← België

R. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.7 Rolnummer: P.18.1171.N Zaak: R. contra H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2020-01-30 Raadplegingen: 393 - laatst gezien 2026-06-28 07:48 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch artikel 6 EVRM, noch het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat de beklaagde een afschrift krijgt van het volledige strafdossier, met inbegrip van alle overtuigingsstukken; de rechter kan de afgifte van een kopie beperken tot die stukken waarvan de beklaagde de relevantie voor zijn verdediging heeft aannemelijk gemaakt, het gegeven dat de overtuigingsstukken informaticabestanden op gegevensdragers omvatten, doet niet anders te besluiten. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.b - Voldoende tijd en faciliteiten om zijn verweer voor te bereiden - Inzage in dossier en overtuigingsstukken - Draagwijdte Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Beklaagde - Verkrijgen van afschrift van volledig strafdossier - Grenzen Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.18.1171.N B J M R, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen

  1. M H,
  2. A S,
  3. R M,
  4. A P,
  5. S C,
  6. T S,
  7. M V M,
  8. J B,
  9. M C,
  10. A C,
  11. K D,
  12. I V,
  13. C T,
  14. T V D P,
  15. M M, met als raadsman mr. Piet Vandoolaeghe, advocaat bij de balie Dendermon-de,
  16. P V, burgerlijke partijen, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 25 oktober
  17. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van een algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en met inbegrip van de wapengelijkheid: het arrest verklaart de strafvordering ten onrechte ontvankelijk; na de regeling van de rechtspleging heeft de eiser om inzage en afschrift van het volledige strafdossier verzocht; de overtuigingsstukken vormen deel van het strafdossier; de appelrechters die vaststellen dat de eiser op 4 januari 2017 slechts een deel van de overtuigingsstukken heeft kunnen "aanschouwen", zonder deze te kunnen inzien en hiervan een kopie te ontvangen en van de overige overtuigingsstukken geen inzage of afschrift heeft bekomen, verantwoorden hun beslissing dat eisers recht van verdediging niet is miskend, niet naar recht.
  19. In zoverre het onderdeel een onderzoek van feiten vereist waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  20. Wat de overtuigingsstukken betreft die op 4 januari 2017 in de kantoren van de computer crime unit (hierna CCU) aanwezig waren, oordelen de appelrechters niet dat de eiser deze overtuigingsstukken niet heeft kunnen inzien en hiervan geen kopie heeft kunnen ontvangen. Zij oordelen wel dat de eiser noch op 4 januari 2017 noch op enig later tijdstip gebruik heeft gemaakt van zijn recht om deze stukken in te zien en aldus ook heeft nagelaten een selectie te maken van de voor hem relevante informaticabestanden die voor een eventuele ko-piename in aanmerking kwamen. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  21. Er kan geen miskenning van het recht van verdediging voortvloeien uit de niet-kennisneming van stukken waarvan men de inzage weigert, hoewel de kans daartoe werd gegeven. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  22. Wat de overtuigingsstukken betreft die op 4 januari 2017 niet in de kanto-ren van de CCU aanwezig waren, steunt het arrest het oordeel dat eisers recht van verdediging niet is miskend niet enkel op de vaststelling dat de eiser van de-ze stukken geen kennis heeft kunnen nemen. Het steunt dit oordeel tevens op de vaststelling dat: - de eiser niet aannemelijk maakt wat de relevantie is van de DVD ‘backup Dimitri laptop 07/2007', ‘harde schijf in PC Medion PCMT7 met kenmerk 165 803 0030319', ‘harde schijf medion van D.' en ‘USB-stick die in beslag genomen werd tijdens de huiszoeking bij D.' voor zijn verdediging; - de database in verband met de uitbetaalde commissies van de ‘tweede harde schijf die door D. zelf werd overhandigd tijdens zijn eerste verhoor van 28.03.2011' werd uitgeprint en zich in het papieren strafdossier bevindt; ei-sers verzoek tot bijkomende analyse van deze database werd door de onderzoeksrechter terecht afgewezen vermits uit het bankonderzoek blijkt welke bedragen de eiser heeft ingebracht en welke bedragen hij hetzij rechtstreeks hetzij onrechtstreeks heeft uitgekeerd gekregen; deze bedragen worden door de eiser, die geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de onderzoeksrechter, cijfermatig ook niet ernstig betwist; - de ‘PC Tower van [de verweerster 15]' aan deze partij terug werd overgemaakt en aldus niet meer beschikbaar is voor inzage; de hierbij vermelde ‘twee harde schijven' hebben betrekking op beklaagde D. en niet op de ver-weerster 15; - een verzoek van de eiser tot inzage in de ‘databestanden van een laptop van S.J." door de onderzoeksrechter terecht werd afgewezen; de ‘loan and promissery note' van 1 maart 2007 werd in al haar aangetroffen versies aan de eiser tijdens zijn herverhoor voorgelegd, hij heeft hierover uitgebreid tegenspraak kunnen voeren en verklaarde de bevindingen van de CCU ter zake niet te betwisten; een inzage van deze laptop biedt voor de eiser dan ook geen enkele meerwaarde; - de eiser meermaals werd verhoord en uitvoerig werd geconfronteerd met de resultaten van het gerechtelijk onderzoek, in het bijzonder de resultaten van het bankonderzoek en de bevindingen van de CCU; - de eiser, specifiek wat de aan hem uitbetaalde commissies betreft, tijdens zijn verhoor op 20 juli 2011 werd geconfronteerd met de resultaten van het bankonderzoek, vervat in het proces-verbaal 103.478/2011; met het oog op grondig nazicht van de cijfers van dit bankonderzoek, werd hem kopie bezorgd van de excelbestanden, vervat in dit proces-verbaal en hij heeft aldus uitgebreid tegenspraak over deze bestanden kunnen voeren. Het onderdeel dat nalaat deze redenen in zijn kritiek te betrekken, kan niet tot cassatie leiden en is in zoverre niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en met inbegrip van de wapengelijkheid: bij hun oordeel dat eisers recht van verdediging niet is miskend, laten de appelrechters ten onrechte na acht te slaan op het gegeven dat de eiser geen inzage in en kopiename van het nevendossier AN 53.98.004110/2008 heeft verkregen.
  24. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat het gebrek aan inzage en kopiename van het in het onderdeel vermelde nevendossier zijn recht van verdediging heeft miskend. Het onderdeel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en de wapengelijkheid: de appelrechters oordelen ten onrechte dat eisers recht van verdediging met betrekking tot de overtuigingsstukken die op 4 januari 2017 aanwezig waren in de kantoren van de CCU niet is miskend; zij stellen hierbij vast dat de eiser, ondanks zijn vraag, geen kopie heeft gekregen van de informaticabestanden op de aldaar aanwezige gegevensdragers en maken de afgifte van die kopie afhankelijk van een door de eiser te maken selectie; ei-sers recht van verdediging vereist evenwel dat hij kan beschikken over een volledige kopie van de informaticabestanden die zich op de in beslag genomen gegevensdragers bevinden.
  26. Noch artikel 6 EVRM noch het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging vereist dat de beklaagde een afschrift krijgt van het volledige strafdossier, met inbegrip van alle overtuigingsstukken. De rechter kan de afgifte van een kopie beperken tot die stukken waarvan de beklaagde de relevantie voor zijn verdediging heeft aannemelijk gemaakt. Het ge-geven dat de overtuigingsstukken informaticabestanden op gegevensdragers omvatten, doet niet anders besluiten. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Vijfde onderdeel
  27. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt dat de eiser niet aannemelijk maakt wat de relevantie is van de over-tuigingsstukken die niet aanwezig waren in de kantoren van de CCU op 4 januari 2017 voor zijn verdediging; in zijn appelconclusie heeft de eiser het belang van deze stukken, die bij de beklaagde D. in beslag werden genomen en door hem werden aangewend, uitdrukkelijk gepreciseerd; het arrest laat na dit verweer te beantwoorden.
  28. Het arrest beperkt zich niet ertoe louter vast te stellen dat de eiser niet aan-nemelijk maakt wat de relevantie is voor zijn verdediging van de afwezige over-tuigingsstukken, vermeld in het onderdeel. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  29. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel, beantwoorden de appelrechters eisers in conclusie aangevoerd verweer zonder dat zij hierbij dienden te antwoorden op elk argument, dat geen afzonderlijk verweer vormt. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Vierde onderdeel
  30. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende de eerbiediging van het recht van verdediging en met inbegrip van de wapengelijkheid: het arrest oordeelt ten onrechte dat het gebrek aan inzage in de overtuigingsstukken die niet aanwezig waren in de kantoren van de CCU op 4 januari 2017, eisers recht van verdediging niet heeft miskend vermits hij niet aannemelijk maakt dat deze overtuigingsstukken relevant zijn voor zijn verdediging; aan de eiser, die geen kennis heeft van de inhoud van stukken die bij een medebeklaagde in beslag zijn genomen, kan geen aanvoerings- of bewijslast worden opgelegd; het aantonen van hun relevantie vereist immers voorafgaande inzage in deze stukken.
  31. Het arrest steunt het oordeel dat eisers recht van verdediging niet is miskend niet enkel op de vaststelling dat de eiser de relevantie voor zijn verdediging van de in het onderdeel vermelde stukken, niet aannemelijk maakt. Het steunt dit oordeel tevens op de redenen vermeld in het antwoord op het eerste onderdeel. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  32. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd waarom hij inzage in en afschrift van deze, bij beklaagde D. in beslag genomen, stukken wenste te verkrijgen. In zoverre het onderdeel aanvoert dat de eiser zonder inzage het belang van deze stukken voor zijn verdediging niet kan aantonen, mist het feitelijke grondslag.
  33. Voor het overige komt het onderdeel op tegen het onaantastbare oordeel door de appelrechters dat eiser de relevantie van deze stukken voor zijn verdediging niet aannemelijk maakt en is het niet ontvankelijk. Tweede middel Eerste onderdeel
  34. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de feiten, omschreven als oplichting in de telastlegging B, zijn bewezen en schade hebben berokkend aan de verweerders; het arrest verwijst hierbij naar drie listige kunstgrepen, aangewend door de eiser om de kandidaat-beleggers te overhalen tot afgifte van de door hen belegde geldsommen; volgens de appelrechters bestaat één van deze kunstgrepen uit het overmaken of tonen van fictieve en vervalste winstcijfers en grafieken aan potentiële beleggers; hierbij achten zij het niet doorslaggevend of de eiser al dan niet op de hoogte was van de werkelijke cijfers, het volstaat dat hij aan de kandidaat-beleggers bevestigde dat deze cijfers werden gecontroleerd, wat evenwel niet het geval bleek te zijn; eisers kennis van het valse karakter van de overgemaakte cijfers is evenwel een voorwaarde om hem schuldig te verklaren aan de aanwending van deze listige kunstgreep en bijgevolg aan mededaderschap aan het misdrijf van oplichting; de appelrechters stellen niet vast dat ook zonder deze listige kunstgreep de verweerders zouden zijn overgegaan tot de afgifte van de door hen belegde geldsommen en verantwoorden eisers schuldigverklaring aan het misdrijf van oplichting en zijn veroordeling tot het betalen van schadevergoeding aan de verweerders aldus niet naar recht.
  35. De appelrechters oordelen dat de eiser verschillende listige kunstgrepen heeft aangewend om de kandidaat-beleggers te overtuigen om gelden in het systeem te beleggen, waaronder: - het naar potentiële beleggers voorstellen van Key Capital Invest "als een professioneel beheer door een klein team van professionals met internationale treasury, investmanagement, riskmanagement, ervaring in topbanken te Londen en Belux", waardoor de organisatie naar buiten toe veel grootser werd voorgesteld dan ze in werkelijkheid was en waardoor het vertrouwen van de kandidaat-beleggers werd gewonnen; - het verzekeren van (potentiële) beleggers dat Key Capital Invest Ltd. en High Class Finance Ltd. goedgekeurd waren door de bevoegde overheid, voorheen de CBFA, om in België gelddeposito's of terugbetaalbare gelden van het pu-bliek in ontvangst te kunnen nemen; - het overmaken of tonen van fictieve en vervalste winstcijfers en grafieken aan (potentiële) beleggers om hen tot afgifte van de door hen belegde sommen te overhalen. Zij stellen hierbij vast dat "het zonder meer duidelijk is dat zonder deze bedrieg-lijke middelen/listige kunstgrepen de kandidaat-beleggers hun gelden niet zouden hebben afgegeven om in het systeem te beleggen". Het onderdeel dat aanvoert dat het arrest niet oordeelt dat de verweerders zonder de derde listige kunstgreep zouden zijn overgegaan tot afgifte van de door hen belegde sommen, berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  36. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt dat het overmaken of tonen van fictieve en vervalste winstcijfers en grafieken potentiële beleggers heeft overgehaald tot afgifte van te beleggen geldsommen; het leidt het bestaan van deze listige kunstgreep evenwel enkel af uit de verklaring van de verweerder 4 en extrapoleert hierbij deze verklaring tot alle verweerders zonder na te gaan of dezelfde listige kunstgreep ook ten aanzien van hen werd gebruikt; aldus miskennen de appelrechters de bewijskracht van de voormelde verklaring.
  37. Het onderdeel dat nalaat het oordeel van de appelrechters over de twee andere listige kunstgrepen die de eiser heeft aangewend om de verweerders te overhalen tot afgifte van de te beleggen sommen in zijn kritiek te betrekken, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde onderdeel
  38. Het onderdeel voert schending aan van artikel 496 Strafwetboek en artikel 1382 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de listige kunstgreep, bestaande uit het overmaken of tonen van fictieve en vervalste winstcijfers en grafieken aan potentiële beleggers bewezen ten aanzien van alle verweerders op basis van de verklaring van de verweerder 4; aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing dat het misdrijf oplichting ten aanzien van alle verweerders is bewezen, niet naar recht.
  39. Het onderdeel dat nalaat het oordeel van de appelrechters over de twee andere listige kunstgrepen die de eiser heeft aangewend om de verweerders te overhalen tot afgifte van de te beleggen sommen in zijn kritiek te betrekken, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  40. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 4 gegrond ten belope van 255.000,00 euro als belegde hoofdsom en 2.500,00 euro morele schade, beide bedragen te vermeerderen met de vergoedende interesten; in zijn appelconclusie heeft de eiser, met verwijzing naar de eigen verklaringen van deze partij, aangevoerd dat de verweerder 4 van de door hem belegde hoofdsom minstens een som van 176.250,00 euro heeft ge-recupereerd; het arrest laat na dit verweer te beantwoorden en kent de verweerder 4 ten onrechte een hogere vergoeding toe dan de door deze partij geleden schade.
  41. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser in zijn appelconclusie voor de appelrechters heeft aangevoerd dat de verweerder 4 hem ten onrechte verwijt feiten omschreven als oplichting te hebben gepleegd. Hij voegde hier "ten overvloede" aan toe dat uit de eigen verklaringen van de verweerder 4 blijkt dat deze met kennis van zaken handelde, wist dat hij met het beloofde hoog rendement risico's kon lopen, erkende dat hij altijd correct werd betaald en aldus "tegen al zijn eigen verklaringen in (dat hij minstens 176.250 EUR recupereerde van de door hem geïnvesteerde 255.000 EUR) achteraf onterecht gaat stellen, zonder ook maar het minste feitelijke bewijs te leveren, dat [de eiser] van hem 240.850 EUR verduisterde".
  42. De eiser heeft uit deze ten overvloede vermelde beschouwingen geen concreet rechtsgevolg getrokken en met name niet aangevoerd dat de appelrechters bij het toekennen van een eventuele schadevergoeding de som van 176.250,00 euro in mindering dienden te brengen van de belegde som van 255.000,00 euro. De appelrechters dienden die algemene beschouwingen dan ook niet te beant-woorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  43. De aangevoerde onwettigheid is afgeleid uit dit vergeefs aangevoerde motiveringsgebrek. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel
  44. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerder 5 gegrond ten belope van 40.000,00 euro als belegde hoofdsom en 2.500,00 euro morele schade, beide bedragen te vermeerderen met de vergoedende interesten; in zijn appelconclusie heeft de eiser, met verwijzing naar de eigen verklaringen van deze partij, aangevoerd dat de verweerder 5 van de door hem belegde hoofdsom minstens een som van 14.250,00 euro heeft gerecupereerd; het arrest laat na dit verweer te beantwoorden en kent de verweerder 5 ten onrechte een hogere vergoeding toe dan de door deze partij geleden schade.
  45. Het middel heeft eenzelfde strekking als het derde middel en is om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit middel te verwerpen. Vijfde middel Eerste onderdeel
  46. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 15 gegrond ten belope van 130.000,00 euro als belegde hoofdsom, te vermeerderen met de vergoedende interesten; in zijn appelconclusie heeft de eiser, met verwijzing naar de eigen verklaringen van deze partij, aangevoerd dat de verweerster 15 van de door haar belegde hoofdsom minstens een som van 173.903,00 euro heeft gerecupereerd; het arrest laat na dit verweer te beantwoorden en kent de verweerster 15 ten onrechte een hogere vergoeding toe dan de door deze partij geleden schade.
  47. Het onderdeel heeft eenzelfde strekking als het derde middel en is om de redenen uiteengezet in het antwoord op dit middel te verwerpen. Tweede onderdeel
  48. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 496 Strafwetboek; in zijn appelconclusie heeft de eiser aangevoerd dat de verweerster 15 zelf met kennis van zaken handelde vermits zij zelf contracten en nieuwsbrieven opstelde en aanpaste, zodat met betrekking tot de door deze partij belegde som het misdrijf van oplichting niet bewezen kon worden verklaard; het arrest laat dit verweer onbeantwoord.
  49. Het arrest oordeelt dat de strafrechtelijke veroordeling van de verweerster 15 voor de telastleggingen A.3.a tot en met A.3.e (opstellen van fictieve contrac-ten) en telastlegging D.4 (witwas), niet verhindert dat zij zich burgerlijke partij kan stellen voor de schade die zij heeft geleden ingevolge de bewezen verklaarde feiten van oplichting, gepleegd door de eiser. Met deze redenen beantwoorden de appelrechters eisers voormeld verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
  50. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 483,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.