← België

JULCO FLOWER bvba contra BELGISCHE STAAT

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.3 Rolnummer: F.18.0036.N Zaak: JULCO FLOWER bvba contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 467 - laatst gezien 2026-06-28 10:25 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 182, § 1 en § 2, eerste lid, KB WIB92 die de belastbare winst, die wordt vastgesteld in overeenstemming met de minimumwinst die per in het bijzonder aangeduide sector belastbaar is en die refereert aan de essentiële elementen die door de wetgever zijn vastgesteld, bepalen op minimum 19.000 euro, zijn in overeenstemming met de delegatie die de wetgever aan de Koning heeft gegeven. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Bewijsvoering - Vergelijking met soortgelijke belastingplichtigen Vrije woorden: Artikel 182, § 2, KB WIB92 - Bepaling belastbare minimumwinst op 19.000 EUR - Delegatie door de wetegever aan de Koning - Overeenstemming Wettelijke bepalingen: Wetboek van Inkomstenbelastingen - 12-06-1992 - Art. 342 - 30 ELI link Pub nr 1992003455 Koninklijk Besluit - 27-08-1993 - Art. 182 - 48 ELI link Pub nr 1993003537 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0036.N JULCO FLOWER bvba, met zetel te 9280 Lebbeke, Lange Breestraat 29, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de Adviseur ter KMO Centrum-Aalst-Expertise 2, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie te Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat

  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 26 september
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Krachtens artikel 170, § 1, eerste lid, Grondwet kan geen belasting ten behoeve van de Staat worden ingevoerd dan door een wet. Krachtens artikel 172 Grondwet kunnen inzake belastingen geen voorrechten worden ingevoerd, en kan geen vrijstelling of vermindering worden ingevoerd dan door een wet. Deze bepalingen verplichten de wetgever niet ertoe elk aspect van een belasting of een vrijstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de Koning is niet in strijd met het fiscaal legaliteitsbeginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgelegd.
  4. Krachtens artikel 23, § 1, 1° en 2°, WIB92 zijn beroepsinkomsten inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard, met name winst en baten. Krachtens artikel 342, § 1, WIB92 worden de in artikel 23, § 1, 1° en 2°, WIB92 vermelde winsten of baten, bij gebreke aan bewijskrachtige gegevens, geleverd door de belanghebbenden, hetzij door de administratie, voor elke belastingplichtige bepaald naar de normale winst of baten van ten minste drie soortgelijke belastingplichtigen en met inachtneming, volgens het geval, van het aangewende kapitaal, van de omzet, van het aantal werklieden, van de benuttigde drijfkracht, van de huurwaarde van in bedrijf genomen gronden, alsmede van alle andere nuttige inlichtingen. De administratie kan te dien einde, in overleg met de betrokken beroepsgroeperingen, forfaitaire grondslagen van aanslag vaststellen. Deze forfaitaire grondslagen van aanslag mogen worden vastgesteld voor drie opeenvolgende aanslagjaren. De administratie kan eveneens, in overleg met de betrokken beroepsorganisaties, de beroepskosten die doorgaans niet met bewijsstukken kunnen worden gestaafd, op vaste bedragen taxeren. Krachtens artikel 342, § 2, WIB92 bepaalt de Koning, met inachtneming van de in § 1, eerste lid, vermelde gegevens, het minimum van de winst dat belastbaar is ten name van de vreemde firma's die in België werkzaam zijn. Krachtens artikel 342, § 3, WIB92 zijn, bij niet-aangifte of laattijdige overlegging van de aangifte, de belastbare minima die door de Koning zijn vastgesteld in uitvoering van § 2, eveneens van toepassing op elke onderneming en beoefenaar van een vrij beroep.
  5. Uit die bepalingen blijkt dat de wetgever de essentiële elementen heeft bepaald voor het bepalen van de belastbare minima in het geval een onderneming of beoefenaar van een vrij beroep geen aangifte indient of laattijdig aangifte indient, en er geen bewijskrachtige gegevens zijn die worden geleverd door de belanghebbenden of door de administratie om de belastbare winsten en baten vast te stellen. Uit die bepalingen blijkt ook dat de wetgever de Koning machtigt om, met inachtneming van de gegevens die de wetgever heeft bepaald, het minimum van de winst dat belastbaar is te bepalen.
  6. Artikel 182, § 1, KB WIB92 bepaalt, per in het bijzonder aangeduide sector, de minimumwinst die belastbaar is ten name van Belgische ondernemingen, bij niet-aangifte of bij laattijdige overlegging van de aangifte. Krachtens artikel 182, § 2, eerste lid, KB WIB92 mag het bedrag van de overeenkomstig § 1 vastgestelde belastbare winst in geen geval lager zijn dan 19.000 euro.
  7. Voormelde bepalingen die de belastbare winst, die wordt vastgesteld in overeenstemming met de minimumwinst die per in het bijzonder aangeduide sector belastbaar is en die refereert aan de essentiële elementen die door de wetgever zijn vastgesteld, bepaalt op minimum 19.000 euro, is in overeenstemming met de delegatie die de wetgever aan de Koning heeft gegeven. Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede middel
  8. Krachtens artikel 225, C, KB WIB92 wordt de schaal van de belastingverhogingen, andere dan inzake roerende voorheffing en bedrijfsvoorheffing, bij niet-aangifte met het opzet de belasting te ontduiken, in het geval van een derde overtreding en volgende overtredingen, bepaald op 200 pct.
  9. De appelrechters, na te hebben vastgesteld dat het voorwerp van het geschil het aanslagjaar 2010 is, oordelen dat de opgelegde sanctie van 200 pct. redelijk en evenredig is met de begane inbreuk, met de redenen dat: - de administratie laat gelden dat de eiseres stelselmatig geen of laattijdige aangiftes indiende sedert het aanslagjaar 2005, en dat voor de aanslagjaren 2009 en 2010 geen aangiften werden ingediend; - de eiseres op systematische wijze nalaat aan haar fiscale verplichtingen te voldoen; - de eiseres voor de aanslagjaren 2009 en 2010 haar wettelijke verplichtingen niet is nagekomen, wat door de eiseres niet wordt betwist; - het systeem van de eiseres erin bestaat jaar in jaar uit niet aan haar fiscale verplichtingen te voldoen - geen of laattijdige aangifte, geen boekhouding, en dergelijke, wat enkel maar kan ingegeven zijn door pogingen om aan de rechtmatig verschuldigde belastingen te ontsnappen; - het een ernstige asociale gedraging is, die jaren is volgehouden; - dit gedrag terecht bestraft wordt door een belastingverhoging van 200 pct.; - deze verhoging krachtens artikel 225 KB WIB92 bepaald is voor het niet indienen van de aangifte, derde en volgende overtredingen, met de bedoeling de belasting te ontduiken.
  10. Met voormelde redenen verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing dat terecht een belastingverhoging van 200 pct. is opgelegd. Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.
  11. De verwijzing door de appelrechters naar het niet-indienen van een aangifte voor het aanslagjaar 2011 en het opnieuw verzenden van een aanslag van ambtswege voor het aanslagjaar 2014, is ten overvloede gegeven. Het middel zelfs al ware het gegrond, kan niet tot cassatie leiden en is in zoverre niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 450,99 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230224.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.