← België

VAD BVBA contra BELISCHE STAAT fod financiën

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.7 Rolnummer: F.18.0117.N Zaak: VAD BVBA contra BELISCHE STAAT fod financiën Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Unierecht - Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-04 Raadplegingen: 427 - laatst gezien 2026-06-28 11:02 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het dwangbevel dat wordt uitgevaardigd als de Belgische vervangende titel en dat strekt tot invordering van douanerechten die verschuldigd zijn aan een verzoekende buitenlandse Lidstaat van de Europese Unie, is geen oorspronkelijke taxatietitel waarin de belastingschuld materieel geconcretiseerd wordt en maakt een loutere uitvoeringshandeling uit tot inning van een buitenlandse fiscale schuld; die uitvoeringshandeling is geen bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Allerlei Vrije woorden: Douaneschuld - Invordering gevraagd door een lidstaat van de EU - Richtlijn 76/308/EEG van de EG-Raad - Wet 20 juli 1979 - Aangezochte Belgische autoriteit - Dwangbevel - Wet Motivering Bestuurshandelingen - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1979 - Artt. 13 en 16 - 32 Link Justel databank 19790720-32 Wet - 29-07-1991 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Europese Unie - Wederzijdse bijstand - Douanerechten - Invordering gevraagd door een lidstaat van de EU - Richtlijn 76/308/EEG van de EG-Raad - Wet 20 juli 1979 - Aangezochte Belgische autoriteit - Dwangbevel - Wet Motivering Bestuurshandelingen - Toepasselijkheid Wettelijke bepalingen: Wet - 20-07-1979 - Artt. 13 en 16 - 32 Link Justel databank 19790720-32 Wet - 29-07-1991 - Art. 1 - 36 ELI link Pub nr 1991000416 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0117.N VAD bvba, met zetel te 2321 Meer, Amsterdamstraat 34, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de gewestelijk directeur van Douane en Accijnzen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 18 oktober

  1. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 17 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Uit de vervangende syntheseconclusie van de eiseres blijkt dat zij voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de door de verweerder doorgevoerde schuldvergelijking strijdig is met artikel 312bis AWDA en dat zij gelet op de ten onrechte toegepaste schuldvergelijking de veroordeling van de verweerder vordert tot de terugbetaling van 42.967,90 euro, te vermeerderen met de interest vanaf 30 augustus
  3. De appelrechters, die oordelen dat de eiseres niet de terugbetaling vordert van de sommen die blijkbaar aan haar terug te geven waren, maar omwille van haar vordering tot vernietiging van het dwangbevel de daarin door de Duitse administratie gevorderde sommen vordert, geven aan de vervangende syntheseconclusie van de eiseres een uitleg die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskennen bijgevolg de bewijskracht ervan. Het middel is gegrond. Tweede middel
  4. Krachtens artikel 13, § 1, van de te dezen toepasselijke wet van 20 juli 1979 betreffende de wederzijdse bijstand inzake de invordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit bepaalde bijdragen, rechten, belastingen en andere maatregelen geniet de overgelegde titel van de verzoekende buitenlandse autoriteit een rechtstreekse erkenning en wordt deze behandeld als een Belgische uitvoerbare titel. Krachtens artikel 13, § 2, van deze wet kan de voorgelegde titel, evenwel, om te voldoen aan de eisen betreffende de wet op het gebruik van talen in bestuurszaken, desgevallend worden vervangen door een titel die zijn uitvoering toelaat in het Rijk. Krachtens artikel 13, § 3, van deze wet is artikel 16 van toepassing indien de vervanging aanleiding geeft tot een betwisting betreffende de schuldvordering of de uitvoerbare titel uitgegeven door de verzoekende buitenlandse autoriteit. Krachtens artikel 16, § 1, eerste lid, van deze wet wordt indien gedurende de invorderingsprocedure de schuldvordering of de uitvoerende titel afgegeven door de verzoekende buitenlandse autoriteit door de belanghebbende wordt betwist, de zaak door deze voor de bevoegde instantie van de Lid-Staat gebracht waar deze autoriteit is gevestigd, overeenkomstig de in deze laatste Staat geldende rechtsregels. Krachtens artikel 16, § 2, van deze wet wordt wanneer de betwisting betrekking heeft op de uitvoeringsmaatregelen die in België getroffen zijn, de zaak naar de bevoegde Belgische instantie gebracht, overeenkomstig de Belgische wet.
  5. Uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt dat het dwangbevel dat wordt uitgevaardigd als de Belgische vervangende titel en dat strekt tot invordering van douanerechten die verschuldigd zijn aan een verzoekende buitenlandse lidstaat van de Europese Unie, geen oorspronkelijke taxatietitel is waarin de belastingschuld materieel geconcretiseerd wordt en een loutere uitvoeringshandeling uitmaakt tot inning van een buitenlandse fiscale schuld, maar een akte is die louter tot stand komt in het raam van de procedure tot invordering van een voorafbestaande uit een buitenlandse titel voortvloeiende verbintenis. Die uitvoeringshandeling is geen bestuurshandeling in de zin van artikel 1 van de wet van 29 juli 1991 die uitdrukkelijk moet worden gemotiveerd.
  6. Het middel dat berust op de veronderstelling dat een dwangbevel dat wordt uitgevaardigd met het oog op de inning van douanerechten die verschuldigd zijn aan een verzoekende lidstaat van de Europese Unie, een bestuurshandeling uitmaakt in de zin van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de door de verweerder toegepaste schuldvergelijking en over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. Veroordeelt de eiseres tot de helft van de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 500,99 euro. Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing hieromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Alain Smetryns, en de raadsheren Filip Van Volsem, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 23 januari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200123.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.