← België

K.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.10 Rolnummer: P.19.1322.N Zaak: K. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 452 - laatst gezien 2026-06-28 09:00 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 4 De artikelen 43, 47 tot en met 56 Interneringswet die de plaatsing en het verder beheer van de internering regelen onderwerpen die aan een periodiek onderzoek waarbij artikel 54 Interneringswet evenwel op dit systeem van periodiek onderzoek een uitzondering bepaalt in geval van hoogdringendheid, waarbij naast het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke van de zorg van de inrichting ook de geïnterneerde of zijn advocaat de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan verzoeken een beslissing te treffen over bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de internering; met voormelde bepalingen wordt het recht op toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn geëerbiedigd en worden de artikelen 5.4 en 13 EVRM niet geschonden

(1).
(1)H. HEIMANS, T. VANDER BEKEN EN E. SCHIPAANBOORD, "Eindelijk een echte nieuwe en goede wet op de internering" Deel I: De gerechtelijke fase, RW 2014-2015, 1043-1064, Deel II: De uitvoeringsfase, RW 2015-2016, 42-62, Deel III: De reparatie, RW 2016-2017, 603-619; T. VANDER BEKEN, "De nieuwe interneringswetgeving", in P. TRAEST, A. VERHAGE EN G VERMEULEN (eds.), Strafrecht en strafprocesrecht: doel of middel in een veranderende samenleving, Mechelen, Wolters Kluwer,
  1. Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - INTERNERING Vrije woorden: Kamer voor bescherming van de maatschappij - Verder beheer van de internering - Periodiek onderzoek - Toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ - KAMER VOOR BESCHERMING VAN DE MAATSCHAPPIJ Vrije woorden: Internering - Verder beheer van de internering - Periodiek onderzoek - Toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.4 Vrije woorden: Recht op vrijheid en veiligheid - Internering - Verder beheer van de internering - Periodiek onderzoek - Toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 13 Vrije woorden: Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel - Internering - Verder beheer van de internering - Periodiek onderzoek - Toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1322.N P. K., geïnterneerde, eiser, met als raadsman mr. Peter Verpoorten, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de Nederlandstalige strafuitvoeringsrechtbank Brussel, kamer voor de bescherming van de maatschappij, van 23 december
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  3. Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de beslissingen tot de toekenning van uitgaansvergunningen en de plaatsing van de eiser in de afdeling tot de bescherming van de maatschappij te Merksplas, geen cassatieberoep openstaat. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 5.1.e EVRM: het vonnis steunt de beslissing tot afwijzing van eisers verzoek tot onmiddellijke invrijheidstelling ten onrechte op het verslag van de psychosociale dienst van de gevangenis; een intern verslag, opgesteld door een psychiater verbonden aan de gevangenis en opgesteld op briefpapier waarop het logo van de fod justitie is aangebracht, is geen objectieve medische expertise; de gevangenis wordt immers georganiseerd door de Belgische Staat, die zowel door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens als verschillende Belgische rechtscolleges reeds herhaaldelijk is veroordeeld voor de opsluiting van geesteszieken in strijd met de artikelen 3 en 5 EVRM; bovendien werd daarom en gezien de laatste expertise reeds dateert van 3 maart 2014, ten onrechte geweigerd de aanstelling van een externe psychiatrisch deskundige te bevelen.
  5. Uit de omstandigheid dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kritiek heeft geuit op het Belgisch interneringssysteem volgt niet dat een psychiater verbonden aan de psychosociale dienst van een Belgische gevangenis, geen objectief medisch verslag zou kunnen opstellen. In zoverre faalt het middel naar recht.
  6. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de Belgische Staat door verschillende Belgische rechtbanken en hoven is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding aan geïnterneerden voor een schending van de bepalingen van het EVRM. In zoverre vereist het middel een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het niet ontvankelijk.
  7. Bij de beoordeling van de aanvoering van een geïnterneerde dat hij niet langer getroffen is door een geestesstoornis, staat het de kamer voor de bescherming van de maatschappij vrij daarin de verslaggeving door de psychiater verbonden aan de psychosociale dienst van de gevangenis te betrekken. Het staat aan de kamer om de bewijswaarde van dat verslag, dat de geïnterneerde vrij heeft kunnen tegenspreken, in feite te beoordelen. Deze medische verslaggeving wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed objectief te zijn. Dit tegenbewijs volgt niet uit de loutere omstandigheid dat deze psychiater, die onderworpen is aan de medische deontologie, verbonden is aan een dienst van de fod justitie en het verslag op briefpapier van deze overheidsdienst is opgemaakt. In zoverre faalt het middel naar recht.
  8. In zoverre het middel aanvoert dat de aanstelling van een externe psychiatrisch deskundige was gevraagd omwille van de bekritiseerde objectiviteit van het verslag vanwege de psychiater verbonden aan de psychosociale dienst van de gevangenis, is het afgeleid uit voormelde vergeefs aangevoerde verdragsschending en bijgevolg niet ontvankelijk.
  9. De internering is krachtens artikel 9, § 2, Interneringswet in beginsel slechts mogelijk na de uitvoering van een door artikel 5 van deze wet bedoeld forensisch psychiatrisch deskundigenonderzoek of de actualisatie van een eerder uitgevoerd deskundigenonderzoek. De kamer voor de bescherming van de maatschappij, als multidisciplinair en gespecialiseerd rechtscollege, staat in voor de uitvoering van de interneringsbeslissing. De Interneringswet voorziet in een periodieke opvolging door de kamer voor de bescherming van de maatschappij waarbij telkens adviezen worden ingewonnen waarin ook de geestestoestand aan bod komt. Bij de periodieke beslissingen over de verdere tenuitvoerlegging van de internering, die in beginsel uiterlijk binnen het jaar moeten gebeuren, dient de kamer zich uit te spreken over het al dan niet nog bestaan van een geestesstoornis indien zij daartoe door de geïnterneerde wordt uitgenodigd. Bij de beoordeling van de aanvoering van een geïnterneerde dat hij niet langer getroffen is door een geestesstoornis, is de kamer, die multidisciplinair is samengesteld en op psychosociaal vlak verplicht wordt geadviseerd, evenwel niet steeds verplicht om overeenkomstig artikel 51, § 2, Interneringswet een aanvullend forensisch psychiatrisch onderzoek te bevelen, maar oordeelt zij onaantastbaar of die beoordeling een extern onderzoek vergt. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbaar oordeel, is het niet ontvankelijk. Tweede middel
  10. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en het algemeen rechtsbeginsel van de onpartijdigheid van de rechter: bij hoogdringende beschikking van 13 december 2019, dit is tijdens het beraad voorafgaand aan het vonnis, kende de kamer voor de bescherming van de maatschappij aan de eiser een uitgaansvergunning toe met de motivering dat de uitvoering daarvan een impact kan hebben op zijn zorgtraject; daarmee gaf de kamer, alvorens het vonnis van 23 december 2019 te wijzen, blijk van vooringenomenheid, aangezien de eiser ter rechtszitting van 12 december 2019 om een definitieve invrijheidstelling heeft verzocht, wat niet werd ingewilligd.
  11. Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de rechtspleging voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij. Zij oordeelt immers niet over de vaststelling van burgerlijke rechten en verplichtingen of over de gegrondheid van een strafvervolging. In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  12. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig te oordelen. Het loutere feit dat eenzelfde kamer voor de bescherming van de maatschappij na het sluiten van het debat een hoogdringende beslissing motiveert met redenen die afwijken van deze die door de geïnterneerde tijdens dit debat zijn aangevoerd, levert als dusdanig geen bewijs van subjectieve partijdigheid op. In zoverre faalt het middel naar recht. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 5.4 en 13 EVRM: het vonnis bepaalt dat de directeur van de afdeling tot de bescherming van de maatschappij of de verantwoordelijke van de zorg, tenzij hij dit vroeger nodig acht, slechts na tien maanden een nieuw advies moet uitbrengen; aldus zal de eiser in werkelijkheid gedurende een jaar, en dus te lang, niet meer voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij verschijnen; bovendien laat artikel 54 Interneringswet, zoals thans toepasselijk, niet langer toe dat op verzoek van de eiser reeds vroeger een tegensprekelijk debat voor de kamer plaatsvindt.
  14. In zoverre het middel gericht is tegen de Interneringswet en niet tegen het vonnis, is het niet ontvankelijk.
  15. In zoverre het middel aanvoert dat bij de eerstvolgende beoordeling door de kamer voor de bescherming van de maatschappij geen tegensprekelijk debat zal plaatsvinden, berust het op een hypothese of op een toekomstige gebeurtenis en is het eveneens niet ontvankelijk.
  16. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser in werkelijkheid gedurende een jaar niet meer voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij zal verschijnen, berust het evenzeer op een hypothese of op een toekomstige gebeurtenis en is het niet ontvankelijk.
  17. Artikel 5.4 EVRM verhindert niet dat op het recht op voorziening bij een rechter door de wet beperkingen worden gesteld.
  18. De artikelen 47 tot en met 56 Interneringswet regelen het verder beheer van de internering. Die wordt aan een periodiek onderzoek onderworpen, waarbij de kamer voor de bescherming van de maatschappij op gestelde tijdstippen de toestand van de geïnterneerde moet onderzoeken, zonder dat deze daartoe het initiatief moet nemen. Deze procedure is aan termijnen gebonden die een behandeling door de kamer binnen een redelijke termijn moet waarborgen. Uit de artikelen 43 en 52 Interneringswet volgt dat, indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij beslist tot een plaatsing, zij in haar vonnis bepaalt wanneer de directeur of de verantwoordelijke voor de zorg, naargelang van de inrichting waar de geïnterneerde persoon verblijft, een advies moet uitbrengen. Deze termijn mag niet langer zijn dan één jaar te rekenen van de datum van het vonnis. Binnen de maand na de ontvangst van dit advies stelt het openbaar ministerie een met redenen omkleed advies op (artikel 49 Interneringswet) en na ontvangst daarvan ter griffie van de strafuitvoeringsrechtbank wordt de zaak tegensprekelijk behandeld op de eerste nuttige zitting van de kamer voor de bescherming van de maatschappij (artikel 50 Interneringswet). Artikel 54 Interneringswet bepaalt op dit systeem van periodiek onderzoek een uitzondering in geval van hoogdringendheid, waarbij naast het openbaar ministerie en de directeur of de verantwoordelijke van de zorg van de inrichting ook de geïnterneerde of zijn advocaat de kamer voor de bescherming van de maatschappij kan verzoeken een beslissing te treffen over bepaalde uitvoeringsmodaliteiten van de internering.
  19. Met voormelde bepalingen wordt het recht op toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn geëerbiedigd. Het vonnis dat overeenkomstig oordeelt, schendt de artikelen 5.4 en 13 EVRM niet. In zoverre faalt het middel naar recht. Ambtshalve onderzoek
  20. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251021.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.