wet bedoeld fo-rensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of de actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek. De kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en ge-specialiseerd rechtscollege, staat in voor de uitvoering van de interneringsbeslis-sing. Het oordeelt volgens de in de Interneringswet nader beschreven procedures over de plaatsing en overplaatsing van de geïnterneerde, de toekenning van uit-gaansvergunningen, beperkte detentie, elektronisch toezicht, de invrijheidstel-ling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op verwijdering van het grondgebied of overlevering, alsook de definitieve invrijheidstelling. De Interneringswet voorziet in een periodieke opvolging door de kamer voor de be-scherming van de maatschappij waarbij telkens adviezen worden ingewonnen waarin ook de geestestoestand van de geïnterneerde aan bod komt. De kamer kan bij het verder beheer van de internering een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek bevelen. Daaruit volgt dat de vrijheidsberoving bij een internering slechts mogelijk is op basis van een psychiatrisch onderzoek en dat gedurende de vrijheidsberoving de geestestoestand van de betrokkene periodiek wordt opgevolgd. 5. Krachtens artikel 59, 3°, Interneringswet kan het openbaar ministerie, met het oog op de herroeping van de toegekende modaliteit van onder meer de invrij-heidstelling op proef, de zaak bij de kamer voor de bescherming van de maat-schappij aanhangig maken wanneer de opgelegde bijzondere voorwaarden niet worden nageleefd. Artikel 60, § 1, Interneringswet bepaalt dat in geval van herroeping van onder meer de invrijheidstelling op proef, de geïnterneerde persoon onmiddellijk in een inrichting zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b),
  5. c)en
  6. d)van die wet wordt ge-plaatst, welke wordt aangewezen door de kamer voor de bescherming van de maatschappij. 6. Noch die bepalingen noch enige verdragsrechtelijke of andere wettelijke bepaling vereisen dat een geïnterneerde wiens invrijheidstelling op proef wordt herroepen wegens het niet-naleven van de hem opgelegde bijzondere voorwaar-den, slechts kan worden opgenomen in een hiervoor bedoelde inrichting nadat zijn geestestoestand is beoordeeld door een medisch deskundige. De betrokkene werd immers geïnterneerd op basis van een psychiatrisch deskun-digenonderzoek en zijn geestestoestand werd gedurende het verder beheer van de internering opgevolgd, zodat de kamer voor de bescherming van de maatschappij zijn geestestoestand op het ogenblik van de herroeping en van zijn plaatsing met kennis van zaken kan beoordelen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. 7. De toestand waarin een geïnterneerde zich bevindt aan wie een invrijheid-stelling op proef werd toegekend en die wordt herroepen wegens de niet-naleving van de voorwaarden en die als gevolg daarvan wordt geplaatst in een hiervoor bedoelde inrichting, valt dan ook niet te vergelijken met die van een andere gees-teszieke die van zijn vrijheid wordt beroofd. De prejudiciële vraag wordt bijgevolg niet gesteld. Tweede middel 8. Het middel voert schending aan van de artikelen 3 en 5.1 EVRM en arti-kel 2 Interneringswet: door eisers invrijheidstelling op proef te herroepen en zijn opsluiting te bevelen in de gevangenis te Merksplas, Turnhout of Antwerpen, miskent het vonnis eisers rechten; de vrijheidsberoving van de eiser is slechts rechtmatig indien hij binnen een redelijke termijn wordt opgenomen in een aan-gepaste instelling, wat een gevangenis niet is, waardoor er bovendien ook sprake is van een onmenselijke behandeling; de eiser bevindt zich sinds de eerste inter-neringsbeslissing van 22 juni 2010, dit is gedurende minstens 2.179 dagen, in een gevangenis; de eiser werd dus niet binnen de redelijke termijn van vier maanden opgenomen in een aangepaste instelling. 9. Uit artikel 5.1.
  7. e)EVRM volgt dat een vrijheidsberoving van een geestes-zieke die strafbare feiten heeft gepleegd en op die grond is geïnterneerd, recht-matig is indien hij binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepas-te instelling waar hem aangepaste zorg wordt verstrekt. 10. De kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, moet toezicht houden over de wijze van uitvoe-ring van de interneringsbeslissingen binnen het geldende verdragsrechtelijke en wettelijke kader. Het staat aan deze kamer erover te waken dat de geïnterneerde binnen een redelijke termijn wordt geplaatst in een aangepaste instelling waar hij de meest gepaste zorg ontvangt. Die regel geldt evenzeer voor geïnterneerden die reeds een of meerdere keren hebben genoten van uitvoeringsmodaliteiten, zoals een invrijheidstelling op proef, maar die wegens de niet-naleving van voorwaar-den opnieuw worden opgesloten. 11. De redelijkheid van die termijn, die niet in absolute termen is uit te druk-ken, hangt onder meer af van de aard van de geestesziekte, de mogelijke behan-delwijzen, de wijze waarop de geïnterneerde desgevallend in het verleden reeds werd behandeld, de wijze waarop de uitvoering van de internering in het verle-den is verlopen, de beschikbaarheid van de voorzieningen die zijn gericht op de specifieke noden van de geïnterneerde en de bereidheid van de geïnterneerde om mee te werken met voorgestelde behandelingen. 12. Het aanvangspunt voor de beoordeling van die redelijke termijn is het tijd-stip waarop de geïnterneerde wegens de niet-naleving van de voorwaarden op-nieuw is opgesloten in een inrichting waar hij niet de gepaste zorg ontvangt. Bij die beoordeling moet niet noodzakelijk rekening worden gehouden met eerdere periodes van opsluiting zonder gepaste zorg die dateren van vóór de wederop-sluiting. 13. Het middel dat geheel ervan uitgaat dat een verblijf in een afdeling voor de bescherming van de maatschappij van langer dan vier maanden waarbij ook wordt rekening gehouden met eerdere periodes van verblijf in een dergelijke in-stelling, automatisch impliceert dat de termijn voor plaatsing in een aangepaste instelling niet meer redelijk is, faalt naar recht. Derde middel 14. Het middel voert schending aan van de artikelen 782 en 785 Gerechtelijk Wetboek: het vonnis werd niet ondertekend door één van de drie rechters en evenmin door de griffier, waarbij geen melding werd gemaakt dat zij daartoe in de onmogelijkheid verkeerden. 15. Het in het middel aangevoerde verzuim kan worden hersteld overeenkom-stig artikel 788 Gerechtelijk Wetboek, dat van toepassing is in strafzaken. Der-gelijk herstel heeft retroactieve werking, ook al heeft dit plaatsgevonden na het tegen het vonnis ingestelde cassatieberoep. 16. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het in het middel bekritiseerde verzuim inmiddels met toepassing van artikel 788 Gerech-telijk Wetboek is hersteld. Het middel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek 17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Doo-ren, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18 Gerelateerde publicatie(
  8. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240619.2F.17 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129 precedenten: ECLI:BE:CASS:2002:ARR.20021016.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200107.2N.12 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.