← België

V. contra G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8 Rolnummer: P.19.0931.N Zaak: V. contra G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-24 Raadplegingen: 783 - laatst gezien 2026-06-28 23:49 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het plots optreden van een ernstige medische aandoening die een bestuurder ertoe noodzaakt abnormaal traag te rijden of plots te remmen, maakt een reden uit bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, Wegverkeersreglement, ook al weet die bestuurder dat hij wegens zijn vooraf bestaande medische toestand niet beschikt over de vereiste lichaamsgesteldheid om een voertuig te besturen en ook al is zijn aandoening een voorzienbaar gevolg van zijn vooraf bestaande toestand; die bepaling heeft immers enkel betrekking op de concrete verkeerssituatie waarin de bestuurder zich bevindt. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 10.2 - Plots remmen zonder veiligheidsredenen - Veiligheidsredenen - Begrip Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit - 01-12-1975 - Art. 10.2 - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0931.N P. V., beklaagde en burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Jacques Heyvaert, advocaat bij de balie Dendermonde, tegen

  1. N. G., beklaagde en burgerlijke partij, met als raadsman mr. Luc Craps, advocaat bij de balie Limburg,
  2. AG INSURANCE, met zetel te 1000 Brussel, Emile Jacqmainlaan 53, vrijwillig tussengekomen partij, met als raadsman mr. Daan Vanden Boer, advocaat bij de balie Limburg,
  3. B. D. B., burgerlijke partij, met als raadsman mr. Luc Craps, advocaat bij de balie Limburg, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctio-nele rechtbank Limburg, afdeling Tongeren, van 18 juli
  4. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  5. Krachtens artikel 416 Wetboek van Strafvordering kunnen de partijen slechts cassatieberoep instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang heb-ben.
  6. Een burgerlijke partij heeft geen hoedanigheid om op te komen tegen de beslissing over de strafvordering, behoudens in het geval van een veroordeling tot de kosten op strafgebied. In zoverre het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing over de tegen de ver-weerster 1 ingestelde strafvordering, is het niet ontvankelijk.
  7. Het bestreden vonnis verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de ver-weerster 1 tegen de eiser niet gegrond. In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan be-lang evenmin ontvankelijk. Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 10.2, eerste lid, Wegverkeers-reglement: het bestreden vonnis spreekt de verweerster 1 vrij van de overtreding van die bepaling (telastlegging B) omdat zij zou zijn gestopt om veiligheidsre-denen, namelijk wegens een black-out veroorzaakt door epilepsie; het oordeelt echter dat de verweerster 1 een voorgeschiedenis van epilepsieaanvallen had en daarom wegens medische redenen geen voertuig mocht besturen; een veilig-heidsreden is een externe, onvoorzienbare gebeurtenis; hier is er echter sprake van een voorzienbare black-out en dus een interne oorzaak; bijgevolg miskent het bestreden vonnis het wettelijk begrip veiligheidsreden.
  9. Artikel 8.3 Wegverkeersreglement bepaalt dat elke bestuurder in staat moet zijn te sturen en de vereiste lichaamsgeschiktheid en de nodige kennis en rijvaardigheid moet bezitten. Hij moet steeds in staat zijn alle nodige rijbewe-gingen uit te voeren en voortdurend zijn voertuig of zijn dieren goed in de hand hebben. Krachtens artikel 10.2, eerste lid, Wegverkeersreglement mag geen enkele be-stuurder de normale gang van andere bestuurders hinderen door abnormaal traag te rijden wanneer daar geen geldige reden toe is of door plots te remmen wan-neer dit niet om veiligheidsredenen vereist is.
  10. Het plots optreden van een ernstige medische aandoening die een bestuur-der ertoe noodzaakt abnormaal traag te rijden of plots te remmen, maakt een re-den uit bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, Wegverkeersreglement, ook al weet die bestuurder dat hij wegens zijn vooraf bestaande medische toestand niet beschikt over de vereiste lichaamsgeschiktheid om een voertuig te besturen en ook al is zijn aandoening een voorzienbaar gevolg van zijn vooraf bestaande toestand. Die bepaling heeft immers enkel betrekking op de concrete verkeerssituatie waarin de bestuurder zich bevindt. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Het bestreden vonnis oordeelt, eensdeels, dat de verweerster 1 ingevolge haar medische historiek als epilepticus wist dat zij niet in staat was te sturen. Het oordeelt, anderdeels, dat de verweerster 1 is gestopt als gevolg van haar medi-sche toestand kort voor en op het ogenblik van de aanrijding, namelijk een black-out ingevolge epilepsie, en dat die toestand een veiligheidsreden uitmaakt zoals hier bedoeld. Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het bestreden vonnis is tegenstrijdig gemotiveerd; enerzijds veroordeelt het de verweerster 1 voor de overtreding van artikel 8.3, eerste lid, Wegverkeersreglement (telastleg-ging A) omdat zij, gelet op haar medische toestand als epilepticus, om veilig-heidsredenen niet in staat was een voertuig te besturen; anderzijds spreekt het de verweerster 1 vrij van de overtreding van artikel 10.2, eerste lid, Wegverkeersre-glement omdat zij, gelet op haar medische toestand, een veiligheidsreden had om plots te remmen en tot stilstand te komen op de rijbaan waarop zij niet mocht rijden met haar voertuig.
  13. Het aangevoerde motiveringsgebrek is geheel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het middel is niet ontvankelijk. Derde middel
  14. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het bestreden vonnis verwerpt de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweersters 1 en 2; het oordeelt dat de eiser een fout heeft begaan die in oorzakelijk verband staat met het verkeersongeval en de eruit voortvloeiende schade, maar dat de fout van de verweerster 1 niet in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met dat ongeval en die schade; aldus gaat het bestreden vonnis niet na of de schade, zoals ze zich in concreto heeft voorgedaan, op dezelfde manier zou zijn ontstaan zonder de fout van de verweerster 1 en miskent het het wettelijk begrip oorzakelijk verband.
  15. De rechter die vaststelt dat meer dan één persoon een fout heeft begaan, moet onderzoeken of tussen elk van die fouten en de schade al dan niet een oor-zakelijk verband bestaat.
  16. Het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade kan slechts worden uitgesloten indien de rechter vaststelt dat de schade, zoals ze zich in concreto voordoet, ook zonder de betrokken fout op dezelfde wijze zou zijn ontstaan. Dat is niet het geval wanneer de rechter vaststelt dat de fout niet de rechtstreekse oorzaak van de schade is.
  17. De appelrechters die oordelen dat de bewezen verklaarde overtreding op artikel 8.3 Wegverkeersreglement door de verweerster 1 eveneens een fout be-treft in de zin van artikel 1382 Burgerlijk Wetboek en een causaal verband ver-werpen op grond van de vaststelling dat deze fout niet in rechtstreeks oorzakelijk verband staat met het verkeersongeval en de eruit voortvloeiende schade, gaan niet na of die schade zich in concreto ook zou hebben voorgedaan zonder die fout en verantwoorden bijgevolg hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het uitspraak doet over de burgerlijke rechtsvordering van de eiser tegen de verweerster
  18. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot twee derden van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat ze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Antwerpen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 585,32 euro, waarvan 201,69 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Doo-ren, en op de openbare rechtszitting van 14 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201110.2N.9 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210302.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.