← België

V. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 Rolnummer: P.19.0693.N Zaak: V. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-28 Raadplegingen: 1169 - laatst gezien 2026-06-29 07:31 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen; listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak en louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling, leveren geen listige kunstgreep op indien ze niet gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen en bovendien moeten listige kunstgrepen determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak, dit wil zeggen dat er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de listige kunstgrepen en de afgifte of de levering

(1).
(1)Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, nr. 123, RW 2016-17, afl. 18, 708, 708 en noot; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47; Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660, T.Strafr. 2013, afl. 3, 189, noot G. SCHOORENS, "De invulling en draagwijdte van de constitutieve bestanddelen van het misdrijf van oplichting". Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Bestanddelen - Begrip Bestanddelen - Listige kunstgrepen - Leugenachtige beweringen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 3 - 6 Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken en de rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet; artikel 1, f), Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalt dat ingeval van een veroordeling wegens misbruik van vertrouwen of oplichting of poging daartoe, de rechter die veroordeling kan gepaard doen gaan met een verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon de in artikel 1 vermelde functies uit te oefenen voor een duur van minstens drie en maximum tien jaar, maar een veroordeling wegens artikel 504quater Strafwetboek laat het opleggen van dit beroepsverbod niet toe
(1).
(1)Cass. 11 september 2018, RABG 2019/8, 593 en noot B. SPRIET, "Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf"; zie Cass. 13 december 2016, AR P.15.1117.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.6, AC 2015, nr.
  1. N waar het Hof heeft geoordeeld dat spijts de afwezigheid van de vermelding van valsheid in informatica in het KB nr. 22 dit misdrijf toch aanleiding kan geven tot een beroepsverbod; Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit, Parl. St., Kamer, 1999-2000, 0213/001-0214/001, pp. 5-6, 10 en 13; J. COPPENS, Wet & Duiding strafrecht, Commentaar onder artikel 210bis Sw.; P. DE HERT, "De wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit en het materieel strafrecht. Een wet die te laat komt of een wet die er nooit had moeten komen?", T. Strafr. 2001, pp. 317-
  2. Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Eéndaadse samenloop - Voortgezet of collectief misdrijf - Bijkomende straffen - Beroepsverbod - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Voortgezet of collectief misdrijf - Zwaarste straf - Bijkomende straffen - Beroepsverbod - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Beroepsverbod - Eéndaadse samenloop - Voortgezet of collectief misdrijf - Zwaarste straf - Bijkomende straffen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: INFORMATICA Vrije woorden: Informaticabedrog - Artikel 504quater Strafwetboek - Eéndaadse samenloop - Voortgezet of collectief misdrijf - Zwaarste straf - Bijkomende straf - Beroepsverbod - Draagwijdte - Gevolg Fiche 7 Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de hoogte van de maximum gevangenisstraf vergeleken en bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf
(1).
(1)Cass. 11 september 2018, RABG 2019/8, 593 en noot B. SPRIET, "Penaal beroepsverbod ex KB nr. 22 van 24 oktober 1934, mede bij een voortgezet misdrijf". Thesaurus CAS: STRAF - ZWAARSTE STRAF Vrije woorden: Beoordeling - Criteria Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0693.N M. V., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  1. M. D., burgerlijke partij,
  2. D. I., burgerlijke partij,
  3. E. H., burgerlijke partij,
  4. R. M., burgerlijke partij,
  5. F. D. P., burgerlijke partij,
  6. Ch. C., burgerlijke partij,
  7. G. R., burgerlijke partij,
  8. Ch. L., burgerlijke partij,
  9. W. B., , burgerlijke partij,
  10. M.-Ch. V., burgerlijke partij,
  11. M. D., burgerlijke partij,
  12. N. L., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 juni
  13. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat het cassatieberoep aan de verweerders is betekend, zoals nochtans vereist door artikel 427 Wetboek van Strafvordering. In zoverre gericht tegen de beslissing op de door de verweerders ingestelde burgerlijke rechtsvorderingen, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
  15. Het middel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek: het arrest verklaart de eiser schuldig aan oplichting door enkel te verwijzen naar leugenachtige beweringen die geen listige kunstgrepen zijn; dergelijke beweringen kunnen enkel listige kunstgrepen uitmaken wanneer bepaalde feiten of omstandigheden ze kracht bijzetten en ze geloofwaardig maken.
  16. Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen.
  17. Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Louter leugenachtige beweringen, zelfs bij herhaling, leveren geen listige kunstgreep op indien ze niet gepaard gaan met uitwendige handelingen die er enige geloofwaardigheid aan verlenen. Bovendien moeten listige kunstgrepen determinerend zijn voor de afgifte of de levering van de zaak, dit wil zeggen dat er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen de listige kunstgrepen en de afgifte of de levering.
  18. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan oplichting en poging tot oplichting (telastleggingen A.1-A.12, B.1-B.14 en C.1-C.4) bestaande in het zich doen overhandigen bij wijze van betaling van de aankoop van kookmateriaal (potten, pannen, bestekken en messen) waarbij de eiser zich voordoet als een vertegenwoordiger van de firma SG GROUP en voorwendt dat het te koop aangeboden kookmateriaal een goed en duur product is, terwijl het kookmateriaal in werkelijkheid van minderwaardige kwaliteit is en of waarbij het aangerekende en de middels een mobiele betaalterminal betaalde bedragen de overeengekomen verkoopsom ruim overstijgen.
  19. Het arrest (p. 15) stelt in het algemeen vast dat de oplichtingspraktijken van de eiser erin bestonden dat er gebruik makend van wisselende gehuurde voertuigen allerhande minderwaardig kookgerief als premium werd verkocht door middel van listige kunstgrepen, de meeste slachtoffers goed werden uitgekozen en meestal gewoon op straat aangesproken, aan de potentiële dikwijls bejaarde slachtoffers allerhande verhaaltjes werden verteld over de kwaliteit van de premiummerken en de reden waarom die te koop werden aangeboden, waarbij de goedgelovige mensen ervan werden overtuigd om potten en pannen aan te kopen en de geleverde koopwaar in ieder geval altijd van minderwaardige kwaliteit was en geenszins van de vooropgestelde premiummerken, waarbij bovendien meermaals grote bedragen werden afhandig gemaakt door gebruik te maken van een betaalterminal waarbij eveneens op listige wijze werd tewerk gegaan. Het arrest (p. 15-35) beschrijft vervolgens voor de deeltelastleggingen hoe de eiser concreet tewerk ging.
  20. Uit die beschrijvingen en beoordelingen blijkt dat het arrest niet louter leugenachtige beweringen van de eiser als listige kunstgrepen in aanmerking neemt als determinerend voor de afgifte van de vermelde geldsommen, maar aanneemt dat die leugenachtige beweringen kracht werden bijgezet door uitwendige handelingen die er geloofwaardigheid aan verleenden, met name het meestal overhandigen aan de slachtoffers van een kaartje van de firma SG GROUP, het vertonen en leveren van het kookgerief dat de eiser bij zich had, alsook het gebruik van de betaalterminal, die niet alleen werd aangewend om de aan de slachtoffers vooropgestelde bedragen afhandig te maken, maar ook hogere bedragen. Op grond van die redenen verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat de eiser gebruik makend van listige kunstgrepen zich aan de in de voormelde telastleggingen omschreven feiten van oplichting en poging oplichting heeft schuldig gemaakt. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel
  21. Het middel voert schending aan van artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: de appelrechters hebben nagelaten het burgerlijk bewijsreden toe te passen.
  22. Artikel 16 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering verplicht de strafrechter om, wanneer het misdrijf verband houdt met de uitvoering van een overeenkomst waarvan het bestaan wordt ontkend of waarvan de uitlegging wordt betwist, zich te gedragen naar de regels van het burgerlijk bewijsrecht. Deze bepaling is evenwel niet van toepassing als het misdrijf bestaat in het sluiten van de overeenkomst zelf, wat hier het geval is. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepalingen - artikel 65, eerste lid, Strafwetboek - artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod
  23. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt dat wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet gelijktijdig aan eenzelfde feitenrechter worden voorgelegd, alleen de zwaarste straf wordt uitgesproken. De rechter kan in dat geval voor het geheel van de bestrafte feiten slechts die hoofd- en bijkomende straffen opleggen waarin de strafwet die de zwaarste straf bepaalt, voorziet.
  24. Het arrest veroordeelt de eiser voor de feiten van de telastleggingen A.1 tot en met A.12, B.1 tot en met B.14 (inbreuk op artikel 496, eerste en tweede lid, Strafwetboek, strafbaar met een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar en een geldboete van 26 tot 3.000 euro), C.1 tot en met C.4 (inbreuk op artikel 496, derde lid, Strafwetboek, strafbaar met een hoofdgevangenisstraf van 8 dagen tot 3 jaar en een geldboete van 26 tot 2.000 euro), D (inbreuk op artikel 491, eerste lid, Strafwetboek, strafbaar met een gevangenisstraf van 1 maand tot 5 jaar en een geldboete van 26 tot 500 euro) en E (inbreuk op artikel 504quater, § 1, Strafwetboek, strafbaar met een gevangenisstraf van 6 maanden tot 5 jaar en een geldboete van 26 tot 100.000 euro, of een van die straffen).
  25. Artikel 1, f), Wet Beroepsuitoefeningsverbod bepaalt dat ingeval een veroordeling wegens misbruik van vertrouwen of oplichting of poging daartoe, de rechter die veroordeling kan gepaard doen gaan met een verbod om persoonlijk of door een tussenpersoon de in artikel 1 vermelde functies uit te oefenen voor een duur van minstens drie en maximum tien jaar. Een veroordeling wegens artikel 504quater Strafwetboek laat het opleggen van dit beroepsverbod niet toe.
  26. Voor het bepalen van het misdrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, wordt de hoogte van de maximum gevangenisstraf vergeleken en bij gelijkheid van de maximum gevangenisstraf de maximum geldboete en dit ongeacht de hoogte van de minimum gevangenisstraf.
  27. Hieruit volgt dat het misdrijf waarvoor de zwaarste straf kon worden uitgesproken het misdrijf is bedoeld met de telastlegging E. Voor dit misdrijf kan het arrest evenwel niet het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde beroepsverbod opleggen.
  28. Het arrest dat naast de veroordeling tot een hoofdgevangenisstraf, gedeeltelijk met uitstel, alsook tot een geldboete, aan de eiser tevens voor een periode van vijf jaar een door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoeld beroepsverbod oplegt, is niet naar recht verantwoord. Omvang van de cassatie
  29. De onwettigheid van het opgelegde beroepsverbod tast de wettigheid van de beslissing over de schuld en de veroordeling tot de overige straffen niet aan. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het arrest in zoverre het aan de eiser voor een termijn van vijf jaar het door artikel 1 Wet Beroepsuitoefeningsverbod bedoelde beroepsverbod oplegt. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot vijf zesden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is tot verwijzing. Bepaalt de kosten 216,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 21 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20201201.2N.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210105.2N.8 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210323.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241217.2N.17 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161213.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.