id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 Rolnummer: P.19.0631.N Zaak: V. contra HET VLAAMS GEWEST Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 983 - laatst gezien 2026-06-29 07:19 Versie(s): Vertaling FR Fiche Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de hoogte van de maximum gevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf en bij gelijkheid van de maximum geldboete de minimum gevangenisstraf
(1)Cass. 11 september 2018, RABG 2019/8, 593 en noot B. SPRIET, "Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf"; Cass. 29 september 1993, AR P.93.0293.F ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6, AC 1993, nr. 383, RW 1993-94, 1301 met noot B. SPRIET, "Vergelijking van de zwaarte van straffen". Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Beoordeling - Criteria Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0631.N M. G. E. V. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Delbrouck, advocaat bij de balie Limburg, tegen
- VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Minister van Werk, Economie en Sport, met kantoor te 1000 Brussel, Martelaarsplein 7, burgerlijke partij,
- Vincent GEERAERT, met kantoor te 3500 Hasselt, Prins Bisschopssingel 31, in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement van BIO OIL EX-PLOITATION nv, burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 21 mei
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cas-satieberoep aan de verweerders is betekend, zoals vereist door artikel 427 Wet-boek van Strafvordering. In zoverre ook gericht tegen de beslissing op de door de verweerders ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.
- Het arrest spreekt de eiser vrij van de telastleggingen C XXIX, C XXXI en C XLI. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 780, eerste lid, 2°, Gerechtelijk Wetboek: het arrest laat ten onrechte na het rijksregisternummer van de ver-weerder 2 te vermelden hoewel dit door de voormelde bepaling op straffe van nietigheid is voorgeschreven.
- Het middel dat betrekking heeft op een beslissing waarvoor het cassatieberoep niet ontvankelijk is, behoeft geen antwoord. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 152, § 1, en § 2, en 209bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de eiser zijn op 16 maart 2018 per e-deposit neergelegde "vervan-gende synthesebesluiten" niet op de rechtszitting heeft neergelegd noch heeft hernomen, zodat met dit stuk geen rekening kan worden gehouden; het arrest verwijst evenwel expliciet naar de "vervangende syntheseconclusie" (p. 15) alsook naar verweermiddelen, die de eiser in deze conclusie heeft uiteengezet (p. 14 en p. 16); hieruit blijkt dat eisers conclusie deel heeft uitgemaakt van het debat en de hierin opgenomen middelen en excepties mondeling werden hernomen; de wering van deze conclusie getuigt bovendien van een excessief formalisme.
- Uit het arrest volgt dat de appelrechters, na hun beslissing om de "vervangende synthesebesluiten" te weren die via e-deposit werden overgemaakt, vrijwel uitsluitend verwijzen naar eisers argumentatie zoals uiteengezet in zijn synthe-seberoepsbesluiten. Enkel op pagina 15 van het arrest wordt melding gemaakt van een "vervangende syntheseconclusie". Na te hebben verwezen naar eisers stelling over de eenzijdige opbouw van het dossier zoals uitgewerkt in zijn "syntheseberoepsbesluiten", stellen de appelrechters meer bepaald vast dat "dit verweer zoals uiteengezet in de vervangende syntheseconclusie een letterlijke overname is van het voor de eerste rechter ge-voerde verweer". Hieruit volgt dat deze verwijzing naar de "vervangende synthe-seconclusie" berust op een materiële verschrijving die het Hof correct vermag te lezen als "syntheseberoepsbesluiten". In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Uit het enkele feit dat de rechter in zijn beslissing verwijst naar een welbepaald door de beklaagde gevoerd verweer, kan niet worden afgeleid dat een conclusie waarin dit verweer eveneens werd gevoerd maar die niet op de rechtszitting werd neergelegd in zijn geheel deel heeft uitgemaakt van het debat ter rechtszitting. Hij is dan ook niet verplicht te antwoorden op de middelen en ex-cepties, aangevoerd in deze conclusie, die op de rechtszitting niet mondeling werden hernomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In strafzaken moet de conclusie in de regel blijken uit een geschrift dat, ongeacht zijn benaming of vorm, tijdens het debat ter rechtszitting door een partij of zijn advocaat aan de rechter wordt voorgelegd, waarvan regelmatig is vastgesteld dat de rechter kennis ervan heeft genomen en waarin middelen tot staving van een eis, verweer of exceptie zijn aangevoerd. Bijgevolg is het geschrift uitgaande van een partij of haar advocaat dat, ook al bevat het dergelijke middelen, niet tijdens het debat aan de rechter is voorgelegd maar aan de griffie is overgemaakt, zonder dat uit de stukken van de rechtspleging blijkt dat het an-dermaal ter rechtszitting is neergelegd of dat de eiser zijn middelen mondeling heeft aangevoerd, in de regel geen schriftelijke conclusie waarmee de rechter re-kening moet houden. Behoudens in het hier niet-toepasselijke geval van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, kan een partij haar conclusie enkel neerleggen ter griffie van het strafgerecht, desgevallend per e-deposit, wanneer de rechter con-clusietermijnen heeft bepaald op grond van artikel 152 Wetboek van Strafvordering. De wering van geschriften die buiten het toepassingsgebied van deze wets-bepaling ter griffie zijn neergelegd, getuigt niet van een excessief formalisme. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 489 en 489bis, 4°, Strafwetboek: met het oordeel dat "het voeren van (...) onderhandelingen [met nieuwe investeerders om de financiële toestand van de onder-neming te bevorderen] geen vrijbrief is voor het uitstellen van een noodzakelijk geworden aangifte binnen de bij wet gestelde termijn", leidt het arrest het voor artikel 489bis, 4°, Strafwetboek vereiste opzet om de faillietverklaring uit te stellen enkel af uit de materiële voltrekking van het misdrijf; dit opzet is niet aanwezig indien de laattijdige aangifte van het faillissement toe te schrijven is aan een te goeder trouw gemaakte inschatting van de overlevingskansen die naderhand fout bleek te zijn; de appelrechters laten hierbij na vast te stellen dat de eiser wist dat de onderneming geen overlevingskansen had en aldus niet te goeder trouw heeft gehandeld; aldus miskent het arrest dat opzetvereiste en schakelt het dit gelijk aan de zorgvuldigheidsnorm.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordelen de appelrechters tevens dat na de datum van staking van betaling de schulden en beslagen zich verder opstapel-den en er geen geld was om deze schulden af te betalen. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 489bis, 4°, Strafwetboek bestraft de in artikel 489 van dat wetboek bedoelde personen die, met het oogmerk om de faillietverklaring uit te stellen, verzuimd hebben binnen de gestelde termijn aangifte te doen van het faillissement.
- De rechter kan het bijzonder opzet om de faillietverklaring uit te stellen af-leiden uit het feit dat een bestuurder, door de niet-aangifte van het faillissement van de vennootschap, de schulden van die vennootschap laat oplopen terwijl er geen hoop bestaat op een verbetering van haar financiële toestand. Daarmee stelt de rechter het bedoelde opzet niet gelijk met de zorgvuldigheidsnorm. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit die onjuiste rechtsopvatting. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 182 en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser schuldig aan de telastlegging C, heromschreven als een inbreuk op artikel 505, eerste lid, 2°, 3° en 4°, Strafwetboek; het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten onder de beide omschrijvingen identiek zijn en bestaan uit cash afhalingen van de rekening op naam van Recycling Company; het zich wederrechtelijk toe-eigenen van gelden door cash afhalingen is evenwel een andere feitelijke gedraging dan het verwerven, verhelen of verhullen van criminele gelden via dergelijke afhalingen; aldus veroordeelt het arrest de eiser voor feiten die niet zijn opgenomen in de ak-te van aanhangigmaking.
- In correctionele zaken maakt de dagvaarding die de zaak aanhangig maakt bij het vonnisgerecht niet de daarin vervatte kwalificatie aanhangig, maar wel de feiten zoals zij blijken uit de stukken van het onderzoek en die aan de dagvaar-ding ten grondslag liggen. De rechter is niet gebonden door de in de dagvaarding gegeven kwalificatie, maar hij moet aan de feiten hun juiste omschrijving geven. Vereist is dat, mits eerbiediging van het recht van verdediging van partijen, de nieuwe omschrijving hetzelfde feit tot voorwerp heeft als de materiële gebeurtenis die het voorwerp van de vervolging uitmaakt.
- De rechter oordeelt ook in hoger beroep onaantastbaar welke de materiële gebeurtenis is die het voorwerp van de vervolging uitmaakt en die aan de dag-vaarding ten grondslag ligt en of een heromschrijving het aanhangig gemaakte feit ongewijzigd laat. Het middel dat in zijn geheel opkomt tegen die onaantastbare beoordeling, is niet ontvankelijk. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, eerste lid, Strafwetboek - de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod
- Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende mis-drijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet.
- Het arrest veroordeelt de eiser voor de feiten der telastleggingen A.I-A.IX (inbreuk op de artikelen 193, 196, 197, 213 en 214 Strafwetboek, strafbaar na correctionalisering met een hoofdgevangenisstraf van een tot vijf jaar en een geldboete van 26 tot 2.000 euro), B.I-B.V (inbreuk op de artikelen 1, 2, § 4, 3 en 4 van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, strafbaar met een hoofdgevangenisstraf van een tot vijf jaar en een geldboete van 26 tot 100.000 euro), C.I-C.XXVIII, C.XXX, C.XXXII-C.XL en CXLII-C.XLIV (inbreuk op artikel 505 Strafwetboek, strafbaar met een hoofdgevangenisstraf van 15 dagen tot vijf jaar en een geldboete van 26 tot 100.000 euro of een van die straffen) en D (inbreuk op artikel 489bis, 4°, Strafwetboek, strafbaar met een hoofdgevangenisstraf van een maand tot twee jaar en een geldboete van 100 tot 500.000 euro of een van die straffen), samen tot een hoofdgevangenisstraf, een geldboete, een vervangende gevangenisstraf en de door de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalde beroepsverboden telkens voor een periode van vijf jaar.
- Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de hoogte van de maximum gevangenisstraf vergeleken, bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf en bij gelijkheid van de maximum geldboete de minimum gevangenisstraf.
- Hieruit volgt dat het misdrijf waarvoor de zwaarste straf kon worden uitgesproken het misdrijf is bedoeld met de telastlegging B. Voor dit misdrijf kon het arrest krachtens de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod geen be-roepsverbod opleggen.
- Het arrest dat naast de veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf en een geldboete, de eiser tevens de beide beroepsverboden oplegt, is niet naar recht verantwoord. Omvang van de cassatie
- De onwettigheid van de opgelegde beroepsverboden tast de wettigheid van de beslissing over de schuld en van de overige straffen niet aan. Ambtshalve onderzoek voor het overige
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het de eiser de beroepsverboden in de zin van de artikelen 1 en 1bis Wet Beroepsuitoefeningsverbod oplegt. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het ge-deeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen reden is voor verwijzing. Bepaalt de kosten op 186,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221108.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240917.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:1993:ARR.19930929.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200317.2N.1 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211109.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.15 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220628.2N.18 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div