← België

C. contra H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 10 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 Rolnummer: C.15.0200.N Zaak: C. contra H. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2020-03-09 Raadplegingen: 1163 - laatst gezien 2026-06-29 05:26 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.9 Fiches 1 - 2 Noch de artikelen 3, 9 en 12 IVRK, noch artikel 8 EVRM of artikel 22bis Grondwet vereisen dat het minderjarig kind in de gelegenheid wordt gesteld als partij tussen te komen en een vordering in te stellen in geschillen tussen zijn ouders aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn persoon, de verblijfsregeling of de uitoefening van het recht op persoonlijk contact door de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent; uit artikel 1004/1, §1 en §6, artikel 374 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1253ter/6 en 1253ter/7, § 1, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek, waarmee de wetgever de hem door artikel 22bis Grondwet en het IVRK opgelegde verplichtingen wil nakomen, volgt dat ter zake geschillen tussen de ouders betreffende de organisatie van de verblijfsregeling van hun kinderen en de uitoefening van het recht op persoonlijk contact, niet wordt afgeweken van de handelings- of procesonbekwaamheid van de minderjarige; hieruit volgt dat de minderjarige in een dergelijk geschil niet als partij kan tussenkomen en geen vordering kan instellen

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: OUDERLIJK GEZAG Vrije woorden: Verblijfsregeling kind - Minderjarige - Procesbekwaamheid - Gevolg Thesaurus CAS: KIND Vrije woorden: Ouderlijk gezag - Verblijfsregeling kind - Minderjarige - Procesbekwaamheid - Gevolg Annotaties Publicaties: Actualités du droit de la famille [Act.dr.fam.] - COUNE, Manon; Note "Le mineur dans le procès civil: une intervention qui se complique?" - 2021, n° 1, p. 12-
  1. Tekst van de beslissing Nr. C.15.0200.N A.C., eiseres, toegelaten tot de kosteloze rechtsbijstand bij beschikking van 28 februari 2015 (nr. G.15.0053.N). vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1150 Brussel, Laurierlaan 1, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
  2. M.H., verweerder,
  3. J.C., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten nr. 2015/815 en 2015/886 van het hof van beroep te Antwerpen, familiekamer, van 26 januari
  4. De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 14 januari 2020 verwezen naar de derde kamer. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft op 13 januari 2020 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
  5. Noch de artikelen 3, 9 en 12 IVRK, noch artikel 8 EVRM of artikel 22bis Grondwet vereisen dat het minderjarig kind in de gelegenheid wordt gesteld als partij tussen te komen en een vordering in te stellen in geschillen tussen zijn ouders aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag over zijn persoon, de verblijfsregeling of de uitoefening van het recht op persoonlijk contact door de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent.
  6. Overeenkomstig artikel 1004/1, § 1, Gerechtelijk Wetboek heeft elke minderjarige het recht gehoord te worden door een rechter in materies die hem aanbelangen aangaande de uitoefening van het ouderlijk gezag, de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact. Krachtens artikel 1004/1, § 6, Gerechtelijk Wetboek wordt aan de mening van de minderjarige passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit, maar heeft het onderhoud met de minderjarige niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt. Krachtens artikel 374 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1253ter/6 en 1253ter/7, § 1, tweede lid, 3°, Gerechtelijk Wetboek moet de rechter in de geschillen tussen de ouders betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, de organisatie van de verblijfsregeling en het recht op persoonlijk contact, in het belang van het kind beslissen.
  7. Uit de voormelde wettelijke bepalingen waarmee de wetgever de hem door artikel 22bis Grondwet en het IVRK opgelegde verplichtingen wil nakomen, volgt dat ter zake geschillen tussen de ouders betreffende de organisatie van de verblijfsregeling van hun kinderen en de uitoefening van het recht op persoonlijk contact, niet wordt afgeweken van de handelings- of procesonbekwaamheid van de minderjarige. Hieruit volgt dat de minderjarige in een dergelijk geschil niet als partij kan tussenkomen en geen vordering kan instellen. Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Prejudiciële vraag
  8. In ondergeschikte orde verzoekt de eiseres aan het Grondwettelijk Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen: "Schenden de artikelen 372, 373, 374, 388, 389, 488, 1108, 1123, 1124 van het Burgerlijk Wetboek, 17, 812, 1004/1, 1253ter/6 en 1253ter/7 van het Gerechtelijk Wetboek, (...) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet[, al dan niet samen gelezen met de artikelen 8 van het EVRM, 3, 9 en 12 van het Verdrag inzake de rechten van het kind en 22 en 22bis van de Grondwet,] in zoverre ze uitsluiten dat de minderjarige zelf en zelfstandig optreedt in geschillen tussen zijn ouders die zijn verblijfsrecht tot voorwerp [hebben] (artikelen 374 van het Burgerlijk Wetboek, 1253ter/4 en 1253ter/5 van het Gerechtelijk Wetboek), terwijl hij wel procesbekwaamheid heeft in jeugdbeschermingsgeschillen waarin maatregelen worden genomen die zijn verblijfsrecht raken (artikelen 37, 45, 46, 52, 54bis en 60 van de Jeugdbeschermingswet)?"
  9. Zoals de formulering van de voorgestelde vraag laat blijken, volgt de door de eiseres bekritiseerde regel niet uit een specifieke wetsbepaling, maar uit het ontbreken in de wetgeving van een bepaling die voor de bedoelde geschillen in een uitzondering voorziet op het principe van de handelings- of procesonbekwaamheid van de minderjarige.
  10. Wanneer een vermeende schending van de artikelen 10 en 11 Grondwet betrekking heeft op een leemte in de wetgeving, dient het Hof slechts een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof wanneer het vaststelt dat de rechter, in voorkomend geval, in staat is aan deze leemte te verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever.
  11. De door de eiseres aangeklaagde ongelijke behandeling, gesteld dat het Grondwettelijk Hof zou oordelen dat zij de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt, zou door de rechter niet kunnen verholpen worden zonder miskenning van het grondwettelijk rechtsbeginsel van de scheiding der machten.
  12. Het antwoord op de opgeworpen vraag kan hoe dan ook niet tot cassatie leiden. De vraag is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. (...) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 707,74 euro in debet. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Antoine Lievens, Bart Wylleman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 10 februari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200210.3N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200210.3N.9 geciteerd door: ECLI:BE:HBGNT:2024:ARR.20241223.1 ECLI:BE:HBGNT:2025:ARR.20250114.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.