id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.1 Rolnummer: F.16.0140.N Zaak: R. contra het VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 780 - laatst gezien 2026-06-28 10:17 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.1 Fiche 1 Uit de artikelen 27 en 29 W. Succ. volgt dat een schuld slechts in het passief van de nalatenschap wordt aanvaard indien de erfopvolgers het bestaan en het bedrag van die schuld bewijzen en dat, wanneer de administratie op aannemelijk wijze aanvoert dat een schuld reeds voor het overlijden kan zijn terugbetaald, zij tevens aantonen dat die schuld op de dag van het overlijden nog niet was voldaan; aangezien het nog niet terugbetaald zijn van de schuld een negatief feit betreft, volstaat het dat de erfopvolgers de waarschijnlijkheid van dat feit aantonen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Aannemelijk passief van de nalatenschap - Bestaande schuld op de dag van het overlijden - Overbedelingsschuld - Bewijslast - Omvang Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - Artt. 27 en 29 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Fiche 2 Bij een schenking door schulderkenning houdt de door de schenker aangegane schuld geen verband met een tegenprestatie die leidt tot het behoud van de gelden in het actief, maar houdt verband met de bedoeling van de schenker om de begiftigde te bevoordelen; de schulderkenning heeft niet tot gevolg dat de schenker een schuld aangaat die het behoud van een goed als onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: Aannemelijk passief van de nalatenschap - Schulden aangenomen bij toepassing van artikel 33, vierde lid, W.Succ. - Schenking door schulderkenning - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wetboek der successierechten - 31-03-1936 - Art. 33 - 30 Link Justel databank 19360331-30 Tekst van de beslissing Nr. F.16.0140.N
- C. R.,
- S. R.,
- A. R., eisers, met als raadsman mr. Nicolas Geelhand de Merxem, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 215, en mr. Wim Carpels, advocaat bij de balie provincie Antwerpen, met kantoor te 2970 Schilde, Kasteeldreef 125, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, in de persoon van de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, met kantoor te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
- I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het tussenarrest van 24 maart 2015 en het eindarrest van 19 januari 2016 van het hof van beroep te Antwerpen. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 14 oktober 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- De appelrechters oordelen dat: - niet wordt betwist dat er in de authentieke akte een keuzebeding werd opgenomen; - het voorbrengen van de notariële akte geen sluitend bewijs brengt, omdat de instrumenterende notaris de uitoefening van de keuze van de overlevende echtgenoot wat betreft de door hem samengestelde kavel en de eventueel verschuldigde opleg ingevolge de keuze niet heeft kunnen vaststellen en dit uiteraard niet heeft kunnen attesteren; - de eisers te dezen geenszins het bestaan en de omvang van de verbintenis waartoe de overledene gehouden was ingevolge het uitoefenen van het keuzebeding aantonen op het ogenblik van het overlijden van L. R.; - enkel blijkt dat de keuze werd opgenomen in de aangifte nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot, maar er geen opgave van de vordering werd gedaan die door het keuzebeding onder last in principe in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot zit met een waarde gelijk aan de eventueel verschuldigde opleg; - zelfs indien uit de voormelde aangifte van nalatenschap van C. L. zou blijken dat de langstlevende bij het eerste overlijden economisch gezien meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen had verkregen, dan hieruit geenszins het bestaan en de omvang van de overbedelingsschuld blijkt op het ogenblik van het overlijden van L. R.; - aangezien er in de aangifte van C. L. geen schuldvordering zat, er wel degelijk kan getwijfeld worden aan het bestaan en de omvang van de overbedelingsschuld op de dag van het overlijden van L. R..
- Anders dan het middel aanvoert, hebben de appelrechters die oordelen dat de akte houdende wijziging van het huwelijkscontract van 28 oktober 1991 en de aangifte van nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot, niet het bewijs inhouden dat er op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende nog effectief een schuld bestond waartoe de langstlevende was gehouden ingevolge het uitoefenen van het keuzebeding, deze akten niet uitgelegd noch geïnterpreteerd, maar enkel de bewijswaarde ervan beoordeeld. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor de appelrechters de artikelen 1317, eerste lid, 1319, 1320 en 1322, eerste lid, Burgerlijk Wetboek en artikel 105 Wetboek van Successierechten schenden. In zoverre is het onderdeel wegens gebrek aan nauwkeurigheid, niet ontvankelijk.
- Luidens artikel 27 Wetboek van Successierechten gelden als aannemelijk passief met betrekking tot de nalatenschap, naast de begrafeniskosten, slechts de op de dag van het overlijden bestaande schulden van de overledene. Krachtens artikel 29, eerste lid, Wetboek van Successierechten moet het bestaan der schulden bewezen worden door de bewijsmiddelen die in rechte toelaatbaar zijn tussen schuldeiser en schuldenaar. Hieruit volgt dat een schuld slechts in het passief van de nalatenschap wordt aanvaard indien de erfopvolgers het bestaan en het bedrag van die schuld bewijzen en dat, wanneer de administratie op aannemelijk wijze aanvoert dat een schuld reeds voor het overlijden kan zijn terugbetaald, zij tevens aantonen dat die schuld op de dag van het overlijden nog niet was voldaan. Aangezien het nog niet terugbetaald zijn van de schuld een negatief feit betreft, volstaat het dat de erfopvolgers de waarschijnlijkheid van dat feit aantonen. Het onderdeel dat volledig berust op de veronderstelling dat de bewijslast in hoofde van de erfopvolgers beperkt is tot het bewijs van het ontstaan van de schuld, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - zelfs indien uit de voormelde aangifte van nalatenschap van C. L. zou blijken dat de langstlevende bij het eerste overlijden economisch gezien meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen had verkregen hieruit geenszins het bestaan en de omvang van de overbedelingsschuld blijkt op het ogenblik van het overlijden van L. R.; - aangezien er in de aangifte van C. L. geen schuldvordering zat, er wel degelijk kan getwijfeld worden aan het bestaan en de omvang van de overbedelingsschuld op de dag van het overlijden van L. R.. De appelrechters geven aldus te kennen dat zij twijfelen aan het bestaan van een overbedelingsschuld en dat zij deze schuld niet kunnen aanvaarden in het passief, omdat de eisers nalaten om het bestaan en de omvang ervan te bewijzen op de dag van het overlijden van de erflater.
- Het onderdeel dat ervan uitgaat dat het niet duidelijk is of de appelrechters beslissen tot het niet aanvaarden van de schuld in het passief van de nalatenschap om reden dat de eisers niet bewijzen dat de schuld nog bestond op het ogenblik van het overlijden van de erflater, steunt op een verkeerde lezing van de beslissing van de appelrechters en mist mitsdien feitelijke grondslag. Derde onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - het bestaan van de schulden moet bewezen worden aan de hand van de bewijsmiddelen die in rechte in de relatie tussen schuldeiser en schuldenaar toelaatbaar zijn; - in de regel het bewijs van de schulden geleverd moet worden door een geschrift, behoudens in de gevallen waar andere bewijsmiddelen toegelaten zijn; - er te dezen geen sprake is van gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens in de zin van artikel 1353 Burgerlijk Wetboek.
- Anders dan het onderdeel aanvoert, hebben de appelrechters de eisers geenszins verplicht tot het leveren van een negatief bewijs aan de hand van geschriften. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
- Krachtens artikel 34, eerste lid, Wetboek van Successierechten is het bestuur, in al de gevallen bevoegd om van de aangevers het overleggen te vorderen van een verklaring van de schuldeiser, waarbij wordt bevestigd dat een in het passief opgenomen schuld ten laste van de overledene op dag van diens overlijden bestond. De verklaring van de schuldeiser strekt ertoe de schuldeiser te laten bevestigen dat de schuld nog niet was terugbetaald op de dag van het overlijden om te vermijden dat vals passief wordt aangegeven. Die verklaring is op zich evenwel niet voldoende om het nog bestaan van de schuld te bewijzen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het bewijs en de omvang van de overbedelingsschuld op de datum van het overlijden van de erflater enkel kan bewezen worden door de verklaring van de schuldeiser, faalt het naar recht. Derde middel Eerste onderdeel
- Het eerste onderdeel voert geen andere grieven aan dan deze die tevergeefs werden aangevoerd in het eerste middel. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Indien de langstlevende echtgenoot op grond van een keuzebeding met last meer verkrijgt dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen en op grond van het huwelijkscontract een opleg verschuldigd is, dan heeft dit tot gevolg dat er zich een vordering tegen de langstlevende echtgenoot in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot bevindt en dat die vordering moet worden opgenomen in de aangifte van nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot. Het onderdeel dat uitgaat van de onjuiste juridische veronderstelling dat de aangifte van de nalatenschap van C. L. geen expliciete opgave diende te bevatten van enige opleg die door de langstlevende echtgenoot verschuldigd was, faalt naar recht.
- In zoverre het onderdeel voor het overige de grieven herhaalt die tevergeefs werden aangevoerd in het eerste middel kan het niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- De appelrechters stellen vast dat in de aangifte van nalatenschap van C. L. geen opgave werd gedaan van de vordering die door het keuzebeding onder last in principe in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot zit met een waarde gelijk aan de eventueel verschuldigde opleg. Zij oordelen voorts dat zelfs indien uit deze aangifte zou blijken dat L. R. bij het eerste overlijden economisch meer dan de helft van het gemeenschappelijk vermogen heeft verkregen, dan hieruit geenszins het bestaan en de omvang van de overbedelingsschuld op het ogenblik van zijn overlijden blijkt, aangezien de aangifte van nalatenschap gebeurde zonder opgave van enige opleg die nog door hem verschuldigd zou zijn. Zij stellen aldus niet vast dat de aangifte van nalatenschap van C. L. iets bevat dat zij niet bevat of iets niet bevat dat zij wel bevat, noch geven zij aldus aan de aangifte van nalatenschap, in combinatie met de akte wijziging huwelijksvermogensstelsel waarin het keuzebeding is vervat, een lezing die met de bewoordingen van deze akten onverenigbaar is. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vierde onderdeel
- De vaststelling van de appelrechters dat er in de aangifte van nalatenschap geen opgave werd gedaan van de vordering die door het keuzebeding onder last in principe in de nalatenschap van de eerst overleden echtgenoot valt, kan geen schending inhouden van de artikelen 1156 en 1157 Burgerlijk Wetboek die enkel van toepassing zijn bij de uitleg van contracten. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1317, eerste lid, en 1319 tot 1322 Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 29, eerste lid, en 105, eerste lid, Wetboek van Successierechten, preciseert het niet hoe en waardoor het bestreden arrest deze bepalingen schendt. Het onderdeel is in zoverre onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
- Het vijfde onderdeel herneemt de grieven die tevergeefs werden aangevoerd in het eerste onderdeel van het tweede middel. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel volgt dat het onderdeel faalt naar recht. Zesde onderdeel
- De appelrechters oordelen dat het feit dat de overbedelingsschuld pas opeisbaar was op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende echtgenoot evenmin een afdoende bewijs is omdat niets immers belet dat de beweerde verschuldigde opleg voordien volledig of gedeeltelijk kon betaald zijn.
- Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, steunt de beslissing van de appelrechters dat het niet bewezen is dat er op het ogenblik van het overlijden van de langstlevende echtgenoot nog een overbedelingsschuld bestond, niet op enige afstand van recht. Het onderdeel berust op een foutieve lezing van de beslissing van de appelrechters en mist mitsdien feitelijke grondslag. Zevende onderdeel
- Het onderdeel voert geen grieven aan die verschillen van deze die tevergeefs werden aangevoerd in de vorige onderdelen van het middel. Het kan bijgevolg niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel herneemt de grieven die tevergeefs werden aangevoerd in het eerste middel. Uit het antwoord op het eerste middel volgt dat het onderdeel niet kan worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel herneemt de grieven die tevergeefs werden aangevoerd in het eerste onderdeel van het tweede middel. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het tweede middel volgt dat het onderdeel faalt naar recht. Derde onderdeel
- Het onderdeel herneemt de grieven die werden aangevoerd in het derde onderdeel van het tweede middel in verband met de toepassing van artikel 34 Wetboek van Successierechten. Uit het antwoord op het derde onderdeel van het tweede middel volgt dat het onderdeel faalt naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel dat geen wetsbepaling als geschonden aanwijst, is niet ontvankelijk. Vijfde onderdeel
- De appelrechters oordelen dat: - de verklaring van schuldeiser de eisers geenszins ontslaat bovendien het bewijs te leveren van de schulden overeenkomstig de regels van het gemeen recht en dat dit bewijs geenszins wordt geleverd; - de verklaring van schuldeiser enkel geldt als bijkomende waarborg inzake de oprechtheid. Het onderdeel gaat ervan uit dat de appelrechters een onderscheid maken naargelang de hoedanigheid van de schuldeiser en de toepassing van artikel 34 Wetboek van Successierechten uitsluiten indien het gaat om schuldeisers van de overledene die tevens erfgenaam zijn. Het onderdeel berust op een foutieve lezing van de beslissing van de appelrechters en mist mitsdien feitelijke grondslag. Zesde onderdeel
- Het onderdeel gaat ervan uit dat het bestaan van de overbedelingsschuld op het ogenblik van het overlijden kan bewezen worden aan de hand van de verklaring van de schuldeiser. Uit het antwoord op derde onderdeel van het tweede middel volgt dat het onderdeel faalt naar recht. Vijfde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel geeft niet aan op welke feiten de appelrechters zich hebben gesteund om bij wijze van feitelijk vermoeden tot het besluit te komen dat het bestaan van een overbedelingsschuld op de dag van het overlijden niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Het onderdeel is onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- De appelrechters oordelen dat de omstandigheid dat het vermogen van de nalatenschap een welbepaald saldo had geen voldoende element is waaruit een vermoeden kan worden afgeleid dat de overbedelingsschuld nog bestond op het ogenblik van het overlijden van de erflater. Zij verwerpen en beantwoorden aldus het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Zesde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 105, eerste lid, Wetboek van Successierechten, maar preciseert niet hoe en waardoor de beslissing van de appelrechters deze wetsbepaling schendt. In zoverre is het middel onnauwkeurig en mitsdien niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 33, eerste lid, Wetboek van Successierechten worden de schulden aangegaan door de overledene ten behoeve van een zijner erfgenamen, legatarissen of begiftigden of van tussenpersonen niet aangenomen. Krachtens artikel 33, vierde lid, Wetboek van Successierechten worden bedoelde schulden evenwel aangenomen: - 1° indien het bewijs van hun echtheid door de aangevende partijen wordt ingebracht; dit bewijs kan door alle middelen van gemeen recht, ook door getuigen en vermoedens, met uitsluiting van de eed, geleverd worden; - 2° indien zij tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed, dat op de dag van het afsterven van de overledene tot de boedel behoorde.
- Hieruit volgt dat de schulden die de erflater ten behoeve van zijn erfgenamen had aangegaan, kunnen opgenomen worden in het passief van zijn nalatenschap indien de erfgenamen het bewijs leveren dat de schuld oprecht is, hetgeen veronderstelt dat zij aantonen dat de erflater zich werkelijk verbonden heeft om de schuld terug te betalen en dat de schuld bestaat op de dag van het overlijden.
- De appelrechters oordelen dat het voorbrengen van de notariële schenkingsakte geen sluitend bewijs oplevert, omdat de erflater hetgeen geschonken werd immers schuldig bleef, zodat de instrumenterende notaris de overhandiging of het bestaan van hetgeen geschonken werd niet heeft kunnen vaststellen en dit uiteraard ook niet heeft kunnen attesteren. De appelrechters die aldus oordelen dat het louter bestaan van de schenkingsakten onvoldoende is als bewijs van de oprechtheid van de schulden, beoordelen de bewijswaarde van de schenkingsakten en miskennen de bewijskracht ervan niet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Zevende middel
- De appelrechters oordelen dat: - de tweede categorie van schulden die buiten het toepassingsgebied van het eerste lid van artikel 33 Wetboek van Successierechten vallen de schulden zijn die tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed dat ten dage van het overlijden nog tot het patrimonium behoort; - de eerste vereiste dus is dat de goederen waarop de schulden betrekking hebben nog steeds tot het patrimonium van de overledene behoren, dit betekent dat tegenover de schuld in het passief, in het actief een goed moet teruggevonden worden; - de tweede vereiste is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de schuld en de verkrijging, de verbetering of de terugbekoming van het aangegeven goed, dit wil zeggen dat de schuld rechtstreeks moet voortvloeien uit de verkrijging; - het enkel gegeven dat er tegenover het passief ook een actief staat, dan ook onvoldoende is; - de aanvoering dat door de schulderkenning de schenker de geschonken goederen niet uit handen moet geven, te dezen onvoldoende is; - hieruit immers enkel blijkt dat de schenker de controle over het kapitaal/vermogen niet wil prijsgeven; - de eisers hierdoor geenszins bewijzen dat de schuld ten belope van het geschonken bedrag onmiddellijk en rechtstreeks voortvloeit uit de verkrijging, de verbetering, het behoud of de terugbekoming van een goed. De appelrechters verwerpen en beantwoorden aldus het in het middel bedoelde verweer dat de litigieuze schulden geen fictieve schuld tot voorwerp kunnen hebben omdat de schuld in rechtstreeks verband staat met de verkrijging van activa voor hetzelfde bedrag. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet mist het feitelijke grondslag.
- In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 1317, eerste lid, 1319, eerste lid, 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 33, vierde lid en 105, eerste lid, Wetboek van Successierechten, is het afgeleid uit het te vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek en mitsdien niet ontvankelijk. Achtste middel
- Uit artikel 33, eerste en vierde lid, Wetboek van Successierechten volgt dat de wetgever de bevoordeling van de erfgenaam, legataris of begiftigde niet langer vermoed wanneer de schuld is ontstaan uit het verkrijgen, verbeteren of behouden van een goed dat zich in het vermogen van de erflater bevond en deel uitmaakt van de nalatenschap. De schulden die het verkrijgen, verbeteren, behouden of opnieuw verkrijgen van een goed tot onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak hebben, kunnen worden aangenomen in het passief omdat de tegenprestatie ervan zich in de nalatenschap bevindt en er in een dergelijk geval geen sprake kan zijn van enige ontduiking van de verplichting om successierechten te betalen.
- Bij een schenking door schulderkenning erkent de schenker uit vrijgevigheid en zonder tegenprestatie een bepaalde geldsom schuldig te zijn aan de begiftigde. De schenker verplicht zich ertoe om aan de begiftigde een bepaalde som te betalen bij zijn overlijden, zodat laatstgenoemde een vordering verkrijgt op de schenker. De door de schenker aangegane schuld houdt geen verband met een tegenprestatie die leidt tot het behoud van de gelden in het actief, maar houdt verband met de bedoeling van de schenker om de begiftigde te bevoordelen.
- Het middel dat ervan uitgaat dat de schulderkenning tot gevolg heeft dat de schenker een schuld aangaat die het behoud van een goed als onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak heeft, faalt naar recht. De aangevoerde schending van de artikelen 1317, eerste lid, 1319, eerste lid, 1320 tot 1322 Burgerlijk Wetboek en artikel 105, eerste lid, Wetboek van Successierechten is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde schending van artikel 33, vierde lid, 2°, Wetboek van Successierechten en is bijgevolg niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 198,08 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman en Koenraad Moens, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200123.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div