id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.4 Rolnummer: P.19.1010.N Zaak: B. contra V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 622 - laatst gezien 2026-06-28 14:53 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De rechter kan de schuld van een beklaagde aan een misdrijf niet uitsluitend steunen op het gegeven dat die beklaagde reeds voor gelijkaardige feiten werd veroordeeld; hij kan dat gegeven bij de schuldbeoordeling nochtans wel in aanmerking nemen ter ondersteuning van andere bewijsgegevens. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Motivering schuld - Eerdere veroordelingen wegens gelijkaardige feiten - Uitwerking Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Schuldbeoordeling - Strafrechtelijke voorgaanden - Invloed Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1010.N M B A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nicholas De Mot, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9000 Gent, Bevrijdingslaan 232, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 10 september 2019. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel 1. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest beaamt de redenen van de eerste rechter en neemt die over en steunt daarmee de schuldbeoordeling op het uit het strafrechtelijk verleden van de beklaagden blijkend profiel; een dergelijke motivering miskent het recht van verdediging aangezien het bestaan van een eerdere veroordeling nooit een reden kan zijn om de schuld vast te stellen. 2. De rechter kan de schuld van een beklaagde aan een misdrijf niet uitsluitend steunen op het gegeven dat die beklaagde reeds voor gelijkaardige feiten werd veroordeeld. Hij kan dat gegeven bij de schuldbeoordeling nochtans wel in aanmerking nemen ter ondersteuning van andere bewijsgegevens. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 3. Het arrest oordeelt door overname van de redenen van het beroepen vonnis dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de waarachtigheid van de verklaringen van het slachtoffer omtrent het gebeurde, aangezien die verklaring steun vindt in de volgende gewichtige en volkomen met elkaar overeenstemmende bewijselementen:
- a)de bij het slachtoffer vastgestelde verwondingen;
- b)de vaststelling dat de hoeveelheid, de aard en de ernst van deze verwondingen niet te rijmen vallen met de versie van onder meer de eiser;
- c)de gedetailleerde verklaringen van twee getuigen die volkomen in de lijn liggen van de verklaringen van het slachtoffer en die niet te verenigen vallen met de verklaringen van onder meer de eiser;
- d)het profiel van de beklaagden en dus ook van de eiser, zoals dit onder meer blijkt uit hun strafrechtelijk verleden;
- e)de vaststelling dat de versie van onder meer de eiser niet te verenigen valt met de vaststelling dat de beklaagden dadelijk na de feiten de vlucht hebben genomen. Met die motivering van eisers schuld schendt het arrest niet de door het middel geviseerde bepalingen en miskent het niet zijn recht van verdediging. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel 4. Het onderdeel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het arrest verwerpt eisers vraag om een werkstraf met een stereotiepe motivering. 5. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die weigert een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken zijn beslissing met redenen moet omkleden. 6. De weigering een werkstraf op te leggen, kan ook met redenen omkleed zijn door opgave van de redenen om een andere straf of straffen dan de werkstraf op te leggen. 7. Het arrest oordeelt dat de door de eerste rechter opgelegde bestraffing in zijn geheel genomen passend en noodzakelijk is om de eiser ertoe te bewegen zich voortaan wetsconform op te stellen, waarbij rekening werd gehouden met de staat van wettelijke herhaling. Het arrest oordeelt ook dat het verzoek om een werkstraf wordt afgewezen omdat de eiser in het verleden reeds meermaals werd veroordeeld wegens geweldsdelicten, de eerdere gerechtelijke tussenkomsten klaarblijkelijk niet het gewenste remediërend effect hebben gehad, in die omstandigheden een werkstraf evenmin het gewenste remediërend effect zal hebben en de vermelde gevangenisstraf en geldboete noodzakelijk zijn om de eiser het besef bij te brengen dat hij zich voortaan normconform moet gedragen. Met die redenen, die niet stereotiep zijn maar wel degelijk op de eiser gericht, motiveert het arrest in overeenstemming met artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek de weigering om een werkstraf op te leggen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel 8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: een verwijzing ter afwijzing van de vraag om een werkstraf naar eerdere veroordelingen die geen afdoende remediërend effect hebben gehad, houdt een tegenstrijdige en dubbelzinnig motivering in. 9. In zoverre het onderdeel dubbelzinnigheid in de motivering aanvoert, zonder aan te geven in welke lezing de beslissing wettig en in welke andere lezing ze onwettig is, is het bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. 10. Het onderdeel preciseert niet waarin de tegenstrijdigheid in de door het onderdeel geviseerde motivering bestaat. In zoverre is het onderdeel bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk. Derde onderdeel 11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest motiveert niet waarom het verloop van de rechtspleging artikel 5.3 EVRM niet schendt, terwijl de eiser daarover verweer heeft gevoerd. 12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de door het onderdeel bedoelde problematiek in deze zaak aan de orde is geweest. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek 13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.4 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div