id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20
Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiches 3 - 5 De omstandigheid dat de opdracht van een gerechtsdeurwaarder die door het openbaar ministerie wordt gevorderd om bepaalde opdrachten uit te voeren verband houdt met de taken waartoe de gerechtsdeurwaarder verplicht is, doet er geen afbreuk aan dat de verplichting van de Staat tot betaling van diens onkostenstaat een verbintenis inhoudt die primair strekt tot betaling van een geldsom waarop moratoire interest is verschuldigd indien de betaling niet gebeurt binnen redelijke termijn en na aanmaning
(1).
(1)Cass. 8 mei 2009, AR F.08.0012.N ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090508.3, AC 2009, nr. 304. Thesaurus CAS: GERECHTSDEURWAARDER Vrije woorden: Vorderend magistraat - Opdracht die verband houdt met verplichte taken van de gerechtsdeurwaarder - Onkostenstaat - Belgische Staat - Verplichting tot betaling - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1153
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen reglement - 28-12-1950 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Thesaurus CAS: VERBINTENIS Vrije woorden: Vorderend magistraat - Opdracht die verband houdt met verplichte taken van de gerechtsdeurwaarder - Onkostenstaat - Belgische Staat - Verplichting tot betaling - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1153
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen reglement - 28-12-1950 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Opdracht die verband houdt met verplichte taken van de gerechtsdeurwaarder - Onkostenstaat - Belgische Staat - Verplichting tot betaling - Gevolg Wettelijke bepalingen: oud
Art. 1153
, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Algemeen reglement - 28-12-1950 - 31 Link Justel databank 19501228-31 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.18.0490.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, met kabinet te 1000 Brussel, Waterloolaan 115, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, tegen SMET GERECHTSDEURWAARDERSKANTOOR bv comm. v., met zetel te 9820 Merelbeke, Florastraat 30, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 3 mei
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 12 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 3, eerste lid, Programmawet (II) van 27 december 2006 geeft de vorderende magistraat opdracht aan de dienstverlenende persoon, legt hij de draagwijdte ervan vast en bepaalt de termijn waarbinnen deze moet worden voltooid. Krachtens het tweede lid van die wetsbepaling controleert de vorderende magistraat na uitvoering van de opdracht de kwaliteit van de verleende dienst en de gelijkvormigheid ervan met de tarifering en stelt hij de onkostenstaat vast. Krachtens het derde lid van die wetsbepaling kan de magistraat, inzonderheid bij vertraging in de uitvoering van de opdracht door de dienstverlenende persoon, bij slechte uitvoering of bij overdreven facturering, welke de aard van de opdracht ook moge zijn, de onkostenstaat verminderen bij een met redenen omklede beslissing. Krachtens artikel 4, § 1, eerste lid, Programmawet (II) van 27 december 2006 worden de onkostenstaten betaalbaar gesteld na taxatie.
- Hieruit volgt dat de onkostenstaten pas invorderbaar zijn na de taxatie door de vorderende magistraat, waarbij de kwaliteit van de verleende dienst en de gelijkvormigheid ervan met de tarifering worden nagegaan. Indien de vorderende magistraat evenwel niet binnen een redelijke termijn overgaat tot taxatie van de kostenstaat, zodat er sprake is van een fout in de zin van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek, mag de rechter de overheid veroordelen tot betaling van de onkostenstaat.
- De appelrechters stellen vast dat volgens de eerste rechter: - het vorderend parket hoe dan ook binnen een redelijke termijn van maximum twee maanden vanaf de kennisname van de ereloonstaat, de ereloonstaat van de verweerster moet goedkeuren of verminderen; - de eiser vervolgens binnen een navolgende redelijke termijn van maximaal een maand vanaf het verstrijken van de eerste termijn van twee maanden, de ereloonstaat hetzij moet betwisten, hetzij moet betalen; - de eiser niet de eigen nalatigheid mag inroepen om aan zijn betalingsverplichting te ontsnappen. Zij oordelen vervolgens dat: - rekening houdend met de toepasselijke reglementering, inzonderheid de omzendbrief nr. 22/2010, en de door de eiser aangevoerde behartiging van het algemeen belang en de continuïteit van zijn werking, de concrete invulling van die redelijke termijnen door de eerste rechter correct is; - "een normaal zorgvuldig optredende overheid in die omstandigheden immers geacht [wordt] zich dermate te organiseren dat ze in staat is om de gevolgen van de door haar zelf uitgedokterde werkwijze, zoals vastgelegd in de omzendbrief nr. 22/2010, te dragen binnen die termijnen".
- De appelrechters die aldus te kennen geven dat de eiser in strijd met het bepaalde in de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek naliet om binnen een redelijke termijn tot de taxatie en de betaling van de onkostenstaat van de verweerder over te gaan en die op die grond de eiser veroordelen tot de betaling ervan, verantwoorden hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 1153, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bestaat inzake verbintenissen die alleen betrekking hebben op het betalen van een bepaalde geldsom, de schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering nooit in iets anders dan de wettelijke interest, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. De verplichting van de Staat tot betaling van een onkostenstaat van een gerechtsdeurwaarder die door het openbaar ministerie werd gevorderd om bepaalde opdrachten uit te voeren, houdt een verbintenis in die primair strekt tot betaling van een geldsom, waarop moratoire interest verschuldigd is indien de betaling niet gebeurt binnen een redelijke termijn en na aanmaning. De omstandigheid dat de opdrachten verband houden met taken waartoe de gerechtsdeurwaarder verplicht is op grond van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, doet daaraan geen afbreuk. Het onderdeel dat uitgaat van het tegendeel, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 845,77 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2009:ARR.20090508.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div