id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 04 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2
Artikel 37q
uinquies, § 1, Strafwetboek - Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Allerlei Vrije woorden: Autonome probatiestraf -
Artikel 37o
cties, § 1, Strafwetboek - Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Vrije woorden:
Artikel 8
, eerste tot en met derde lid, Probatiewet - Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - PROBATIEUITSTEL Vrije woorden:
Artikel 8
, eerste tot en met derde lid, Probatiewet - Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Fiches 5 - 6 De rechter kan, indien om een werkstraf, een autonome probatiestraf of (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging wordt verzocht en de beklaagde voldoet aan de wettelijk bepaalde voorwaarden, zijn afwijzende beslissing motiveren, hetzij door daartoe specifieke redenen op te geven, hetzij door tegen de beklaagde een of meerdere andere straffen uit te spreken en de keuze voor die straf of straffen en hun maat te motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering; artikel 149 Grondwet, de artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet verplichten de rechter niet om de weigering een werkstraf of een autonome probatiestraf uit te spreken of de modaliteit van het (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, steeds autonoom met een op zichzelf staande redengeving, te motiveren en dit maakt de motiveringsverplichting niet inhoudsloos aangezien het noodzakelijk maar voldoende is dat de beklaagde weet waarom hij tot een of meerdere straffen is veroordeeld en bijgevolg ook weet waarom hij niet werd veroordeeld tot een werkstraf of een autonome probatiestraf of hem geen (probatie)uitstel van tenuitvoerlegging werd verleend
(1).
(1)R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 6de editie, 2014, 752-768; M.-A. BEERNAERT, H.- D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, 8ste editie, 2017, 1366-1376. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Correctionele rechtbank - Straf - Verzoek van de beklaagde voor een werkstraf, een autonome probatiestraf of (probatie)-uitstel van tenuitvoerlegging - Artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet -
Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Weigering - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 149 Vrije woorden: Motivering van vonnissen - Strafzaken - Correctionele rechtbank - Straf - Verzoek van de beklaagde voor een werkstraf, een autonome probatiestraf of (probatie)-uitstel van tenuitvoerlegging - Artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet -
Beklaagde die voldoet aan de voorwaarden - Weigering - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Annotaties Publicaties: Nullum Crimen [NC] - 2021, nr. 2, p. 154-
- - VERDICKT, M., Noot'De (negatieve) motivering van de straf: tussen de verplichting en de vrijheid van de strafrechter' Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1162.N K A, beklaagde, met als raadsman mr. John Maes, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Leuven van 17 oktober
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het bestreden vonnis oordeelt dat de toestand van herhaling als bedoeld door artikel 38, § 6, Wegverkeerswet niet van toepassing is. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is eisers cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 37quinquies, § 1, en 37octies, § 1, Strafwetboek en artikel 8 Probatiewet: met het oordeel dat de eiser niet in aanmerking komt voor een werkstraf of een autonome probatiestraf voegt het bestreden vonnis een voorwaarde toe aan de wettelijke vereisten voor beide straffen; de eiser komt wel degelijk in aanmerking voor die straffen; die kritiek geldt ook voor de weigering uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen.
- Het bestreden vonnis oordeelt dat: - de appelrechters bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de ernst van de feiten en het strafrechtelijk verleden van de eiser; - de eiser reeds een zevental maal veroordeeld is voor gelijkaardige feiten en hij dus hardleers is; - hij niets heeft geleerd uit voorgaande veroordelingen; - het besturen van een motorvoertuig spijts een vervallenverklaring op een misprijzen voor gerechtelijke uitspraken wijst; - de eerste rechter terecht een effectieve gevangenisstraf van tien maanden op-legde, wat een duidelijk signaal moet zijn voor de eiser dat de maatschappij zijn gedrag in het verkeer niet langer tolereert en wat hem tot inkeer kan brengen over zijn verantwoordelijkheid in het verkeer; - die straf naast het opgelegde rijverbod volstaat om het beoogde doel te berei-ken; - de eerste rechter terecht een levenslang rijverbod oplegde voor alle motorvoertuigen om recidive te vermijden, wat nodig is om de maatschappij en andere weggebruikers te beschermen; - ten slotte, de eiser omwille van zijn ongunstig strafregister en zijn hardleerse houding niet in aanmerking komt voor gunstmaatregelen als een werkstraf, een autonome probatiestraf of uitstel.
- Met het geheel van die redenen beslissen de appelrechters niet dat de mogelijkheid om een werkstraf of een autonome probatiestraf uit te spreken of (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen wettelijk onmogelijk is op grond van de in de artikelen 37quinquies, § 1, en 37octies, § 1, Strafwetboek en artikel 8, § 1, Probatiewet bepaalde voorwaarden, maar wel dat het op grond van de gegevens die zij vermelden niet opportuun is de eiser tot die straffen te veroordelen of hem die modaliteit toe te kennen. Het middel dat berust op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis, mist feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, de artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8 Probatiewet: het bestreden vonnis miskent de door artikel 149 Grondwet voorgeschreven motiveringsverplichting; de afwijzing van eisers verzoek om een werkstraf of een autonome probatiestraf is niet afdoende gemotiveerd, aangezien die afwijzing een autonome motivering vereist die losstaat van de redengeving die een rechter verstrekt om de keuze voor een andere straf of straffen te verantwoorden; eenzelfde autonome motiveringsverplichting geldt ook voor de afwijzing van het verzoek (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, omdat die motiveringsverplichting anders inhoudsloos wordt.
- Artikel 37quinquies, § 1, Strafwetboek bepaalt de voorwaarden om een beklaagde te kunnen veroordelen tot een werkstraf. Volgens paragraaf 3, tweede lid, van dit artikel moet de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken die beslissing met redenen omkleden. Artikel 37octies, § 1, Strafwetboek bepaalt de voorwaarden om een beklaagde te kunnen veroordelen tot een autonome probatiestraf. Volgens paragraaf 3, tweede lid, van dit artikel moet de rechter die weigert een door de beklaagde gevraagde autonome probatiestraf uit te spreken die beslissing met redenen omkleden. Artikel 8, eerste tot en met derde lid, Probatiewet bepaalt de voorwaarden voor het verlenen van (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging. Het vierde lid van dit artikel verplicht de rechter de beslissing waarbij (probatie-)uitstel wordt geweigerd met redenen te omkleden overeenkomstig artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Volgens artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering moet de rechter de keuze van de straffen en maatregelen en hun maat nauwkeurig weze het beknopt motiveren, voor zover de wetgever die aan zijn vrije beoordeling overlaat.
- Uit deze bepalingen volgt niet dat een beklaagde, ook al laten de in de artikelen 37quinquies, § 1, en 37octies, § 1, Strafwetboek en artikel 8, eerste tot en met derde lid, Probatiewet bepaalde voorwaarden toe om lastens hem een werkstraf of een autonome probatiestraf uit te spreken of (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, een recht heeft op een dergelijke straf of modaliteit. Het staat immers aan de rechter om, zelfs al voldoet een beklaagde aan de aldus bepaalde wettelijke voorwaarden, te oordelen of in het licht van de doelstellingen van de straftoemeting en de concrete gegevens van de zaak, het uitspreken van een werkstraf of een autonome probatiestraf of het verlenen van een (probatie-) uitstel van tenuitvoerlegging opportuun is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De rechter kan, indien om een werkstraf, een autonome probatiestraf of (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging wordt verzocht en de beklaagde voldoet aan de wettelijk bepaalde voorwaarden, zijn afwijzende beslissing motiveren, hetzij door daartoe specifieke redenen op te geven, hetzij door tegen de beklaagde een of meerdere andere straffen uit te spreken en de keuze voor die straf of straffen en hun maat te motiveren overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Artikel 149 Grondwet, de artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet verplichten de rechter niet om de weigering een werkstraf of een autonome probatiestraf uit te spreken of de modaliteit van het (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen, steeds autonoom, dit wil zeggen met een op zichzelf staande redengeving, te motiveren. Dit maakt de motiveringsverplichting niet inhoudsloos. Het is immers noodzakelijk maar voldoende dat de beklaagde weet waarom hij tot een of meerdere straffen is veroordeeld en bijgevolg ook weet waarom hij niet werd veroordeeld tot een werkstraf of een autonome probatiestraf of hem geen (probatie-)uitstel van tenuitvoerlegging werd verleend. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Door opgave te doen van de redenen die zijn vermeld in het antwoord op het eerste middel, voldoen de appelrechters aan de door artikel 149 Grondwet, de artikelen 37quinquies, § 3, en 37octies, § 3, Strafwetboek en artikel 8, vierde lid, Probatiewet voorgeschreven motiveringsverplichting. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Sidney Berneman, en op de openbare rechtszitting van 4 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200204.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211026.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211221.2N.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220427.2F.3 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220525.2F.5 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20231108.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241105.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250604.2F.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.16 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211221.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240917.2N.11 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241105.2N.22 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251118.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div