id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.6 Rolnummer: P.19.0674.N Zaak: D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-24 Raadplegingen: 431 - laatst gezien 2026-06-28 07:44 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 68, eerste zin, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij wet van 6 maart 2018, bepaalt dat de strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van twee jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan en in de mate dat zij de termijn van de verjaring van de strafvordering verlengt is de wet van 6 maart 2018 in beginsel onmiddellijk van toepassing op hangende strafvorderingen, tenzij de strafvordering op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wijzigingswet reeds definitief was verjaard op grond van de oude wet; dit betekent dat de verjaring van de strafvordering voor zover nog niet bereikt op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigingswet opnieuw moet worden berekend in functie van de nieuwe verjaringstermijn en aldus moet worden nagegaan welke laatste stuitingsdaad binnen de eerste verlengde termijn van twee jaar werd gesteld
(1).
(1)In het arrest nr. 54/2019 van 4 april 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, in samenhang gelezen met artikel 25, 1°, van die wet, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering van één naar twee jaar doet ingaan met terugwerkende kracht op 15 februari 2018; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering,Antwerpen, Maklu, 2012, 137-138; K. BEIRNAERT, "Commentaar bij artikel 22 VTSV", in Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, 72 en de verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 68 Vrije woorden: Verjaring - Verjaring van de strafvordering - Wet die de verjaringstermijn van de strafvordering verlengt - Toepassing op hangende strafvorderingen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 2 - 3 Artikel 68, eerste zin, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij wet van 6 maart 2018, bepaalt dat de strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van twee jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is begaan en in de mate dat zij de termijn van de verjaring van de strafvordering verlengt is de wet van 6 maart 2018 in beginsel onmiddellijk van toepassing op hangende strafvorderingen, tenzij de strafvordering op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wijzigingswet reeds definitief was verjaard op grond van de oude wet; dit betekent dat de verjaring van de strafvordering voor zover nog niet bereikt op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigingswet opnieuw moet worden berekend in functie van de nieuwe verjaringstermijn en aldus moet worden nagegaan welke laatste stuitingsdaad binnen de eerste verlengde termijn van twee jaar werd gesteld
(1).
(1)In het arrest nr. 54/2019 van 4 april 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, in samenhang gelezen met artikel 25, 1°, van die wet, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering van één naar twee jaar doet ingaan met terugwerkende kracht op 15 februari 2018; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, 137-138; K. BEIRNAERT, "Commentaar bij artikel 22 VTSV", in Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, 72 en de verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Termijnen Vrije woorden: Wegverkeerswet - Artikel 68 - Wet die de verjaringstermijn van de strafvordering verlengt - Toepassing op hangende strafvorderingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Werking in de tijd - Wegverkeerswet - Artikel 68 - Verjaring van de strafvordering - Wet die de verjaringstermijn van de strafvordering verlengt - Toepassing op hangende strafvorderingen - Draagwijdte - Gevolg Fiche 4 Artikel 22, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de verjaring van de strafvordering slechts wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn; de beslissing om de zaak op de inleidende rechtszitting uit te stellen om het openbaar ministerie toe te laten camerabeelden op te vragen, is een daad die de verjaring van de strafvordering stuit
(1).
(1)K. BEIRNAERT, "Commentaar bij artikel 22 VTSV", in Duiding Strafprocesrecht, Larcier, 2017, 72 en de verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting Vrije woorden: Artikel 22, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering - Stuitingsdaad - Begrip Fiche 5 Artikel 50 Wegverkeersreglement bepaalt dat alle snelheids- en sportwedstrijden op de openbare weg zijn verboden, behoudens speciale toelating van de wettelijk gemachtigde overheid; uit deze bepaling volgt dat weliswaar enkel wedstrijden met een competitie-element onder deze bepaling vallen, maar niet dat er een geldelijk competitie-element moet zijn. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 50 Vrije woorden: Snelheids- en sportwedstrijden - Competitie-element - Aard van het competitie-element - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 7 Artikel 8 EVRM verhindert de rechter niet om een straf op te leggen die hij rekening houdend met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de beklaagde passend acht, ook wanneer deze straf een impact heeft op het verdienvermogen van de beklaagde en diens economische perspectieven mogelijkerwijze hypothekeert. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 8 Vrije woorden: Recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven - Opleggen van een straf - Rijverbod - Impact van de straf op de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Opleggen van een rijverbod - Impact van de straf op de beklaagde - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0674.N W. D. C., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Kathy Blondeel, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 27 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste en tweede middel
- De middelen voeren schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 14 Grondwet, de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvorde-ring, artikel 68 Wegverkeerswet en de artikelen 25 en 26 van de wet van 6 maart 2018 ter verbetering van de verkeersveiligheid (hierna wet van 6 maart 2018): het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet is verjaard; het oordeelt dat de verjaring werd gestuit door het kantschrift van 26 september 2017 waarna een nieuwe verjaringstermijn van één jaar begon te lopen, die door de wet van 6 maart 2018 werd verlengd tot twee jaar en waarbinnen de verjaring opnieuw werd gestuit door de behandeling op de rechtszitting van 9 oktober 2018; de appelrechters hanteren hierbij een verkeerde berekening van de verja-ringstermijn; de nieuwe verjaringstermijn van twee jaar is niet retroactief van toepassing; hieruit volgt dat rekening moet worden gehouden met de reeds ver-streken tijdspanne tussen de feiten en de inwerkingtreding van de nieuwe wet, alsook met de stuitingsdaad die in deze periode plaatsvond en de verjaringster-mijn slechts voor één jaar, met name tot 25 september 2018 heeft verlengd; ten onrechte houden de appelrechters rekening met een tweede stuitingsdaad, name-lijk de behandeling op de rechtszitting van 9 oktober 2018, die plaatsvond na het verstrijken van de eerste verlengde verjaringstermijn en die bovendien niet als een daad van onderzoek of vervolging kan worden beschouwd (eerste middel); de appelrechters laten eveneens na de periode tussen de eerste stuitingdaad en de datum van inwerkingtreding van de wet van 6 maart 2018, met name vijf maan-den, in mindering te brengen van de totale verlengde duur die verstreek op 26 september 2019 (tweede middel).
- Het bestreden vonnis oordeelt niet dat na de stuitingsdaad van 26 septem-ber 2017 een nieuwe verjaringstermijn van twee jaar aanving, die op 9 oktober 2018 opnieuw werd gestuit door de behandeling van de zaak op de rechtszitting. Het oordeelt wel dat: - de verjaringstermijn voor de strafvordering op het ogenblik van de aan de eiser ten laste gelegde feiten één jaar bedroeg; - deze termijn op 26 september 2017 werd gestuit door het kantschrift van de procureur des konings aan de burgemeester van de gemeente Temse; - tijdens de nieuwe termijn van één jaar, de verjaringstermijn voor de ten laste gelegde feiten door de wetgever werd verlengd tot twee jaar; - binnen deze termijn van twee jaar de verjaring werd gestuit door de behande-ling van de zaak op de rechtszitting op 9 oktober 2018, waarna een tweede termijn van twee jaar aanving die nog niet is verstreken. In zoverre berusten beide middelen op een onjuiste lezing van het bestreden von-nis en missen ze feitelijke grondslag.
- Artikel 68, eerste zin, Wegverkeerswet, zoals gewijzigd bij wet van 6 maart 2018, bepaalt dat de strafvordering die het gevolg is van een overtreding van deze wet alsmede van de ter uitvoering ervan vastgestelde besluiten, verjaart door verloop van twee jaar te rekenen van de dag waarop de overtreding is be-gaan.
- De wet van 6 maart 2018 is in de mate dat zij de termijn van de verjaring van de strafvordering verlengt in beginsel onmiddellijk van toepassing op han-gende strafvorderingen, tenzij de strafvordering op het ogenblik van de inwer-kingtreding van deze wijzigingswet reeds definitief was verjaard. Dit betekent dat de verjaring van de strafvordering voor zover nog niet bereikt op de datum van de inwerkingtreding van de wijzigingswet opnieuw moet worden berekend in functie van de nieuwe verjaringstermijn en aldus moet worden nagegaan welke laatste stuitingsdaad binnen de eerste verlengde termijn van twee jaar werd ge-steld.
- In het arrest nr. 54/2019 van 4 april 2019 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat artikel 26, eerste lid, van de wet van 6 maart 2018, in samenhang gelezen met artikel 25, 1°, van die wet, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de verlenging van de verjaringstermijn van de strafvordering van één naar twee jaar doet ingaan met terugwerkende kracht op 15 februari
- Daaruit volgt dat de rechter de bepalingen betreffende de verlenging van de in artikel 68 Wegverkeerswet bedoelde verjaringstermijn van één jaar naar twee jaar enkel mag toepassen op strafvorderingen die op grond van de oude wet niet reeds op 15 maart 2018 definitief waren verjaard.
- In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Artikel 22, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering be-paalt dat de verjaring van de strafvordering slechts wordt gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. De beslissing om de zaak op de inleidende rechtszitting uit te stellen om het openbaar ministerie toe te laten camerabeelden op te vragen, is een daad die de verjaring van de strafvordering stuit. In zoverre het eerste middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in de rechtsoverweging 2 van dit arrest verant-woorden de appelrechters hun beslissing dat de strafvordering niet is vervallen door verjaring naar recht. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Derde en vierde middel
- De middelen voeren schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis oordeelt ten onrechte dat de strafvordering niet is vervallen door verjaring; deze beslissing is onvoldoende accuraat gemoti-veerd; de appelrechters oordelen dat de verjaring werd gestuit door het kant-schrift van 26 september 2017 waarna een nieuwe verjaringstermijn van één jaar begon te lopen, die door de wet van 6 maart 2018 werd verlengd tot twee jaar en waarbinnen de verjaring opnieuw werd gestuit door de behandeling op de rechts-zitting van 9 oktober 2018; zij laten evenwel na te preciseren of de termijn door de wetswijziging werd verlengd tot 29 oktober 2018 dan wel tot 26 september 2019 (derde middel); deze beslissing is ook dubbelzinnig gemotiveerd (vierde middel).
- Uit het antwoord op het eerste en tweede middel volgt dat de appelrechters naar recht oordelen dat de strafvordering niet is vervallen door verjaring. Aldus kunnen de middelen, al waren ze gegrond, niet tot cassatie leiden en zijn zij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Vijfde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 50 Wegverkeersreglement, als-ook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de wettelijkheid van straffen en de strikte interpretatie van de strafwet: het bestreden vonnis veroor-deelt de eiser voor de telastlegging houden van snelheids- en sportwedstrijden zonder toelating; deze telastlegging vereist een competitie-element, dat slaat op een geldelijk voordeel en niet op een geestelijke wedijver tussen bepaalde perso-nen; aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht.
- Artikel 50 Wegverkeersreglement bepaalt dat alle snelheids- en sportwed-strijden op de openbare weg zijn verboden, behoudens speciale toelating van de wettelijk gemachtigde overheid. Uit deze bepaling volgt dat weliswaar enkel wedstrijden met een competitie-element onder deze bepaling vallen, maar niet dat er een geldelijk competitie-element moet zijn. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat "alle elementen in het strafdossier wij-zen er op dat het gaat om een in onderling overleg genomen beslissing om snel te rijden en samen te blijven, en bestendig te pogen elkaar in te halen of voorbij te steken. Beklaagden hebben met andere woorden in onderling overleg de beslis-sing genomen om (samen) een verboden, geïmproviseerde snelheidswedstrijd te houden in de zin van artikel 50 AVR." Met deze redenen verantwoorden de appel-rechters eisers schuldigverklaring aan de telastlegging G naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de wettigheid en de proportionaliteit van de straffen: het bestreden vonnis veroordeelt de eiser tot een effectieve geldboete van 2.400,00 euro en een rijverbod van twee jaar, waarvan één jaar met uitstel; rekening houdend met eisers concrete omstandigheden, waaronder het gegeven dat hij als zelfstandig bedrijfsleider van een transportbedrijf failliet kan gaan door het opgelegde rijverbod, is deze straf onmenselijk.
- Krachtens artikel 3 EVRM mag niemand worden onderworpen aan folte-ringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
- Binnen de perken van de wet en de verdragsbepalingen die in België recht-streekse werking hebben, bepaalt de rechter in feite en bijgevolg onaantastbaar de sanctie die hij in verhouding acht met de zwaarte van de bewezen verklaarde inbreuk en de persoonlijkheid van de dader. Het Hof kan evenwel nagaan of uit de vaststellingen en de overwegingen van de bestreden beslissing niet blijkt dat er werd geoordeeld met schending van die verdragsbepaling.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de aan de eiser opgelegde straffen, hun aard en omvang en het al dan niet effectief karakter ervan, passend en geboden zijn rekening houdend met: - de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde misdrijven, met name het houden van een straatrace tijdens dewelke diverse verkeersinbreu-ken werden gepleegd, waardoor een objectief bijzonder gevaarlijke situatie werd gecreëerd en dat een dermate laakbaar gedrag uitmaakt dat het een mil-de bestraffing in de weg staat; - de ernst van de feiten meer bepaald het uit te spreken verval verantwoordt en de eiser verplicht zich zodanig te organiseren dat de gevolgen van dit rijver-bod ook op professioneel gebied tot het minimum beperkt blijven, wat ertoe zal bij¬dragen zijn verantwoordelijkheidszin aan te scherpen; - de persoon van de eiser, zoals die blijkt uit zijn strafrechtelijk verleden, leef-tijd, rijervaring, gezins-, arbeids- en sociale situatie, alsook zijn financiële draagkracht. Op grond van deze redenen verantwoorden de appelrechters de opgelegde be-straffing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 8 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen van de wettigheid en de proportionaliteit van de straffen: de door het bestreden vonnis opgelegde bestraffing, meer bepaald het rijverbod, hypothekeert eisers economische perspectieven en vormt een dis-propor-tionele inbreuk op zijn recht om op probate wijze een inkomen te genere-ren ter ondersteuning van zijn privé-leven.
- Artikel 8 EVRM verhindert de rechter niet om een straf op te leggen die hij rekening houdend met de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoon van de beklaagde passend acht, ook wanneer deze straf een impact heeft op het verdienvermogen van de beklaagde en diens economische perspec-tieven mogelijkerwijze hypothekeert. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen vermeld in het antwoord op het zesde middel verantwoor-den de appelrechters de opgelegde straf naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Doo-ren, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div