← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.20 Rolnummer: P.20.0037.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-24 Raadplegingen: 683 - laatst gezien 2026-06-28 07:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de ondervraging voorafgaand aan het bevel tot aanhouding moet verlopen; noch uit artikel 16, §2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging

(1); niet is vereist dat de onderzoeksrechter betreffende alle tenlasteleggingen aan de inverdenkinggestelde specifieke vragen stelt; het volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten, zodat zijn recht van verdediging is gewaarborgd.
(1)Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0265.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5, AC 2019, nr.
  1. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Verhoor door de onderzoeksrechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 2, eerste lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: De Juristenkrant [Juristenkrant] - 2020, nr. 403, p.
  2. - TERSAGO, Pieter; Noot'Cassatie viert teugels over verhoor door onderzoeksrechter' Tekst van de beslissing Nr. P.20.0037.N J. B., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 januari
  3. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet noodzakelijk is dat uit het proces-verbaal van verhoor zou blijken dat de onderzoeksrechter specifieke vragen heeft gesteld over de feiten die het voorwerp uitmaken van een inverdenkingstelling; ook het verhoor door de onderzoeksrechter vereist een geleide ondervraging; de onderzoeksrechter kan niet volstaan met een gedetailleerde ondervraging door de politie.
  5. Artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat tenzij de inverdenkinggstelde voortvluchtig is of zich verbergt, de onderzoeksrechter alvorens een bevel tot aanhouding te verlenen, hem moet ondervragen over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding kunnen geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en zijn opmerkingen moet horen. Bij afwezigheid van deze ondervraging wordt de inverdenkinggestelde in vrijheid gesteld.
  6. Dit verhoor dat de onderzoeksrechter zelf moet afnemen en dus niet kan delegeren, heeft tot doel hem in te lichten over het standpunt van de inverdenkinggestelde betreffende de hem verweten feiten zodat zijn recht van verdediging is gewaarborgd.
  7. De wetgever heeft niet nader bepaald hoe de door artikel 16, § 2, eerste lid, Voorlopige Hechteniswet bedoelde ondervraging moet verlopen. Noch uit de tekst van de wet noch uit de wetsgeschiedenis volgt dat dit verhoor het karakter moet aannemen van een geleide ondervraging. Niet is vereist dat de onderzoeksrechter betreffende alle telastleggingen aan de inverdenkinggestelde specifieke vragen stelt. Het is noodzakelijk maar volstaat dat de inverdenkinggestelde de gelegenheid krijgt om zijn opmerkingen te formuleren betreffende de hem verweten feiten.
  8. Het onderdeel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1317, 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat uit het proces-verbaal van verhoor van de eiser blijkt dat hij door de onderzoeksrechter werd ondervraagd over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding konden geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en dat hij werd gehoord in zijn opmerkingen, schrijft het arrest aan dit proces-verbaal een inhoud toe die er niet in voorkomt en miskent het de bewijskracht ervan; er blijkt immers geen sprake van een geleide ondervraging over de aan de eiser ten laste gelegde misdrijven en er worden geen vragen gesteld over zijn mogelijke betrokkenheid bij een criminele organisatie; de term criminele organisatie komt in het eigenlijke verhoor niet eens voor.
  10. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de met het eerste onderdeel verworpen aanvoering dat het hier bedoelde verhoor een geleide ondervraging veronderstelt, is het niet ontvankelijk.
  11. Voor het overige geeft het arrest met het oordeel dat uit het proces-verbaal van verhoor door de onderzoeksrechter blijkt dat de eiser werd ondervraagd over de feiten die aan de beschuldiging ten grondslag liggen en die aanleiding konden geven tot de afgifte van een bevel tot aanhouding en dat hij werd gehoord in zijn opmerkingen, van dit proces-verbaal een uitlegging die niet onverenigbaar is met de bewoordingen ervan. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231018.2F.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.