← België

DE FEDERALE PROCUREUR contra U.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 januari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:20

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen - Beoordeling door de rechter Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Criteria - Intensiteit van het conflict - Organisatie van de betrokken partijen Fiche 4 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag betreffende de Europese Unie - Artikel 34.2
  1. b)VEU - Kaderbesluiten - Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Bindende werking - Draagwijdte - Gevolg Fiche 5 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie vooraf- gaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2,
  2. a)en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Beginsels Vrije woorden: Verdrag van Lissabon - Protocol betreffende de overgangsbepalingen - Artikel 9 - Handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die vastgesteld zijn op basis van het Verdrag betreffende de Europese Unie - Kaderbesluiten - Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Rechtsgevolgen - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 8 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Artikel 2.1 en 2.2,
  1. a)en
  2. b)- Terroristische groep en leiding ervan - Strafbare feiten - Draagwijdte - Gevolg Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding - Overweging
(11)-

Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 139, Strafwetboek - Terroristische groep - Begrip - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiche 9 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen

(1).
(1)Zie concl.OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 140 Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 10 - 11 De bepalingen van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a) en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit; zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikel 141bis, Strafwetboek - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 12 - 17 Een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot laat uitsluitend toe te antwoorden op de door het openbaar ministerie genomen conclusie en deze noot mag geen nieuw middel of een toelichting, aanvulling of uitbreiding van een in een regelmatig ingediende memorie aangevoerd middel bevatten; evenmin kan de eiser in een dergelijke noot het Hof verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen indien hij dit had kunnen doen in zijn regelmatig ingediende memorie en anders oordelen zou een omzeiling toelaten van de dwingend opgelegde termijn om een memorie in te dienen
(1).
(1)Eisers I en III hebben, na het aanhoren van de mondelinge conclusie van het OM, in toepassing van artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek, een antwoordnota neergelegd. In zijn nota vroeg eiser I om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie, maar het Hof oordeelde dat de eiser dit had dienen te doen in het kader van zijn memorie en stelde dus de prejudiciële vraag niet; zie R. DECLERCQ, Beginselen van Strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, p. 1621, nrs. 4134-4135. Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Nieuw middel Vrije woorden: Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Middelen - Grenzen - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm en termijn voor memories en stukken Vrije woorden: Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Middelen - Grenzen - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Strafzaken - Europese Unie - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - PREJUDICIELE GESCHILLEN Vrije woorden: Strafzaken - Hof van Justitie - Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie van het openbaar ministerie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Thesaurus CAS: OPENBAAR MINISTERIE Vrije woorden: Openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie - Mondelinge conclusie - Antwoordnoot - Artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek - Draagwijdte - Verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag - Toelaatbaarheid - Gevolg Fiches 18 - 19 Uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek volgt dat de daarin bepaalde uitsluiting voor handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht en handelingen van de strijdkrachten van een staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht, geldt voor alle in deze titel opgenomen misdrijven; deze uitsluiting, die niet louter een strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt, verhindert niet enkel de strafwaardigheid, maar slaat ook op het bestaan van alle misdrijven opgenomen in titel Iter van boek II van het Strafwetboek
(1).
(1)Zie concl. OM Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Aard van de uitsluiting - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Aard van de uitsluiting - Draagwijdte - Gevolg Fiches 20 - 21 De toepasselijkheid van artikel 141bis Strafwetboek wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de terroristische groep in de zin van artikel 139 Strafwetboek een strijdkracht is in een gewapend conflict en niet door het antwoord op de vraag of de personen die worden vervolgd als leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §1, Strafwetboek dan wel als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, §2, Strafwetboek, zelf te beschouwen zijn als een strijdkracht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek, dan wel of die personen misdrijven hebben gepleegd buiten het geografisch gebied van het gewapend conflict in de zin van artikel 141bis Strafwetboek

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Toepasselijkheid van de uitsluitingsgrond - Criteria - Draagwijdte - Gevolg Fiches 22 - 23 Noch uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek in zijn geheel gelezen noch uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de toepassing van de in deze bepaling voorziene uitsluiting vereist dat de rechter voor elke concrete handeling van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict vaststelt dat die handeling in concreto, objectief en effectief onder de toepassing van het internationaal humanitair recht valt, met telkens opgave van de specifieke bepaling van internationaal humanitair recht die erop van toepassing is
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Beoordeling door de rechter - Concrete handelingen van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict - Concrete toepassing van het humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Verschoning Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek - Artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek - Terroristische groep - Deelname aan of leiding van een terroristische groep - Uitsluiting - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Beoordeling door de rechter - Concrete handelingen van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict - Concrete toepassing van het humanitair recht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 24 - 26 Er kan sprake zijn van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling op het territorium van een staat die niet is betrokken in de confrontatie tussen de partijen, door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of doordat een partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat en de rechter oordeelt onaantastbaar in feite of door voornoemde extraterritoriale elementen er nog steeds sprake is van een gewapend conflict onderworpen aan het internationaal humanitair recht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek; bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat incidenten op het grondgebied van een aangrenzende staat geen afbreuk doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht, niet vast te stellen op welk gedeelte van het grondgebied van de aangrenzende staat zijn oordeel betrekking heeft
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: TERRORISME Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: MISDRIJF - ALLERLEI Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Terroristische misdrijven - Boek II, Titel Iter Strafwetboek -

Artikel 141b

is, Strafwetboek - Handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict volgens het internationaal humanitair recht - Begrip - Territorium van een staat niet betrokken in de confrontatie - Grensoverschrijdende incidenten - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.0310.N I FEDERALE PROCUREUR, eiser, II en III TURKSE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Buitenlandse Zaken van de republiek Turkije, voor wie optreedt de ambassadeur van de republiek Turkije, met kantoor te 1000 Brussel, Montoyerstraat 4, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leuven, de beide cassatieberoepen tegen

  1. S U, inverdenkinggestelde,
  2. R K, inverdenkinggstelde, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alsook mr. Joke Callewaert, advocaat bij de balie Brussel,
  3. Z A, inverdenkinggstelde, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alsook mr. Joke Callewaert, advocaat bij de balie Brussel,
  4. A U, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, alsook mr. Jan Fermon, advocaat bij de balie Brussel,
  5. D A, inverdenkinggestelde,
  6. I O, alias I U, alias O G, inverdenkinggestelde,
  7. Y K, inverdenkinggestelde,
  8. Z E, inverdenkinggestelde,
  9. A S, inverdenkinggestelde,
  10. R H-A, alias A R H A alias H A alias H E alias A H A, inverdenkinggestelde,
  11. A M, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Paul Bekaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8700 Tielt, Hoogstraat 34, waar de verweerder woonplaats kiest,
  12. N T, inverdenkinggestelde,
  13. O N A, inverdenkinggestelde,
  14. O T, inverdenkinggestelde,
  15. S I, inverdenkinggestelde,
  16. S G, inverdenkinggestelde,
  17. A G, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Raf Jespers, advocaat bij de balie Antwerpen,
  18. A K, inverdenkinggestelde,
  19. N A, inverdenkinggestelde,
  20. M E S, inverdenkinggestelde,
  21. Z S, inverdenkinggestelde,
  22. M O, inverdenkinggestelde,
  23. S T, inverdenkinggestelde,
  24. Y B, inverdenkinggestelde,
  25. J M, inverdenkinggestelde,
  26. N E, inverdenkinggestelde,
  27. B A, inverdenkinggestelde,
  28. T D, inverdenkinggestelde,
  29. A A, inverdenkinggestelde,
  30. ROJ nv, met zetel te 9470 Denderleeuw, Fabriekstraat 6, inverdenkinggestelde, met als raadsman mr. Stijn De Meulenaer, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9052 Gent (Zwijnaarde), Bollebergen 2A/20, waar de verweerster woonplaats kiest, alsmede mr. Luc Walleyn, advocaat bij de balie Brussel,
  31. M Y, inverdenkinggestelde,
  32. G H E, inverdenkinggestelde,
  33. M B, inverdenkinggestelde,
  34. A Y, inverdenkinggestelde,
  35. A A, inverdenkinggestelde,
  36. F C, inverdenkinggestelde,
  37. B A, inverdenkinggestelde,
  38. M S, inverdenkinggestelde,
  39. N Z, inverdenkinggestelde,
  40. I D (D), inverdenkinggestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 8 maart 2019, gewezen op verwijzing na het arrest van het Hof van 13 februari
  41. De eiser II-III doet afstand van het cassatieberoep II. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eiser II-III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. De eisers I en II-III hebben op 24 januari 2020 elk een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot neergelegd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel van de eiser II-III
  42. Het middel voert schending aan van artikel 141bis Strafwetboek: het arrest kan uit de beperkte feitelijke vaststellingen die het doet, inzonderheid wat betreft het criterium van de intensiteit van het conflict, redelijkerwijze niet afleiden dat er op het grondgebied van de eiser II-III een gewapend conflict bestaat tussen de PKK en de eiser II-III en dus de strafuitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek aannemen; de toepassing van deze strafuitsluitingsgrond is onder meer afhankelijk van de voorwaarde dat de handelingen moeten zijn gesteld tijdens een gewapend conflict zoals gedefinieerd in het internationaal humanitair recht; het internationaal humanitair recht maakt een onderscheid tussen een internationaal gewapend conflict en een niet-internationaal gewapend conflict; of er sprake is van een niet-internationaal gewapend conflict wordt beoordeeld aan de hand van twee cumulatieve hoofdcriteria, namelijk de intensiteit van het gewapend conflict en de mate van organisatie van de partijen bij het gewapend conflict; voor de beoordeling van deze hoofdcriteria zijn respectievelijk dertien feitelijke indicatoren (de ernst van de gewapende aanvallen, een verhoging van het aantal gewapende aanvallen, de verspreiding ervan over het territorium en in de tijd, de verhoging van het aantal overheidstroepen, de aandacht die de gewapende aanvallen hebben getrokken van de VN-Veiligheidsraad, het aantal op de vlucht geslagen burgers, het type gebruikte wapen, de hoeveelheid aan ingezette troepen en eenheden, het bestaan van een frontlijn en de wijziging ervan, de bezetting van gebieden, steden en dorpen, het stationeren van overheidstroepen in het conflictgebied, het afsluiten van wegen en het bestaan van een staakt-het-vuren en wapenstilstandovereenkomsten of pogingen daartoe) en zes feitelijke indicatoren (het bestaan van een commandostructuur en disciplinaire regels, het bestaan van een hoofdkwartier, het feit dat de groep een zeker territorium controleert, de capaciteit van de groep om toegang te hebben tot wapens en ander materieel, rekruten en militaire opleiding, de capaciteit van de groep om militaire operaties te plannen, te coördineren en uit te voeren en de capaciteit om met één stem te spreken en om wapenstilstandovereenkomsten en vredesakkoorden af te sluiten) ontwikkeld; het arrest heeft bij de beoordeling van het hoofdcriterium van de intensiteit van het gewapend conflict slechts aan vier van de dertien feitelijke indicatoren getoetst en wat betreft het hoofdcriterium van de mate van organisatie van de partijen bij het gewapend conflict aan vier van de zes feitelijke indicatoren; het oordeel dat er op het Turkse grondgebied een gewapend niet-internationaal conflict bestaat tussen de PKK en de eiser II-III vereist dat uit de door de rechter gedane feitelijke vaststellingen volgt dat aan een aanzienlijk gedeelte van de vermelde feitelijke indicatoren in substantie is voldaan.
  43. Artikel 141bis Strafwetboek, dat is opgenomen in "Titel Iter Terroristische misdrijven" van boek II van dit wetboek bepaalt: "Deze titel is niet van toepassing op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan andere bepalingen van internationaal recht".
  44. Er is een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een staat.
  45. Of er sprake is van aanhoudend gewapend geweld waarbij georganiseerde gewapende groepen zijn betrokken, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen.
  46. Bij die beoordeling kan de rechter de in de rechtspraak ontwikkelde feitelijke indicatoren betrekken. Die criteria zijn evenwel enkel richtinggevend. Die beoordeling vereist niet dat de rechter toetst aan alle in de rechtspraak ontwikkelde feitelijke indicatoren. Het oordeel dat er, gelet op de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen, sprake is van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en een georganiseerde gewapende groep is niet afhankelijk van de vaststelling dat aan alle of een meerderheid van deze feitelijke indicatoren in substantie is voldaan.
  47. De rechter oordeelt onaantastbaar of er gelet op de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken partijen sprake is van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en een georganiseerde gewapende groep.
  48. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  49. Het Hof gaat wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  50. De appelrechters kunnen uit de feitelijke vaststellingen die het arrest (p. 20-26) bevat betreffende de intensiteit van het conflict en de mate van organisatie van de betrokken gewapende groep, wel degelijk afleiden dat er hier sprake is van een aanhoudend gewapend geweld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiser I en tweede middel van de eiser II-III Derde onderdeel
  51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 34.2 VEU, in de versie voorafgaand aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 9 van het Protocol betreffende de overgangsbepalingen gehecht aan het Verdrag van Lissabon van 13 december 2007 tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, artikel 2.1 en 2.2, a), en b), Kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 inzake terrorismebestrijding (hierna Kaderbesluit 13 juni 2002) en de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek: het arrest oordeelt dat deze bepalingen van het Strafwetboek in die zin moeten worden geïnterpreteerd dat het terroristisch karakter van een organisatie niet kan worden afgeleid uit handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict en dat bijgevolg leiderschap van of deelname aan de activiteiten van een organisatie die enkel feiten van terroristische aard pleegt als strijdkracht in een gewapend conflict, niet strafbaar zijn onder de terrorismewetgeving, daarmee geeft het arrest aan het begrip terroristische groep als bedoeld in artikel 139 Strafwetboek een interpretatie die beperkter is dan de definitie van dit begrip in artikel 2.1 Kaderbesluit 13 juni 2002; dit Kaderbesluit bevat immers geen juridisch bindende uitsluitingsgrond voor handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict; het arrest geeft dan ook aan de in het onderdeel als geschonden vermelde bepalingen een foute interpretatie; artikel 139 Strafwetboek moet in overeenstemming met artikel 2.1 Kaderbesluit 13 juni 2002 worden geïnterpreteerd; artikel 141bis Strafwetboek vormt de overname van de overweging

(11)Kaderbesluit 13 juni 2002; die overweging heeft evenwel, anders dan de bepalingen van het Kaderbesluit zelf, geen bindende kracht; de lidstaten moeten de overwegingen niet omzetten in nationale wetgeving; zij zijn slechts een hulpmiddel bij de interpretatie van het Kaderbesluit; uit artikel 34.2 b), VEU en artikel 9 van het voormelde protocol volgt dat de lidstaten ingevolge artikel 2.2, a), en b), Kaderbesluit 13 juni 2002 verplicht zijn leiderschap van en deelname aan de activiteiten van een terroristische groep strafbaar te stellen; artikel 140 Strafwetboek moet zoveel als mogelijk worden geïnterpreteerd in overeenstemming met artikel 2.2, a), en b), Kaderbesluit 13 juni 2002; met de uitlegging door het arrest wordt niet voldaan aan de uit artikel 2.2, a), en b), Kaderbesluit 13 juni 2002 voortvloeiende verplichting om leiderschap van en deelname aan de activiteiten van een terroristische organisatie strafbaar te stellen. In zijn door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot vraagt de eiser I het Hof ondergeschikt om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Dient het ten tijde van de tenlastegelegde feiten van toepassing zijnde artikel 2.1 Kaderbesluit 13 juni 2002 gelet op de overweging
(11)van dat Kaderbesluit op zulke wijze te worden geïnterpreteerd dat een gestructureerde organisatie in de zin van artikel 2.1 Kaderbesluit 13 juni 2002 die als een strijdkracht betrokken is in een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht en die enkel in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen binnen het kader van dat gewapend conflict, geen terroristische groep uitmaakt in de zin van die bepaling, met als gevolg dat de lidstaten van de Europese Unie geen uit artikel 2.2.a), en b), afgeleide verplichting hebben om feiten van leiderschap van en deelname aan de activiteiten van die groep strafbaar te stellen, ook al situeren die laatste feiten zich buiten het kader van het gewapend conflict zoals gedefinieerd door en onderworpen aan het internationaal humanitair recht?" 11. Artikel 2 Kaderbesluit 13 juni 2002 definieert het begrip terroristische groep en stelt dat iedere lidstaat de nodige maatregelen dient te nemen om de volgende opzettelijke gedragingen strafbaar te stellen: 1) het leiden van een terroristische groep en 2) het deelnemen aan de activiteiten van een terroristische groep, waaronder het verstrekken van gegevens of middelen aan de groep of het in enigerlei vorm financieren van de activiteiten van de groep, wetende dat deze deelneming bijdraagt aan de criminele activiteiten van de groep. 12. De overweging
(11)Kaderbesluit 13 juni 2002, dat tot doel heeft de werkingssfeer van dit kaderbesluit te verduidelijken, bepaalt dat dit kaderbesluit niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch dat op de handelingen ondernomen door de strijdkrachten van een staat bij de uitoefening van hun officiële taken, voor zover onderworpen aan andere bepalingen van internationaal recht. 13. Artikel 141bis Strafwetboek bepaalt dat titel Iter die betrekking heeft op terroristische misdrijven, niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht, noch op de handelingen van de strijdkrachten van een Staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht. Dat artikel houdt een omzetting in van de overweging
(11)Kaderbesluit 13 juni
  1. De in het onderdeel als geschonden aangevoerde bepalingen of de regel dat overwegingen van een kaderbesluit geen bindende kracht hebben, maar slechts kunnen worden aanzien als een interpretatief instrument, beletten de lidstaten niet om de uitvoering die in het nationale recht moet worden gegeven aan de bepalingen van een kaderbesluit te beperken tot het toepassingsgebied van dit kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen bij het kaderbesluit. Zij beletten de nationale rechter evenmin om de in het nationale recht omgezette bepalingen van de bepalingen van het kaderbesluit te interpreteren in het licht van het toepassingsgebied van het kaderbesluit zoals dit blijkt uit de overwegingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  2. Het arrest oordeelt dat de artikelen 137, 139 en 141bis Strafwetboek zo moeten worden geïnterpreteerd dat het terroristisch karakter van een organisatie niet kan worden afgeleid uit de handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict door toepassing van de in artikel 141bis Strafwetboek bepaalde uitsluitingsgrond, zodat het leiderschap van en de deelname aan de activiteiten van een organisatie die enkel feiten van terroristische aard pleegt als strijdkracht in een gewapend conflict en onderworpen is aan het internationaal humanitair recht, niet strafbaar is op grond van die bepalingen. Aldus verantwoordt het deze beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  3. Een door artikel 1107, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bedoelde antwoordnoot laat uitsluitend toe te antwoorden op de door het openbaar ministerie genomen conclusie. Deze noot mag geen nieuw middel of een toelichting, aanvulling of uitbreiding van een in een regelmatig ingediende memorie aangevoerd middel bevatten. Evenmin kan de eiser in een dergelijke noot het Hof verzoeken aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen indien hij dit had kunnen doen in zijn regelmatig ingediende memorie. Anders oordelen zou een omzeiling toelaten van de dwingend opgelegde termijn om een memorie in te dienen.
  4. De eiser I kon de in zijn door artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde noot in ondergeschikte orde voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, die rechtstreeks verband houdt met de draagwijdte van artikel 2.2, a), en b), Kaderbesluit 13 juni 2002 rekening houdend met de overweging
(11)Kaderbesluit 13 juni 2002, aanvoeren in zijn regelmatig ingediende memorie en had niet moeten wachten op de zienswijze van het openbaar ministerie ter zake.
  1. De voorgestelde prejudiciële vraag wordt niet gesteld. Eerste onderdeel
  2. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 78 en 141bis Strafwetboek: het arrest grondt het oordeel dat er onvoldoende bezwaren zijn om aan te nemen dat de verweerders, hetzij leiders zijn van de PKK, hetzij betrokken zijn bij de activiteiten van de PKK, op de beslissing dat de handelingen die beantwoorden aan de materiële misdrijfbestanddelen van artikel 137 Strafwetboek handelingen zijn van een strijdkracht in een gewapend conflict waarop artikel 141bis Strafwetboek van toepassing is; aldus neemt het arrest ten onrechte aan dat dit artikel geen strafuitsluitende verschoningsgrond oplevert dan wel een strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt die het onwettig karakter van het strafbaar gestelde gedrag wegneemt; artikel 139 Strafwetboek definieert een terroristische groep als iedere gestructureerde vereniging van meer dan twee personen die sinds enige tijd bestaat en die in onderling overleg optreedt om terroristische misdrijven te plegen als bedoeld in artikel 137 Strafwetboek; aangezien artikel 141bis Strafwetboek een strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt, kan die geen afbreuk doen aan het onwettig karakter van handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict die voldoen aan de materiële toepassingscriteria van artikel 137 Strafwetboek; die bepaling kan immers enkel betrekking hebben op de bestraffing.
  3. Uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek volgt dat de daarin bepaalde uitsluiting voor handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict als gedefinieerd in en onderworpen aan het internationaal humanitair recht en handelingen van de strijdkrachten van een staat in het kader van de uitoefening van hun officiële taken, voor zover die handelingen onderworpen zijn aan deze bepalingen van internationaal recht, geldt voor alle in deze titel opgenomen misdrijven. Artikel 141bis Strafwetboek sluit de toepassing van de gehele titel Iter uit. De uitsluiting, die niet louter een strafuitsluitende verschoningsgrond inhoudt, verhindert niet enkel de strafwaardigheid, maar slaat ook op het bestaan van alle misdrijven opgenomen in titel Iter van boek II van het Strafwetboek. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  4. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 139, 140 en 141bis Strafwetboek: het arrest past artikel 141bis Strafwetboek toe op de definitie van een terroristische organisatie in de zin van artikel 139 Strafwetboek en het leidt daaruit af dat er onvoldoende bezwaren bestaan voor het misdrijf van leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek dan wel van deelnemer aan de activiteiten van een dergelijke groep in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek, niettegenstaande België niet behoort tot het geografisch gebied van het gewapend conflict; artikel 141bis Strafwetboek, dat enkel verwijst naar handelingen van strijdkrachten in een gewapend conflict, kan geen toepassing vinden op artikel 139 Strafwetboek, dat enkel een definitie bevat van een terroristische groep; artikel 141bis Strafwetboek sluit, in geval van de betrokkenheid van een terroristische groep in de zin van artikel 139 Strafwetboek als strijdkracht in een gewapend conflict, enkel de strafbaarheid uit van handelingen van individueel betrokkenen bij de terroristische groep die bestaan in terroristische misdrijven in de zin van artikel 137 Strafwetboek gepleegd door de strijdkrachten tijdens het gewapend conflict, of die bestaan in leiderschap van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek en deelname aan de activiteiten van een dergelijke groep in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek gepleegd door strijdkrachten tijdens het gewapend conflict; er is wel degelijk strafbaarheid wanneer hij die als leider of deelnemer wordt vervolgd, niet te beschouwen is als een strijdkracht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek of de misdrijven werden gepleegd buiten het geografisch gebied van het gewapend conflict in de zin van die bepaling; het arrest situeert de feiten van de telastleggingen A en B in het gerechtelijk arrondissement Brussel of elders in het Rijk en stelt ook vast dat het Belgisch grondgebied geen deel uitmaakt van het geografisch gebied van het gewapend conflict.
  5. In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel moet het om de reden vermeld in het antwoord op dat onderdeel worden verworpen.
  6. De toepasselijkheid van artikel 141bis Strafwetboek wordt bepaald door het antwoord op de vraag of de terroristische groep in de zin van artikel 139 Strafwetboek een strijdkracht is in een gewapend conflict en niet door het antwoord op de vraag of de personen die worden vervolgd als leider van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek dan wel als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek, zelf te beschouwen zijn als een strijdkracht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek, dan wel of die personen misdrijven hebben gepleegd buiten het geografisch gebied van het gewapend conflict in de zin van artikel 141bis Strafwetboek. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  7. Op grond van de redenen die het arrest (p. 33-34 en 42-44) bevat, verantwoordt het naar recht de beslissing dat er onvoldoende bezwaren bestaan voor de misdrijven van leiderschap van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 1, Strafwetboek of als deelnemer aan de activiteiten van een terroristische groep in de zin van artikel 140, § 2, Strafwetboek. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I en derde middel van de eiser II-III. Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 141bis Strafwetboek en de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet of niet afdoende de argumenten die de eiser I in zijn appelconclusie heeft aangevoerd voor zijn stelling dat het voor de toepassing van artikel 141bis Strafwetboek niet volstaat dat de handeling is gesteld door een strijdkracht in een gewapend conflict, maar dat ook vereist is dat de concrete in de telastleggingen geviseerde handelingen objectief en effectief zijn onderworpen aan het internationaal humanitair recht; daarvoor heeft de eiser I verwezen naar de tekst van artikel 141bis Strafwetboek, waaruit blijkt dat voor iedere strafrechtelijk relevante handeling moet worden nagegaan of een regel van internationaal humanitair recht van toepassing is; hij heeft ook aangevoerd dat de subjectieve wil van een strijdkracht om onderworpen te zijn aan het internationaal humanitair recht onvoldoende is en dat niet alle concrete handelingen van strijdkrachten binnen het geografisch gebied van een gewapend conflict ipso facto onderworpen zijn aan het internationaal recht.
  9. Indien de vervolgende partij of de burgerlijke partij in een conclusie de toepassing betwist van de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek, moet het onderzoeksgerecht dat middel beantwoorden. Deze motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat het onderzoeksgerecht moet antwoorden op elk argument dat wordt aangevoerd tot staving van dit middel, zonder evenwel een afzonderlijk middel te vormen.
  10. Met de redenen die het arrest (p. 28-33) bevat, beantwoordt het onderzoeksgerecht het door het onderdeel bedoelde middel, zonder dat het diende te antwoorden op de vermelde argumenten die slechts werden aangevoerd tot staving van dit middel, zonder evenwel een afzonderlijk middel te vormen. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 141bis Strafwetboek: het arrest besluit tot de toepasselijkheid van deze bepaling zonder in de feiten vast te stellen dat aan alle cumulatieve toepassingsvoorwaarden is voldaan; uit de tekst zelf van deze bepaling en de ontstaansgeschiedenis ervan volgt dat die slechts van toepassing is als de geviseerde concrete handelingen in concreto, objectief en effectief onder het internationaal humanitair recht vallen.
  12. Noch uit de tekst van artikel 141bis Strafwetboek in zijn geheel gelezen noch uit de ontstaansgeschiedenis van deze bepaling volgt dat de toepassing van de in deze bepaling voorziene uitsluiting vereist dat de rechter voor elke concrete handeling van een strijdkracht tijdens een gewapend conflict vaststelt dat die handeling in concreto, objectief en effectief onder de toepassing van het internationaal humanitair recht valt, met telkens opgave van de specifieke bepaling van internationaal humanitair recht die erop van toepassing is. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel van de eiser I en vierde middel van de eiser II-III
  13. Het middel voert schending aan van de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest beantwoordt niet de door de eiser I in zijn appelconclusie aangevoerde argumenten tot staving van zijn verweer dat artikel 141bis Strafwetboek niet dermate ruim mag worden geïnterpreteerd dat afbreuk zou worden gedaan aan de diverse internationale verplichtingen van België om terrorisme te bestrijden; de eiser I verwees daarbij naar de resolutie 1373 van de VN-Veiligheidsraad, naar het Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van Europese Unie betreffende specifieke maatregelen ter bestrijding van terrorisme en naar rechtspraak van het Hof van Justitie ter zake.
  14. Indien de vervolgende partij of de burgerlijke partij in een conclusie de toepassing betwist van de uitsluitingsgrond van artikel 141bis Strafwetboek, moet het onderzoeksgerecht dat middel beantwoorden. Deze motiveringsplicht houdt evenwel niet in dat het onderzoeksgerecht moet antwoorden op elk argument dat wordt aangevoerd tot staving van dit middel, zonder evenwel een afzonderlijk middel te vormen.
  15. Met de redenen die het arrest (p. 44-45) bevat, beantwoordt het onderzoeksgerecht het door het middel bedoelde middel, zonder dat het diende te antwoorden op de vermelde argumenten die slechts werden aangevoerd tot staving van dit middel, zonder evenwel een afzonderlijk middel te vormen. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel van de eiser I en vijfde middel van de eiser II-III Eerste onderdeel
  16. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van het EUROJUST-rapport; het oordeelt dat in dit rapport slechts één strafbare vorm van gedraging wordt omschreven die beantwoordt aan een misdrijf dat in aanmerking komt om te worden gekwalificeerd als misdrijf dat voorkomt op de lijst van terroristische misdrijven van artikel 137, § 2, en § 3, Strafwetboek, terwijl het rapport ook melding maakt van vrijheidsberoving wat een misdrijf is, dat is opgenomen op deze lijst; het arrest oordeelt verder dat het in het rapport beschreven geweld enkel zou zijn gepleegd met het oog op het innen van bijdragen of belastingen, terwijl uit het rapport blijkt dat de Duitse beslissingen hebben vastgesteld dat ook geweld werd gebruikt om te rekruteren.
  17. Het arrest (p. 37, laatste alinea) maakt wel degelijk melding van vrijheidsberoving. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
  18. Het arrest (p. 38, eerste alinea) oordeelt dat, met uitzondering van het toebrengen van slagen en verwondingen, de omschreven feiten niet beantwoorden aan één van de misdrijven van de door artikel 137, § 2, en § 3, Strafwetboek bedoelde lijst. Met dit oordeel geeft het arrest van het EUROJUST-rapport geen uitlegging, maar trekt het er een juridisch gevolg uit. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.
  19. Het arrest (p. 38, tweede alinea) oordeelt dat verder moet worden vastgesteld dat op grond van de voorhanden zijnde elementen het gebruikte geweld, waarvan een gedetailleerde omschrijving evenwel niet voorhanden is, werd gepleegd met het oog op het innen van een bijdrage of belasting, zodat de feiten wellicht dienen te worden gekwalificeerd als afpersing door middel van geweld of bedreiging, wat niet voorkomt in de voormelde lijst. Met dat oordeel sluit het arrest evenwel niet uit dat ook geweld werd gebruikt met het oog op het rekruteren van leden. In zoverre mist het onderdeel eveneens feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  20. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd; het stelt enerzijds vast dat in de Duitse uitspraken van 10 april 2008 en 31 juli 2009 melding wordt gemaakt van feiten van slagen en verwondingen door PKK-leden in Duitsland, wat beantwoordt aan een misdrijf dat voorkomt in de lijst van artikel 137, § 2, en § 3, Strafwetboek; het oordeelt anderzijds dat die feiten van slagen en verwondingen niettemin geen terroristisch misdrijf uitmaken omdat die feiten kaderen in het innen van een bijdrage of belastingen en dus te kwalificeren zijn als afpersing, misdrijf dat niet voorkomt op de bedoelde lijst.
  21. Tegenstrijdig in de zin van de door het onderdeel bedoelde bepalingen zijn redenen die elkaar teniet doen of elkaar opheffen.
  22. Met de redenen die het arrest (p. 37-38) bevat, oordeelt het dat hoewel het toebrengen van slagen en verwondingen is vermeld op de lijst van artikel 137, § 2, en § 3, Strafwetboek, die feiten in de gegeven omstandigheden, namelijk met het oog op het innen van een bijdrage of belasting, het misdrijf van afpersing opleveren, wat niet voorkomt op de bedoelde lijst. Die redenen doen elkaar niet teniet of heffen elkaar niet op. De aangevoerde tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde middel van de eiser I en zesde middel van de eiser II-III
  23. Het middel voert schending aan van de artikelen 141bis Strafwetboek en de artikelen 127, § 4, en 135, § 3, Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het arrest grondt het oordeel dat het geografisch gebied van het gewapend conflict het gehele grondgebied van de eiser II-III omvat in essentie op een loutere verwijzing naar het Tadic-arrest van het Internationaal Joegoslavië-tribunaal zonder evenwel na te gaan op basis van welke criteria dit tribunaal tot dat besluit kwam en of die criteria in de voorliggende zaak van toepassing zijn; het arrest oordeelt bovendien dat de handelingen gesteld in de aangrenzende staat Irak als spillover-incidenten of cross border-incidenten behoren tot het geografisch gebied van het gewapend conflict tussen de eiser II-III en de PKK, zonder meer concreet te specificeren welk deel van het grondgebied van Irak tot dat geografisch gebied behoort; het arrest kan uit de vaststellingen die het bevat niet tot de vermelde oordelen komen; minstens laat het niet toe te begrijpen hoe het tot die beslissingen is gekomen.
  24. Het arrest oordeelt dat in navolging van het arrest Tadic van het Internationaal Joegoslavië-tribunaal moet worden besloten dat eens de drempel van het niet-internationaal gewapend conflict overschreden is, de toepassing van het gemeenschappelijk artikel 3 van de Verdragen van Genève zich meteen uitstrekt over het volledige grondgebied dat door één van de partijen wordt gecontroleerd en in het geval dat een van de betrokken partijen de nationale staat zelf is, de toepassing van voormeld artikel 3 zich uitstrekt over het volledige grondgebied van die staat.
  25. Aldus vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan het oordeelt dat het geografisch gebied van het gewapend conflict zich uitstrekt over het gehele grondgebied van de eiser II-III. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dienen de appelrechters die beslissing niet nader met redenen te omkleden. Met de vermelde redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  26. Er is een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht wanneer er sprake is van gewapend geweld tussen staten of aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling binnen een staat.
  27. Er kan ook sprake zijn van aanhoudend gewapend geweld tussen overheidsinstanties en georganiseerde gewapende groepen of tussen dergelijke groepen onderling op het territorium van een staat die niet is betrokken in de confrontatie tussen de partijen, door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of doordat een partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat.
  28. De rechter oordeelt onaantastbaar in feite of door voornoemde extraterritoriale elementen er nog steeds sprake is van een gewapend conflict onderworpen aan het internationaal humanitair recht in de zin van artikel 141bis Strafwetboek.
  29. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat incidenten op het grondgebied van een aangrenzende staat geen afbreuk doen aan de vaststelling dat er sprake is van een gewapend conflict in de zin van het internationaal humanitair recht, niet vast te stellen op welk gedeelte van het grondgebied van de aangrenzende staat zijn oordeel betrekking heeft.
  30. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  31. Het arrest oordeelt dat: - de niet-internationale aard van het conflict niet wordt verhinderd door occasionele grensoverschrijdende gewapende incidenten of het feit dat de ene partij doelgericht doelwitten van de andere partij bij het conflict viseert die gelegen zijn op het territorium van een aangrenzende staat; - de staten op wiens grondgebied het conflict zich occasioneel uitbreidt, niet betrokken zijn bij het conflict; - het feit dat de Turkse nationale overheid militaire acties heeft uitgevoerd tegen PKK/HPG-installaties op Iraaks grondgebied, niets afdoet aan het feit dat het conflict tussen Turkije en de PKK/HPG nog steeds dient te worden beschouwd als een niet-internationaal gewapend conflict. Aldus vermeldt het arrest de redenen op grond waarvan het oordeelt dat de handelingen gesteld in de aangrenzende staat Irak als spillover-incidenten of cross border-incidenten, behoren tot het geografisch gebied van het gewapend conflict tussen de eiser II-III en de PKK. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dienen de appelrechters die beslissing niet nader met redenen te omkleden. Met de vermelde redenen verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  32. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent de eiser II-III akte van de afstand voor het cassatieberoep II. Verwerpt de cassatieberoepen I en III. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 286,02 euro waarvan de eiser I en III elk 58,14 euro verschuldigd zijn en de eiser II 64,74 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 28 januari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200128.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200128.6 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.