id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.3 Rolnummer: P.19.0583.N Zaak: HOUTMOLEN B.V.B.A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 405 - laatst gezien 2026-06-28 22:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Wanneer een afdeling van een politierechtbank zich territoriaal onbevoegd verklaart, is daardoor enkel de rechtsmacht uitgeput van deze afdeling over haar grondgebied; deze beslissing verhindert niet dat een andere afdeling van de politierechtbank met rechtsmacht over andere kantons, zich territoriaal bevoegd verklaart voor de in haar kanton gepleegde overtredingen. Thesaurus CAS: BEVOEGDHEID EN AANLEG - STRAFZAKEN - Bevoegdheid Vrije woorden: Territoriale bevoegdheid - Afdelingen van een zelfde politierechtbank - Beslissing van onbevoegdheid van één afdeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 186, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 14 maart 2014 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken en de politierechtbanken in afdelingen - 14-03-2014 - Art. 25 - 03 ELI link Pub nr 2014009088 Thesaurus CAS: RECHTERLIJKE ORGANISATIE - STRAFZAKEN Vrije woorden: Bevoegdheid - Politierechtbank met meerdere afdelingen - Beslissing van onbevoegdheid van één afdeling - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 186, § 1 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 KB 14 maart 2014 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken en de politierechtbanken in afdelingen - 14-03-2014 - Art. 25 - 03 ELI link Pub nr 2014009088 Fiche 3 Geen enkele bepaling verplicht in een vonnis uitdrukkelijk aan te geven dat een gerechtelijk stagiair die mee van de zaak heeft kennis genomen, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak, een gerechtelijk stagiair is die bij wijze van overgangsmaatregel tijdens de verlenging van zijn stage een rechter mag vervangen; indien een gerechtelijk stagiair mee van een zaak kennis neemt, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak moet hij, behoudens tegenbewijs, worden geacht daartoe te zijn gemachtigd. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Gerechtelijk stagiair - Plaatsvervanging in de zetel - Machtiging Fiche 4 Wanneer een gerechtelijk stagiair als bedoeld bij artikel 259octies §6 Gerechtelijk Wetboek een plaatsvervanging waarneemt en aldus de zetel vervolledigt, wordt de rechter die hij vervangt geacht te zijn verhinderd; geen enkele wetsbepaling vereist dat die verhindering uitdrukkelijk wordt vastgelegd. Thesaurus CAS: RECHTBANKEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gerechtelijk stagiair - Plaatsvervanging in de zetel - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 259octies, § 6 - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. P.19.0583.N HOUTMOLEN bvba, met zetel te 8470 Gistel, Rochesterlaan 5, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Nicolaas Vinckier, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8800 Roeselare, Hoogleedsesteenweg 7, waar de eiseres woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 26 april
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 172, tweede lid, en 215 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 19, eerste en tweede lid, en artikel 60, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, artikel 3.9 van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek en artikel 25 van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de rechtbanken van koophandel en de politierechtbanken in afdelingen: het bestreden vonnis bevestigt ten onrechte dat de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, bevoegd was om de zaak te beoordelen; bij vonnis van 28 mei 2018 had de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zich reeds onbevoegd verklaard en aldus de rechtsmacht van de politierechtbank West-Vlaanderen over dit geschilpunt uitgeput; de afdelingen van de politierechtbank vormen immers geen aparte rechtbanken met een aparte rechtsmacht, maar zijn slechts onderdelen van één en dezelfde rechtbank.
- Artikel 186, § 1, tweede en derde zin, Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “De Koning kan, bij zaakverdelingsreglement in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken of de politierechtbanken in twee of meer afdelingen verdelen en de plaatsen aanwijzen waar die afdeling zitting en haar griffie houdt. In voorkomend geval bepaalt Hij het grondgebied van elke afdeling en voor welke categorieën van zaken die afdeling haar rechtsmacht uitoefent. Het zaakverdelingsreglement kan de territoriale bevoegdheid van de afdeling uitbreiden tot een deel of het geheel van het grondgebied van het arrondissement. Het kan in geen geval leiden tot de afschaffing van bestaande zittingsplaatsen.”
- Artikel 25 van het koninklijk besluit van 14 maart 2014 betreffende de verdeling van de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken en de politierechtbanken in afdelingen, bepaalt dat de politierechtbank West-Vlaanderen in vier afdelingen wordt verdeeld. De eerste houdt zitting te Brugge en oefent rechtsmacht uit over het grondgebied van de vier kantons Brugge, van de twee kantons Oostende, van de kantons Tielt en Torhout. De tweede houdt zitting te Ieper en oefent rechtsmacht uit over het grondgebied van de kantons Ieper en Poperinge. De derde houdt zitting te Kortrijk en oefent rechtsmacht uit over het grondgebied van het kanton Izegem, van de twee kantons Kortrijk en van de kantons Menen, Roeselare en Waregem. De vierde houdt zitting te Veurne en oefent rechtsmacht uit over het grondgebied van het kanton Veurne.
- Uit deze bepalingen volgt dat wanneer de politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zich onbevoegd verklaart, enkel de rechtsmacht die deze afdeling uitoefent over het grondgebied van de vier kantons Brugge, van de twee kantons Oostende en van de kantons Tielt en Torhout, is uitgeput. Deze beslissing verhindert niet dat een andere afdeling van de politierechtbank West-Vlaanderen, met rechtsmacht over andere kantons, zich territoriaal bevoegd verklaart voor de in haar kanton gepleegde overtredingen. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel (…) Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 92, § 1, 779 en 780, eerste lid, 1°, Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis vermeldt dat het werd uitgesproken op de openbare rechtszitting van de elfde kamer op 26 april 2019 en dat bij die uitspraak aanwezig waren: “I. Vandenbroucke, rechter, zetelend als voorzitter; M. Vandenbogaerde, rechter; C. Spillebeen, gerechtelijk stagiair”; een gerechtelijk stagiair die zijn stage na 3 augustus 2017 aanvatte, heeft niet de hoedanigheid van magistraat en kan geen rechter vervangen; hij wordt ambtshalve tot gerechtelijk attaché benoemd wanneer hij zijn stage met vrucht voltooide en zijn benoeming op het einde van de vierentwintigste maand niet kan plaatsvinden; de gerechtelijk stagiair die zijn stage vóór 3 augustus 2017 aanvatte of doorliep, kan slechts een rechter vervangen, wanneer hij voor de lange stage heeft gekozen waarvan de stage werd verlengd, gedurende deze periodes van verlenging; de vermelding dat iemand de hoedanigheid heeft van gerechtelijk stagiair houdt dus niet noodzakelijk in dat deze persoon mag zetelen als rechter; hij kan ook de beraadslagingen bijwonen zonder rechter te zijn, maar met het oog op het bijstaan van rechters en dus op die manier als aanwezige worden vermeld in een proces-verbaal van de rechtszitting.
- Geen enkele bepaling verplicht in een vonnis uitdrukkelijk aan te geven dat een gerechtelijk stagiair die mee van de zaak kennis heeft genomen, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak, een gerechtelijk stagiair is die bij wijze van overgangsmaatregel tijdens de verlenging van zijn stage een rechter mag vervangen. Indien een gerechtelijk stagiair mee van een zaak kennis neemt, erover heeft beraadslaagd en aanwezig is bij de uitspraak moet hij, behoudens tegenbewijs, worden geacht daartoe te zijn gemachtigd. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 322 Gerechtelijk Wetboek: het bestreden vonnis werd gewezen door twee rechters-titularis en een gerechtelijk stagiair; noch het vonnis, noch de processen-verbaal van rechtszitting noch enig ander stuk waarop het Hof vermag acht te slaan, stellen de verhindering vast van de rechter-titularis die de gerechtelijk stagiair vervangt.
- Wanneer een gerechtelijk stagiair als bedoeld bij artikel 259octies, § 6, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, een plaatsvervanging waarneemt en aldus de zetel vervolledigt, wordt de rechter die hij vervangt geacht te zijn verhinderd. Geen enkele wetsbepaling vereist dat die verhindering uitdrukkelijk wordt vastgesteld. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vierde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: het bestreden vonnis vermeldt dat het werd uitgesproken door onder meer “C. Spillebeen, gerechtelijk stagiair”; een gerechtelijk stagiair die de lange stage aanvatte vóór 3 augustus 2017, op wie, bij toepassing van artikel 290 van de Wet van 6 juli 2017 houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat en houdende diverse bepalingen inzake justitie (hierna Wet van 6 juli 2017), de bepalingen van vóór deze wetswijziging blijven gelden en die zich in één van de drie periodes van de verlenging van de stage bevindt, heeft niet de vereiste onafhankelijkheid ten aanzien van de uitvoerende macht en beschikt bij het rechtspreken niet over de vereiste objectieve onpartijdigheid.
- Artikel 6.1 EVRM bepaalt dat eenieder bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht heeft op een behandeling van zijn zaak door een bij wet ingestelde onafhankelijke en onpartijdige rechter. De rechter wordt tot bewijs van het tegendeel vermoed onpartijdig, onafhankelijk en onbevangen te oordelen. De vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter zijn nauw met elkaar verbonden zodat bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechter de waarborgen van diens individuele onafhankelijkheid in aanmerking kunnen worden genomen.
- Volgens artikel 259octies, § 6, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, kan de gerechtelijk stagiair een plaatsvervanging waarnemen tijdens de verlengingen van zijn stage. Volgens artikel 412, § 1, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek ressorteren plaatsvervangende magistraten onder dezelfde overheid als de beroepsmagistraten.
- Hieruit volgt dat een gerechtelijk stagiair bij het waarnemen van een plaatsvervanging aan dezelfde vereisten van onpartijdigheid en onafhankelijkheid moet voldoen als een plaatsvervangende magistraat of een beroepsmagistraat. De gerechtelijk stagiair die een plaatsvervanging waarneemt, is bijgevolg aan dezelfde regels onderworpen, behoudens de regels die onverenigbaar zijn met hun statuut zoals uitgewerkt in voormeld artikel 259octies.
- Uit het feit dat de Minister van Justitie: - krachtens artikel 259octies, § 6, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, de stage vroegtijdig kan beëindigen wegens professionele ongeschiktheid of om ernstige redenen, wat enkel kan gebeuren op initiatief en gemotiveerd advies van de korpschef en op advies van de bevoegde evaluatiecommissie, na de betrokkene te horen en met in achtneming van een opzegtermijn van drie maanden; - krachtens artikel 259octies, § 6, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, de stage ambtshalve om een gegronde reden kan schorsen; - de stage tot maximaal drie maal met zes maanden kan verlengen, zoals bedoeld in artikel 259octies, § 6, zesde lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, wanneer bij het einde van de 36ste maand de benoeming van de stagiair niet kan plaatshebben bij gebrek aan een openstaande plaats waarvoor de stagiair in aanmerking komt voor benoeming; kan niet worden afgeleid dat de gerechtelijk stagiair die een plaatsvervanging waarneemt niet de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Uit het feit dat artikel 259octies, § 7, achtste lid, Gerechtelijk Wetboek, zoals hier toepasselijk, bepaalt dat het ambt van gerechtelijk stagiair onverenigbaar is met elke andere bezoldigde betrekking, behoudens de ambten zoals bedoeld in artikel 294, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek mits toestemming van de Minister van Justitie op advies van de procureur-generaal, kan evenmin worden afgeleid dat de gerechtelijk stagiair die een plaatsvervanging waarneemt niet de waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt. In zoverre faalt het onderdeel eveneens naar recht. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. (…) Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div