id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.16 Rolnummer: P.19.0720.N Zaak: PROCUREUR-GENERAAL HOF VAN CASSATIE contra L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 418 - laatst gezien 2026-06-28 07:49 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Noch uit de bepalingen van de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering, noch uit het arrest nr. 131/2016 van het Grondwettelijk Hof volgt dat het Hof van Cassatie kennis zou moeten nemen van een hoger beroep tegen een beschikking van een raadsheer-onderzoeksrechter belast met een gerechtelijk onderzoek op grond van de artikelen 479 en 480 Wetboek van Strafvordering over een op grond van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek
(1).
(1)Gwh 20 oktober 2016, nr. 131/2016; A. WINANTS, Beschouwingen over het voorrecht van rechtsmacht, in F. DERUYCK (ed.), Strafrecht in/uit balans, Kluwer,
- Thesaurus CAS: VOORRECHT VAN RECHTSMACHT Vrije woorden: Misdaden en wanbedrijven gepleegd door rechters buiten hun ambt - Magistraat van een hof van beroep - Gerechtelijk onderzoek - Artikelen 479 en 480 Wetboek van Strafvordering - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandeling overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering - Weigering van de raadsheer-onderzoeksrechter - Verklaring van hoger beroep bij de griffie van het Hof - Ontvankelijkheid Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Voorrecht van rechtsmacht - Misdaden en wanbedrijven gepleegd door rechters buiten hun ambt - Magistraat van een hof van beroep - Artikelen 479 en 480 Wetboek van Strafvordering - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandeling overeenkomstig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering - Weigering van de raadsheer-onderzoeksrechter - Verklaring van hoger beroep bij de griffie van het Hof - Ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Nr. P.19.0720.N K L, verzoeker tot het verrichten van bijkomende onderzoekshandelingen overeenkom-stig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering, eiser, met als raadslieden mr. Raf Verstraeten, advocaat bij de balie Leuven, alsook mr. Patrick Hofströssler, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De eiser stelt door het afleggen van een verklaring ter griffie van het Hof hoger beroep in tegen de beschikking van de raadsheer-onderzoeksrechter van 18 no-vember
- Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. VOORAFGAANDE PROCEDURE Bij brief van 28 juni 2017 heeft de procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen overeenkomstig artikel 481 Wetboek van Strafvordering aan de minis-ter van Justitie lastens de eiser een dossier overgemaakt met de mededeling dat er voldoende aanwijzingen zijn om lastens hem de strafvordering in te stellen wegens feiten van schending van het beroepsgeheim en mededaderschap aan heling te Antwerpen en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 22 juni 2017 en 28 juni
- Bij brief van 18 juli 2017 heeft de minister van Justitie aan de procureur-generaal bij het Hof het dossier toegezonden. Bij arrest van 26 september 2017 heeft het Hof de zaak verwezen naar de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel teneinde een magistraat aan te wijzen die als onderzoeksrechter zal optreden. Bij beschikking van 15 mei 2018 heeft de door de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel aangewezen onderzoeksmagistraat het dossier meegedeeld aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel. Bij beschikking van 31 januari 2019 heeft de raadkamer van de rechtbank van eer-ste aanleg van Antwerpen de onderzoeksrechter ontslag van onderzoek verleend in de zaak AN 27.F1.516132/17 lastens C.Q. Met een vordering ontvangen ter griffie van het Hof op 8 juli 2019 heeft de procu-reur-generaal bij het Hof, het Hof verzocht op grond van de artikelen 127, 130, 479, 481 en 482 Wetboek van Strafvordering de rechtspleging te regelen. Die vordering strekt er meer bepaald toe hem akte te verlenen van de voeging van het strafdossier AN27.F1.516132/2017 lastens C.Q. en de eiser en bij samenhang C.Q. te verwijzen naar het hof van beroep te Brussel, de eerste voor de feiten om-schreven onder telastleggingen A (inbreuk op artikel 458 Strafwetboek, te Ant-werpen en bij samenhang elders in het Rijk tussen 22 juni 2017 en 28 juni 2017) en B (inbreuk op artikel 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek, als dader-mededader, zelf-de tijdsperiode), de tweede voor het feit omschreven onder de telastlegging B (zelfde omschrijving). Bij verzoekschrift verzocht de eiser de raadsheer-onderzoeksrechter overeenkom-stig de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bijkomende onderzoekshandelingen te verrichten. Bij arrest van 22 oktober 2019 heeft het Hof, gelet op de aan de raadsheer-onderzoeksrechter gerichte vraag tot aanvullend onderzoek, de regeling van de rechtspleging geschorst. Bij beschikking van 18 november 2019 heeft de raadsheer-onderzoeksrechter eisers verzoek afgewezen. Op 3 december 2019 heeft de eiser de voormelde verklaring van hoger beroep ter griffie van het Hof afgelegd. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het hoger beroep
- Artikel 481 Wetboek van Strafvordering bepaalt dat aangiften of klachten die worden ontvangen inzake een wanbedrijf of misdaad dat door leden van het hof van beroep en ambtenaren van het openbaar ministerie bij een dergelijk hof dadelijk worden doorgezonden naar de minister van Justitie. Krachtens artikel 482 Wetboek van Strafvordering maakt de minister van Justitie deze stukken over aan het Hof van Cassatie, dat in raadkamer beslist over het ge-volg dat aan de procedure moet worden gegeven. Het Hof kan hierbij beslissen dat er geen reden is tot verwijzing bij gebrek aan een misdrijf of toereikende be-zwaren, dat er aanvullend onderzoek nodig is waarop de zaak naar de eerste voor-zitter van een ander hof van beroep wordt verwezen opdat die een raadsheer-onderzoeksrechter aanwijst, of dat het strafonderzoek volledig is en er voldoende bezwaren zijn waarop de zaak wordt verwezen naar een ander hof van beroep voor behandeling ten gronde.
- Met het arrest nr. 131/2016 van 20 oktober 2016 oordeelde het Grondwette-lijk Hof dat: - de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering, in afwijking van het ge-meen strafrecht, voor de magistraten van de hoven van beroep niet voorzien in de tussenkomst van een onderzoeksgerecht om, in de loop van het gerechtelijk onderzoek, toezicht te houden op de regelmatigheid van de rechtspleging en als beroepsinstantie uitspraak te doen over beslissingen van de raadsheer-onderzoeksrechter en om, bij het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek, de rechtspleging te regelen (B.10.1); - gelet op de logica van het geldend stelsel, waarbij niet is voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de door het hof van beroep gewezen beslissing, het niet zonder redelijke verantwoording is dat de wetgever evenmin heeft voorzien in een mogelijkheid van beroep tegen de beslissingen genomen door de raadsheer-onderzoeksrechter over de aan hem gerichte verzoeken (B.10.2, eerste alinea); - de wetgever ervan uit mocht gaan dat er aan de magistraten van de hoven van beroep voldoende waarborgen worden geboden door het feit dat het ambt van raadsheer-onderzoeksrechter wordt uitgeoefend door een magistraat, aangewe-zen door de eerste voorzitter van een ander hof van beroep dan het hunne, dat zij worden berecht door de hoogste feitenrechter die behoort tot een ander rechtsgebied dan het hunne en door de tussenkomst van het Hof van Cassatie dat moet beslissen over het gevolg dat aan de procedure wordt gegeven; het Hof van Cassatie, uitspraak doend in raadkamer, kan daarbij beslissen dat er geen reden tot vervolging is, dan wel de zaak rechtstreeks verwijzen naar het hof van beroep indien er voldoende bezwaren zijn, of nog, bijkomende onder-zoekshandelingen vorderen (B.10.2, tweede alinea); - aan de magistraten van de hoven van beroep aldus de waarborg wordt geboden dat het Hof van Cassatie, zoals een onderzoeksgerecht in de gemeenrechtelijke strafprocedure, overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toe-reikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de rechtspleging be-oordeelt (B.10.2, derde alinea), - in zoverre er bij het afsluiten van het door het Hof van Cassatie gevorderde onderzoek geen tussenkomst is van een gerechtelijk orgaan dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatigheid van de proce-dure beoordeelt, wordt op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de betrokken magistraten bij de hoven van beroep en hun mededaders en medeplichtigen (B.11.1, tweede alinea); - de artikelen 481 en 482 Wetboek van Strafvordering, in die zin uitgelegd dat de zaak, na het beëindigen van het door het Hof van Cassatie gevorderde on-derzoek, aan dat Hof, waarvan de bevoegdheid in deze procedure vergelijkbaar is met die van een onderzoeksgerecht, moet worden teruggezonden en dat in het kader van een tegensprekelijke procedure overgaat tot de regeling van de rechtspleging en daarbij de toereikendheid van de bezwaren en de regelmatig-heid van de procedure beoordeelt, bestaanbaar zijn met de artikelen 10 en 11 Grondwet (B.12).
- Noch uit de voormelde wetsbepalingen noch uit het arrest nr. 131/2016 van het Grondwettelijk Hof volgt dat het Hof van Cassatie kennis zou moeten nemen van een hoger beroep tegen een beschikking van een raadsheer-onderzoeksrechter belast met een gerechtelijk onderzoek op grond van de artikelen 479 en 480 Wet-boek van Strafvordering over een op grond van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering ingediend verzoek.
- Het door de eiser ingestelde rechtsmiddel is niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verklaart het ingestelde rechtsmiddel niet ontvankelijk. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Sidney Berneman, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en op de openbare rechtszitting van 4 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voor-zitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div