id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.7 Rolnummer: C.19.0344.N Zaak: V. contra T. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-02-11 Raadplegingen: 324 - laatst gezien 2026-06-28 07:45 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 26.1, derde lid Pachtwet beperkt slechts het recht op vergoeding voor niet-afgeschreven kosten bedoeld in het tweede lid maar niet de vergoeding voor waardevermeerdering bedoeld in het eerste lid, zodat indien de pacht wordt beëindigd op initiatief van de pachter de vergoeding steeds ten minste gelijk dient te zijn aan de waardevermeerdering van het pachtgoed, zelfs als deze meer bedraagt dan de pacht betaald tijdens de laatste vijf jaren. Thesaurus CAS: PACHT Vrije woorden: Pachtovereenkomst - Beëindiging op initiatief van de pachter - Vergoeding - Omvang Wettelijke bepalingen: Wet - 04-11-1969 - Art. 26.1, derde lid - 30 ELI link Pub nr 1969110401 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. C.19.0344.N J. V. O., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, tegen
- J. T.,
- S. L., verweerders, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 23 november
- Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 12 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Artikel 26.1, eerste lid, Pachtwet bepaalt dat de pachter die de kosten van de gebouwen en werken heeft gedragen, bij het verstrijken van de pacht recht heeft op een vergoeding die gelijk is aan de waardevermeerdering welke het goed daardoor heeft verkregen. Artikel 26.1, tweede lid, Pachtwet bepaalt dat indien de gebouwen en werken zijn uitgevoerd ofwel met schriftelijke toestemming van de verpachter of, in geval van vruchtgebruik, met schriftelijke toestemming van de blote eigenaar en de vruchtgebruiker, ofwel met machtiging van de vrederechter, de vergoeding niet lager mag zijn dan de door de pachter gedragen kosten, in zoverre deze niet zijn afgeschreven. Deze afschrijving wordt forfaitair bepaald op 4 pct. per jaar. Krachtens artikel 26.1, derde lid, Pachtwet mag, wanneer de pacht een einde neemt op initiatief van de pachter, de in het vorige lid bepaalde vergoeding niet hoger zijn dan hetgeen de pachter tijdens de vijf laatste jaren in het geheel aan pacht heeft betaald voor de gezamenlijke goederen die hij van dezelfde eigenaar in pacht had.
- Uit de tekst van artikel 26.1, derde lid, Pachtwet volgt dat deze bepaling slechts het recht op vergoeding voor de niet-afgeschreven kosten bedoeld in het tweede lid beperkt en niet de vergoeding voor de waardevermeerdering bedoeld in het eerste lid. Hieruit volgt dat wanneer de pacht wordt beëindigd op initiatief van de pachter, de vergoeding steeds ten minste gelijk dient te zijn aan de waardevermeerdering van het pachtgoed, zelfs als deze meer bedraagt dan de tijdens de vijf laatste jaren betaalde pacht. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 533,62 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 16 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200116.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div