id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.11 Rolnummer: C.19.0634.N Zaak: P. contra P. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 572 - laatst gezien 2026-06-28 12:18 Versie(s): Vertaling FR Fiche De wraking die na de aanvang van de pleidooien wordt ingesteld is slechts ontvankelijk wanneer zij is gegrond op redenen die pas nadien aan het licht kwamen en zij wordt voorgedragen zodra de gronden hiertoe bekend zijn aan de partij die zich erop beroept en uiterlijk voor het einde van het beraad; een nadien ingestelde vordering tot wraking is niet ontvankelijk
(1).
(1)Cass. 8 maart 2013, AR C.13.0068.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.9, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: WRAKING Vrije woorden: Instellen van een verzoek tot wraking - Na aanvang van de pleidooien - Ontvankelijkheid - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 833 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0634.N T. P.-M., verzoeker tot wraking, bijgestaan door mr. Tim Laureys, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 233, in de zaak hangende voor het hof van beroep te Gent onder het rolnummer 2019/AR/679, tussen: C. P.-M., appellant, met als raadslieden mr. Céline Masschelein en mr. Ruth Declerck, advocaten bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Congreslaan 27, en T. P.-M., voornoemd, geïntimeerde, met als raadslieden mr. Tim Laureys, voornoemd, en mr. Dieter Aerts, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9090 Melle, Brusselsesteenweg
- I. VORDERING Het verzoek tot wraking, waarvan een eensluidend verklaard afschrift aan dit arrest is gehecht, is neergelegd op de griffie van het hof van beroep te Gent op 27 november
- Het is ondertekend door een advocaat die meer dan tien jaar bij de balie is ingeschreven. Raadsheer Anne Grawet wiens wraking gevorderd wordt, heeft op 28 november 2019 de bij artikel 836, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven verklaring gedaan, volgens welke zij weigert zich van de zaak te onthouden. II. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. III. BESLISSING VAN HET HOF
- De verzoeker vordert de wraking van raadsheer Anne Grawet op grond van wettige verdenking en het bestaan van een hoge graad van vijandschap, zoals bedoeld in artikel 828, 1° en 12°, Gerechtelijk Wetboek, omdat een reeks van incidenten bij de verzoeker de sterke indruk heeft gewekt van vooringenomenheid en vijandschap in hoofde van de gewraakte magistraat.
- Krachtens artikel 833 Gerechtelijk Wetboek moet hij die een wraking wil voordragen dit doen vóór de aanvang van de pleidooien, ook van die welke betrekking hebben op de tussengeschillen over de rechtspleging, tenzij de redenen van de wraking later zijn ontstaan. De wraking die na de aanvang van de pleidooien wordt ingesteld, is nochtans ontvankelijk wanneer zij gegrond is op redenen die pas nadien aan het licht kwamen. Een dergelijke wraking moet evenwel worden voorgedragen zodra de gronden hiertoe bekend zijn aan de partij die zich erop beroept en uiterlijk vóór het einde van het beraad. Een nadien ingestelde vordering tot wraking is niet ontvankelijk.
- Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de gewraakte magistraat in de zaak 2019/AR/679 op 26 september 2019 en 10 oktober 2019 uitspraak heeft gedaan over door de tegenstrever van de verzoeker gevorderde voorlopige maatregelen. In het eerste tussengeschil werd de zaak behandeld op de terechtzittingen van 12 en 19 september 2019 en op de laatstvermelde terechtzitting in beraad genomen. In het tweede tussengeschil werd de zaak behandeld en in beraad genomen op de terechtzitting van 26 september
- Uit wat voorafgaat volgt dat de redenen die aan het licht zijn gekomen tijdens de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 26 september 2019 of voordien, niet meer als wrakingsgrond kunnen worden voorgedragen. In zoverre zij is gesteund op de onder de nummers 1 tot 7 ingeroepen feiten, is de vordering tot wraking bijgevolg niet ontvankelijk.
- De omstandigheid dat de gewraakte magistraat tijdens de persoonlijke verschijning van de partijen die betrekking heeft op de deugdelijkheid van het door de verzoeker aangevoerde bezit van een boot, hem de vraag stelt: "Hoe bent u in het bezit van de boot gekomen?", kan, zelfs indien die vraag niet pertinent zou zijn, geen wettige verdenking doen ontstaan.
- Het door de verzoeker en zijn raadsman na voorlezing ondertekend proces-verbaal van persoonlijke verschijning vermeldt: "Op de vraag hoe is de boot in uw bezit geraakt antwoordt [de verzoeker]: ‘Ik kan hier niet op antwoorden want anders ondermijn ik mijn recht van bezit'." Door de verzoeker wordt niet aannemelijk gemaakt dat herhaald werd geweigerd die vraag in het proces-verbaal te noteren.
- De omstandigheid dat de gewraakte magistraat bij het vastleggen van de pleitdatum de mening zou hebben uitgedrukt dat een korte conclusiekalender kon volstaan omdat alles al in vroegere conclusies zou uiteengezet zijn, kan evenmin wettige verdenking doen ontstaan. Anders dan de verzoeker aanvoert, kan daaruit niet worden afgeleid dat het oordeel van de gewraakte magistraat reeds was gevormd.
- Het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 oktober 2019 vermeldt: "Het Hof gaat over tot de persoonlijke verschijning van partijen in raadkamer, waarvan afzonderlijk proces-verbaal wordt opgemaakt. De aanwezige raadslieden worden ieder gehoord en komen onderling conclusietermijnen overeen met name: - tot 22 december 2019 voor geïntimeerde; - tot 22 februari 2020 voor appellant; - tot 30 maart voor geïntimeerde. De voorzitter zal een beschikking verlenen met pleitdatum op 30 april 2020 om 11.00 uur (pleitduur 30')." Uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat de door de gewraakte magistraat in toepassing van artikel 747, § 2, Gerechtelijk Wetboek verleende beschikking van 29 oktober 2019 hieraan volkomen beantwoordt. Het onder het nummer 11 aangevoerde feit is geheel in strijd met de authentieke vermeldingen van het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 oktober
- Het geheel van de tijdig aangevoerde redenen doet geen wettige verdenking ontstaan en laat noch minder toe te besluiten dat de gewraakte magistraat de sereniteit van de behandeling van de zaak in gevaar heeft gebracht. In zoverre zij is gesteund op de onder de nummers 8 tot 11 aangevoerde feiten, is de vordering tot wraking ongegrond. Dictum Het Hof, Verwerpt het verzoek. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten voor verzoeker op 20 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Alain Smetryns en Koen Mestdagh, de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130308.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div