id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.13 Rolnummer: P.20.0063.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 586 - laatst gezien 2026-06-29 07:03 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die net als de raadkamer beslist tot de handhaving van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde uit te voeren in de gevangenis, wijzigt geen voor de inverdenkinggestelde gunstigere beschikking, ook niet als zij die handhavingsbeslissing neemt op grond van andere redenen dan de raadkamer
(1).
(1)Cass. 6 november 2012, AR P.12.1704.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121106.3, AC 2012, nr.
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Handhaving van de hechtenis - Strafverzwaring - Draagwijdte Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Bevoegdheid van de rechter - Handhaving van de hechtenis - Strafverzwaring - Draagwijdte Fiches 3 - 4 Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde betreffende het bestaan van recidive- en collusiegevaar als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet op het ogenblik van de beslissing, maar die verplichting houdt niet in dat de kamer van inbeschuldigingstelling, gelet op de korte duur waarbinnen zij moet beslissen, voor elke door een inverdenkinggestelde voorgestelde voorwaarde moet preciseren waarom die niet van aard is het gevaar voor recidive- en collusiegevaar te neutraliseren; die motiveringsverplichting heeft niet tot doel een inverdenkinggestelde in te lichten over de voorwaarden die bij een volgende beslissing over de handhaving van de voorlopige hechtenis wel van aard zouden zijn om het gevaar voor recidive en collusie te neutraliseren. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Motivering - Recidive-en collusiegevaar - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Motivering - Recidive-en collusiegevaar - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde betreffende de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het recidive- en collusiegevaar als bedoeld in artikel 16, § 1, eerste en vierde lid, Voorlopige Hechteniswet op het ogenblik van de beslissing; die verplichting houdt niet in dat de kamer van inbeschuldigingstelling, gelet op de korte duur waarbinnen zij moet beslissen, moet antwoorden op elk argument dat een inverdenkinggestelde aanvoert ter betwisting van die volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het bestaan van recidive- en collusiegevaar, voor zover de kamer zich over die volstrekte noodzakelijkheid en die gevaren uitspreekt. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HOGER BEROEP Vrije woorden: Kamer van inbeschuldigingstelling - Motivering - Volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en recidive-en collusiegevaar - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Hoger beroep - Kamer van inbeschuldigingstelling - Motivering - Volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en recidive-en collusiegevaar - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 10 Artikel 3 EVRM houdt geen verbod in op het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding of de handhaving ervan lastens een inverdenkinggstelde die voorhoudt een significante verslavingsproblematiek te hebben en psychisch kwetsbaar te zijn en het houdt evenmin een verplichting in de inverdenkinggestelde dadelijk over te brengen naar een psychiatrische instelling en hem vervolgens residentieel te behandelen; het gerechtelijk onderzoek en de in het kader daarvan bevolen vrijheidsberoving van een inverdenkinggestelde hebben immers ook tot doel zijn geestestoestand te onderzoeken en vast te stellen, alsook de impact van die toestand op het plegen van de feiten, zodat voor zover aan de inverdenkinggestelde in de gevangenis passende zorg wordt verstrekt, een voorlopige hechtenis die wordt uitgevoerd in een gevangenis geen schending inhoudt van artikel 3 EVRM. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 3 Vrije woorden: Verbod van foltering - Uitvaardiging van een aanhoudingsbevel of handhaving van de voorlopige hechtenis - Uitvoering in de gevangenis - Geestestoestand van de inverdenkingggestelde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Uitvoering in de gevangenis - Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering - Geestestoestand van de inverdenkingggestelde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Uitvoering in de gevangenis - Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering - Geestestoestand van de inverdenkingggestelde - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Uitvaardiging van een aanhoudingsbevel of handhaving van de voorlopige hechtenis - Uitvoering in de gevangenis - Artikel 3 EVRM - Verbod van foltering - Geestestoestand van de inverdenkingggestelde - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.20.0063.N K. H., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Anthony Roegiers, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 9 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zeven middelen aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is te-genstrijdig gemotiveerd; het neemt enerzijds de redenen van de schriftelijke vordering van het openbaar ministerie over waarin wordt gesteld dat de feiten onder de telastlegging A een straf tot gevolg kunnen hebben die de vijftien jaar opsluiting te boven gaat; het bevestigt anderzijds de beroepen beslissing waarin wordt gesteld dat die feiten een correctionele hoofdgevangenisstraf van 1 jaar of een zwaardere straf tot gevolg kunnen hebben, maar het maximum van 15 jaar opsluiting niet te boven gaat; de redenen en de motieven van het arrest zijn niet verzoenbaar.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de on-derzoeksgerechten inzake voorlopige hechtenis. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Het arrest bevestigt de beroepen beschikking op grond van een geheel van eigen en uit de vordering van de procureur-generaal overgenomen redenen. Het neemt dan ook de redenen van de beroepen beschikking niet over. De aangevoer-de tegenstrijdigheid bestaat bijgevolg niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Tweede en derde middel
- Het tweede middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest wijzigt zonder vaststelling van eenparigheid een voor de eiser gunstigere beslissing; het arrest oordeelt immers door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie dat de feiten onder de te-lastlegging A een straf tot gevolg kunnen hebben die 15 jaar opsluiting te boven gaat, terwijl de beroepen beschikking oordeelde dat die feiten slechts aanleiding konden geven tot een correctionele hoofdgevangenisstraf van 1 jaar of een zwaardere straf, zonder dat die de 15 jaar opsluiting te boven gaat. Het derde middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvor-dering: het arrest wijzigt zonder vaststelling van eenparigheid een voor de eiser gunstigere beslissing; het arrest grondt de handhavingsbeslissing mede op het collusiegevaar, terwijl de beroepen beschikking dit element niet in aanmerking heeft genomen.
- Artikel 211bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Is er een vrijspre-kend vonnis of een beschikking tot buitenvervolgingstelling, dan kan het gerecht in hoger beroep geen veroordeling of verwijzing uitspreken dan met eenparige stemmen van zijn leden. Dezelfde eenstemmigheid is vereist voor het gerecht in hoger beroep om tegen beklaagde uitgesproken straffen te kunnen verzwaren. Dit geldt eveneens inzake voorlopige hechtenis om een voor de beklaagde gunstige beschikking te kunnen wijzigen."
- De kamer van inbeschuldigingstelling die net als de raadkamer beslist tot de handhaving van de voorlopige hechtenis van een inverdenkinggestelde uit te voeren in de gevangenis, wijzigt geen voor de inverdenkinggestelde gunstigere beschikking, ook niet als zij die handhavingsbeslissing neemt op grond van an-dere redenen dan de raadkamer. De middelen die uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen naar recht. Vierde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest moti-veert onvoldoende waarom de in eisers appelconclusie concreet uitgewerkte ne-gen voorwaarden en ondergeschikt de modaliteit van het elektronisch toezicht niet volstaan om het recidive- en het collusiegevaar te neutraliseren; de eiser kan op basis van die motivering niet achterhalen hoe hij bij een volgende beoorde-ling van de handhaving van de voorlopige hechtenis de afgewezen voorwaarden kan aanpassen, verbeteren of aanvullen om de invrijheidstelling te verkrijgen.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de on-derzoeksgerechten inzake voorlopige hechtenis. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting te antwoorden op de conclusie van een inverdenkinggestelde betreffende het bestaan van reci-dive- en collusiegevaar als bedoeld in artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet op het ogenblik van die beslissing. Die verplichting houdt niet in dat de kamer van inbeschuldigingstelling, gelet op de korte duur waarbinnen zij moet beslissen, voor elke door een inverdenkinggestelde voorgestelde voorwaar-de moet preciseren waarom die niet van aard is het gevaar voor recidive en col-lusie te neutraliseren.
- Die motiveringsverplichting heeft niet tot doel een inverdenkinggestelde in te lichten over de voorwaarden die bij een volgende beslissing over de handha-ving van de voorlopige hechtenis wel van aard zouden zijn om het gevaar voor recidive en collusie te neutraliseren.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- Het arrest preciseert door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie met verwijzing naar concrete dossiergegevens waarom er gevaar is voor recidive en collusie. Het stelt ook vast dat de door de eiser voorgestelde voorwaarden en de modaliteit van het elektronisch toezicht het recidive- en collusiegevaar onvoldoende neutraliseren, waaruit blijkt dat de appelrechters die voorwaarden en die modaliteit hebben getoetst aan het door hen vastgestelde recidive- en collusiegevaar. Aldus hebben zij voldaan aan de op hen rustende motiveringsverplichting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Vijfde en zesde middel
- De middelen voeren schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is ondeugdelijk gemotiveerd; het antwoordt immers niet op de in eisers appelcon-clusie opgeworpen juridische argumentaties betreffende de cruciale toetsstenen en bezwaren met betrekking tot de handhaving van de voorlopige hechtenis; het arrest laat eisers aanvoering onbeantwoord dat het gevaar voor de openbare veiligheid en het recidive-, collusie- en onttrekkingsgevaar niet in abstracto, maar in concreto moeten worden gemotiveerd (vijfde middel) en dat de voorlopige hechtenis disproportionele effecten zou veroorzaken voor zijn persoonlijke en financiële situatie en zijn mentale gezondheidstoestand (zesde middel).
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen van de onderzoeksgerechten inzake voorlopige hechtenis. In zoverre de middelen schending van artikel 149 Grondwet aanvoeren, falen ze naar recht.
- Uit de artikelen 23, 4°, en 30, § 3, derde lid, Voorlopige Hechteniswet volgt voor de kamer van inbeschuldigingstelling de verplichting te antwoorden op een conclusie van een inverdenkinggestelde betreffende de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het recidive- en collusiegevaar als bedoeld in artikel 16, § 1, eerste en vierde lid, Voorlopige Hechteniswet op het ogenblik van de beslissing. Die verplichting houdt niet in dat de kamer van inbe-schuldigingstelling, gelet op de korte duur waarbinnen zij moet beslissen, moet antwoorden op elk argument dat een inverdenkinggestelde aanvoert ter betwis-ting van die volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid en het be-staan van recidive- en collusiegevaar, voor zover de kamer zich over die vol-strekte noodzakelijkheid en die gevaren uitspreekt. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Het arrest stelt door overname van de redenen van de vordering van het openbaar ministerie en met eigen redenen de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid vast, alsook het bestaan van recidive- en collusiegevaar. Daarmee beantwoordt het de door de eiser in zijn appelconclusie aangevoerde betwistingen zonder dat het specifiek diende te antwoorden op de door de midde-len bedoelde argumenten. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Zevende middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 EVRM: het arrest handhaaft de voorlopige hechtenis en biedt de eiser niet de mogelijkheid om zich te laten opnemen in een psychiatrische instelling; de appelrechters veronachtzamen ei-sers verslavingsproblematiek en kwetsbare psychische toestand; aan de eiser wordt de mogelijkheid ontzegd zich te laten behandelen, waardoor hij een onwaardige behandeling krijgt in strijd met zijn mentale welbevinden.
- Artikel 3 EVRM houdt geen verbod in op het uitvaardigen van een bevel tot aanhouding of de handhaving ervan lastens een inverdenkinggstelde die voorhoudt een significante verslavingsproblematiek te hebben en psychisch kwetsbaar te zijn. Het houdt evenmin een verplichting in de inverdenkinggestelde dadelijk over te brengen naar een psychiatrische instelling en hem vervolgens residentieel te behandelen. Het gerechtelijk onderzoek en de in het kader daarvan bevolen vrijheidsberoving van een inverdenkinggestelde hebben immers ook tot doel zijn geestestoestand te onderzoeken en vast te stellen, alsook de impact van die toestand op het plegen van de feiten. Voor zover aan de inverdenkinggestelde in de gevangenis passende zorg wordt verstrekt, houdt een voorlopige hechtenis die wordt uitgevoerd in een gevangenis geen schending in van artikel 3 EVRM. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waar-voor het Hof niet bevoegd is en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, sa-mengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2020 uitgesproken door waarne-mend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121106.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div