id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.12 Rolnummer: P.20.0071.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 742 - laatst gezien 2026-06-29 03:06 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De kamer van inbeschuldigingstelling die uitspraak doet over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling van een beschuldigde die naar het hof van assisen is verwezen met een beschikking tot gevangenneming met onmiddellijke tenuitvoerlegging, kan beslissen tot handhaving van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van elektronisch toezicht
(1)In die zin zie Cass. 17 oktober 2018, AR P.18.1011.F ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.4, AC 2018, nr. 565; Zie M.-A. BEERNAERT, "De la détention préventive sous surveillance électronique dans la phase de jugement", JT 2018, 821; K. LAMMENS, "Bevel tot gevangenneming onder elektronisch toezicht", NC 2019, 166-167; F. VROMAN, "Hechtenis onder elektronisch toezicht in het kader van de procedure voorlopige invrijheidstelling", T.Strafr. 2019, 130-131. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - GEVANGENNEMING Vrije woorden: Verzoek tot voorlopige invrijheidstelling - Modaliteit van elektronisch toezicht - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 26, § 3, tweede lid, en 27, § 1, 3°,
- a)- 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - HANDHAVING Vrije woorden: Beschikking tot gevangenneming - Modaliteit van elektronisch toezicht Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Artt. 26, § 3, tweede lid, en 27, § 1, 3°,
- a)- 35 ELI link Pub nr 1990099963 Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.20.0071.N S I C, beschuldigde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 14 januari 2020. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel 1. Het middel voert schending aan van de artikelen 26 en 27 Voorlopige Hechteniswet: het arrest verwerpt ten onrechte eisers verzoek tot handhaving van de hechtenis onder de modaliteit van het elektronisch toezicht omdat daartoe geen rechtsgrond zou bestaan; de eiser, die in staat van hechtenis naar het hof van assisen is verwezen, kon wel degelijk verzoeken om deze modaliteit toe te passen. 2. Artikel 26, § 3, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de raadkamer, bij de regeling van de rechtspleging, ten aanzien van een inverdenkinggestelde die reeds van die modaliteit geniet, kan beslissen om de hechtenis onder elektronisch toezicht te handhaven. 3. Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 148/2017 van 21 december 2017 volgt dat het onderzoeksgerecht dat beslist om de inverdenkinggestelde naar de vonnisrechter te verwijzen, ook kan beslissen dat zijn hechtenis verder onder elektronisch toezicht zal worden gehandhaafd, ongeacht of de inverdenkinggestelde op dat ogenblik in de gevangenis verblijft of onder elektronisch toezicht staat. 4. Krachtens artikel 27, § 1, 3°, a), Voorlopige Hechteniswet kan, wanneer de inverdenkinggestelde het voorwerp is geweest van een beschikking tot gevangenneming met onmiddellijke tenuitvoerlegging, de voorlopige invrijheidstelling worden verleend, in voorkomend geval onder voorwaarden, op indiening van een verzoekschrift dat wordt gericht aan de kamer van inbeschuldigingstelling, vanaf die beschikking totdat het hof van assisen einduitspraak heeft gedaan. 5. Uit de voormelde bepalingen, gelezen in het licht van wat door het Grondwettelijk Hof met het voormelde arrest werd beslist, volgt dat de kamer van inbeschuldigingstelling, nadat de beschuldigde na zijn verwijzing naar het hof van assisen met een beschikking tot gevangenneming met onmiddellijke tenuitvoerlegging, om zijn voorlopige invrijheidstelling verzoekt, kan beslissen tot handhaving van de voorlopige hechtenis onder de modaliteit van elektronisch toezicht. 6. De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de beslissing over de kosten aan en laat deze over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.12 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220726.VAC.5 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221019.2F.15 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230822.VAC.2 precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181017.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.8 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div