id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.1 Rolnummer: P.19.1028.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2020-02-13 Raadplegingen: 1037 - laatst gezien 2026-06-29 05:09 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering vereist dat de onderzoeksrechter, voor het plaatsen van afluisterapparatuur in een woning of een private plaats, niet enkel een afluistermaatregel beveelt, maar ook een bevel verleent om in die woning of plaats binnen te dringen met het oog op het plaatsen van die apparatuur
(1).
(1)Cass. 24 september 2014, AR P. 14.0915.F, AC 2014, nr. 551; Cass. 4 december 2012, AR P. 12.1561.N, AC 2012, nr. 663 met concl. van advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Afluisteren van privé-communicatie - Woning of private plaats - Afzonderlijke beschikkingen - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksverrichtingen - Afluisteren van privé-communicatie - Woning of private plaats - Afzonderlijke beschikkingen - Draagwijdte - Gevolg Fiche 3 Noch het feit dat de gesloten passagiersruimte van een personenvoertuig geen openbare plaats is, onder meer omdat daarin de redelijke privacy-verwachting hoger is dan in een openbare plaats, noch het feit dat de doorzoeking van een voertuig krachtens de wet is beperkt tot welbepaalde gevallen, impliceert dat die ruimte een private plaats is zoals bedoeld in artikel 90ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en het plaatsen van afluisterapparatuur in een voertuig kan evenmin vergeleken worden met het doorzoeken ervan, aangezien het handelingen betreft met een verschillende finaliteit; uit de in artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering gebruikte bewoordingen en de wetsgeschiedenis ervan blijkt dat de wetgever onder een private plaats zoals hier bedoeld, geen passagiersruimte van een personenvoertuig heeft verstaan
(1).
(1)Cass. 8 mei 2012, AR P.11.1908.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9, AC 2012, nr. 282 ( doorzoeking voertuig); L. ARNOU, 'Afluisteren tijdens het gerechtelijk onderzoek', Comm. Strafr., 33. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Afluisteren van privé-communicatie - Passagiersruimte van een personen-voertuig - Private plaats - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 5 De inhoud van de verklaring van hoger beroep van de appellant bepaalt weliswaar de perken waarbinnen hij ontvankelijk grieven kan aanvoeren, maar het feit dat die verklaring betrekking heeft op meer beslissingen van het beroepen vonnis dan deze waartegen hij grieven formuleert, heeft geen impact op de beoordeling van zijn grieven door het appelgerecht; het is weliswaar niet vereist dat de appellant in het grievenformulier de redenen voor zijn grieven vermeldt, maar hij kan daarin wel, door een bijschrift naast een algemene rubriek, specificeren dat zijn grief slechts betrekking heeft op bepaalde aspecten van die rubriek en zo kan de appellant in zijn grievenformulier, bij de aangeduide rubriek ?schuld', specificeren dat hij enkel zijn schuld aan een bepaalde telastlegging betwist, zodat hij enkel de betwisting van zijn schuldigverklaring aan die telastlegging bij het appelgerecht aanhangig maakt. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep door de beklaagde - Grievenformulier - Aankruising rubriek "schuld" - Bepaalde telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep door de beklaagde - Grievenformulier - Aankruising rubriek "schuld" - Bepaalde telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Fiches 6 - 7 In de regel mag het appelgerecht de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermelde middelen enkel opwerpen binnen zijn saisine, zoals die in eerste orde voortvloeit uit de verklaring van hoger beroep van de appellant en in tweede orde door de grieven die de appellant heeft opgeworpen overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering, maar indien een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan een bepaalde telastlegging niet als grief heeft aangeduid, maar wel een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel, heeft het appelgerecht wat die beklaagde betreft ambtshalve de mogelijkheid om die feiten te heromschrijven en te oordelen of ze al dan niet vaststaan; wanneer de beklaagde of het openbaar ministerie gelet op de afwezigheid van een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ter zake de beslissing over de schuld niet door het appelgerecht wensen beoordeeld te zien, kan de appellant het appelgerecht niet verplichten om een ambtshalve middel aan te voeren in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering en hoeft het appelgerecht een verweer dat daarmee verband houdt niet te beantwoorden
(1).
(1)Zie GwH 20 november 2019, nr. 189/
- Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Principaal beroep. Vorm. Termijn Vrije woorden: Hoger beroep door de beklaagde of het openbaar ministerie - Grievenformulier - Geen grief betreffende een bepaalde telastlegging - Aanduiding van een beschikking van de beroepen beslissing die verband houdt met die telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Gevolgen. Bevoegdheid van de rechter Vrije woorden: Hoger beroep door de beklaagde of het openbaar ministerie - Grievenformulier - Geen grief betreffende een bepaalde telastlegging - Aanduiding van een beschikking van de beroepen beslissing die verband houdt met die telastlegging - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1028.N I A A, beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. II D A, vrijwillig tussengekomen partij, eiser, met als raadsman mr. Koen Vaneecke, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 174, waar de eiser woonplaats kiest. III H J A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Wim Sys, advocaat bij de balie Leuven. IV B E E I, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Frédéric Thiebaut, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2800 Mechelen, Frederik de Merodestraat 6, waar de eiser woonplaats kiest. V K A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. VI R V S, beklaagde, eiser, met als raadslieden mr. Jesse Van den Broeck en mr. Alexander Van Heeschvelde, advocaten bij de balie Gent. VII J V T, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie Antwerpen. VIII K O H, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Nino Darsalia, advocaat bij de balie Antwerpen. IX-X F V S, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Emily De Ceuninck, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiser VI voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser VII voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IX-X voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser VIII voert geen middel aan. De eiser III doet afstand van zijn cassatieberoep. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Krachtens artikel 416 Wetboek van Strafvordering kunnen de partijen slechts cassatieberoep instellen indien zij daartoe hoedanigheid en belang hebben.
- In zoverre gericht tegen de vrijspraak van de eisers IV en V voor de telastlegging B in zaak II, zijn hun cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.
- Krachtens artikel 419 Wetboek van Strafvordering kan niemand een tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, behoudens in de gevallen waarin de wet voorziet.
- Het cassatieberoep X, dat is gericht tegen dezelfde beslissing als het cassatieberoep IX en is ingesteld na dat cassatieberoep, is niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I in zijn geheel
- Het middel voert in zijn beide onderdelen schending aan van artikel 90ter, § 1, tweede en zo nodig derde lid, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing vóór de wetswijziging van 25 december 2016: het arrest oordeelt dat het direct afluisteren in een voertuig regelmatig is zonder machtiging tot het binnendringen in dat voertuig; een voertuig is echter een private plaats als bedoeld in voormeld artikel 90ter, § 1, tweede lid; het is immers een plaats die krachtens artikel 29 Wet Politieambt bescherming geniet tegen ongeoorloofde doorzoeking en derhalve tegen ongeoorloofde betreding door het openbaar gezag; het is ook geen openbare plaats, temeer daar voor een gesprek in een afgesloten voertuig de redelijke privacy-verwachting hoger is dan in een openbare plaats (tweede onderdeel); het arrest kan uit de wetsgeschiedenis van voormeld artikel 90ter, § 1, niet afleiden dat een voertuig geen private plaats is (eerste onderdeel).
- Artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing, bepaalt: "De onderzoeksrechter kan in uitzonderlijke gevallen, wanneer het onderzoek zulks vereist, privécommunicatie of -telecommunicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen, indien er ernstige aanwijzingen bestaan dat het feit waarvoor hij geadieerd is een strafbaar feit is, bedoeld in een van de bepalingen opgesomd in § 2, en indien de overige middelen van onderzoek niet volstaan om de waarheid aan de dag te brengen. Teneinde het mogelijk te maken om privécommunicatie of -telecommunicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de onderzoeksrechter bevelen om, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbende, in een woning of in een private plaats binnen te dringen. De bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan verdacht worden het strafbare feit te hebben gepleegd, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door een persoon op wie een verdenking rust, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. (...)." Die paragraaf vereist aldus dat de onderzoeksrechter, voor het plaatsen van afluisterapparatuur in een woning of een private plaats, niet enkel een afluistermaatregel beveelt, maar ook een bevel verleent om in die woning of plaats binnen te dringen met het oog op het plaatsen van die apparatuur.
- Noch het feit dat de gesloten passagiersruimte van een personenvoertuig geen openbare plaats is, onder meer omdat daarin de redelijke privacy-verwachting hoger is dan in een openbare plaats, noch het feit dat de doorzoeking van een voertuig krachtens de wet is beperkt tot welbepaalde gevallen, impliceert dat die ruimte een private plaats is zoals bedoeld in artikel 90ter, § 1, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Evenmin kan het plaatsen van afluisterapparatuur in een voertuig worden vergeleken met het doorzoeken ervan, aangezien het handelingen betreft met een verschillende finaliteit.
- Uit de in artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering gebruikte bewoordingen en de wetsgeschiedenis ervan blijkt dat de wetgever onder een private plaats zoals hier bedoeld, geen passagiersruimte van een personenvoertuig heeft verstaan. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 8 Probatiewet: het arrest veroordeelt de eiser I tot een hoofdgevangenisstraf van acht jaar en een geldboete van 5.000 euro gebracht op 30.000 euro; het verwerpt eisers gemotiveerde verzoek tot het verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging van de straf op grond van redenen die algemeen zijn en hoofzakelijk gelden voor alle beklaagden; met de redenen die het bevat, beantwoordt het arrest eisers verzoek en de erin concreet aangehaalde omstandigheden niet.
- Artikel 149 Grondwet verplicht de rechter het verweer van een partij te beantwoorden, waaronder het verzoek tot het verlenen van uitstel van de tenuitvoerlegging van een straf. Artikel 8, § 1, vierde lid, Probatiewet bepaalt dat de beslissing waarbij het uitstel wordt geweigerd met redenen moet zijn omkleed overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 Wetboek van Strafvordering. Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in de gevallen dat de wet aan de rechter de vrije beoordeling overlaat, de rechter nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen moet vermelden waarom hij de straf of maatregel en de maat ervan uitspreekt.
- Wanneer de rechter veroordeelt tot een vrijheidsstraf als hoofdstraf van meer dan vijf jaar, verplichten de vermelde bepalingen hem niet zijn weigering tot het verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging van die straf te motiveren. In dat geval kan immers krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, Probatiewet geen uitstel worden toegestaan.
- Eensdeels belet geen enkele bepaling de rechter om de weigering tot het verlenen van uitstel van tenuitvoerlegging van een straf te motiveren met redenen die gelden voor meerdere beklaagden die hij voor dezelfde feiten veroordeelt. Anderdeels vereist geen enkele bepaling dat de rechter ingaat op elk argument van een beklaagde ter ondersteuning van zijn verzoek om een dergelijk uitstel. Indien de rechter nauwkeurig de redenen opgeeft waarom hij uitstel weigert, geeft hij te kennen dat hij de door de beklaagde aangevoerde argumenten verwerpt en beantwoordt hij dit verweer.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
- In de redenen in verband met de opgelegde gevangenisstraffen en geldboeten wijst het arrest (p. 86-91) onder meer op de sterke financiële drijfveer van de beklaagden en in het bijzonder op de strafrechtelijke antecedenten van de eiser I. Het oordeelt verder dat het toekennen van uitstel van tenuitvoerlegging van de straf, mede gelet op de aard en de ernst van de feiten, een onvoldoende krachtig signaal zou zijn en de beklaagden onvoldoende zou wijzen op het ontoelaatbare van hun handelen. Het voegt daaraan toe dat het opleggen van een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete van aard is om de beklaagden de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verzoek om uitstel van tenuitvoerlegging van de geldboete en is de beslissing tot de weigering ervan regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser II
- Het middel voert schending aan van artikel 43quater Strafwetboek: het arrest verwerpt eisers verzoek de verbeurdverklaring van het appartementsgebouw te Selouane (Marokko) niet uit te spreken lastens de eiser V omdat het oordeelt dat die eiser de eigenaar is van dat gebouw; het gebouw is echter voor de helft mede-eigendom van M. A., zodat het arrest enkel de verbeurdverklaring kan uitspreken van het deel van de mede-eigendom dat toebehoort aan de eiser V.
- De eiser II heeft geen belang op te komen tegen de verbeurdverklaring van een goed waarop hij in zijn middel geen rechten laat gelden. Het middel is niet ontvankelijk. Middel van de eiser IV
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, artikel 14.5 IVBPR, artikel 13 Grondwet en de artikelen 204 en 210 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen dat de eiser IV in zijn grievenformulier te kennen heeft gegeven enkel de hervorming te vragen van zijn schuldigverklaring aan het feit van de telastlegging B van zaak II (deelname aan een criminele organisatie), zodat zijn schuld aan het feit van de telastlegging A van zaak II (oorspronkelijk omschreven als onder meer de illegale invoer van cocaïne in vereniging) bij hen niet aanhangig is gemaakt; de eiser IV heeft hoger beroep ingesteld tegen alle beschikkingen van het beroepen vonnis; in zijn grievenformulier heeft zijn voormalige raadsman in het vak ‘schuld', naast de rubriek ‘onderdeel van de beslissing met beknopte weergave van de reden(en)', ingevuld: "Betrokkene ontkent deel te hebben genomen aan een criminele organisatie"; door uit die vaststellingen het vermelde oordeel af te leiden, zijn de appelrechters overdreven formalistisch, zodat zij de billijkheid van de procedure en het recht op het instellen van een rechtsmiddel in de kern aantasten; eveneens lieten de appelrechters na een ambtshalve middel op te werpen met betrekking tot de schuldigverklaring van de eiser IV aan de telastlegging A van zaak II, terwijl die telastlegging eveneens de verzwarende omstandigheid bevat van deelname aan een criminele organisatie en de appelrechters vaststelden dat de schuldigverklaring aan die telastlegging bij hen aanhangig was ingevolge de grief van de eiser V.
- De eiser IV is onder de telastlegging A van zaak II, zoals heromschreven door de eerste rechter, vervolgd wegens het feit van onder andere de illegale invoer van cocaïne met de verzwarende omstandigheid dat het misdrijf een daad van deelneming is aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging. Hij is onder die telastlegging niet vervolgd wegens enige verzwarende omstandigheid van deelname aan een criminele organisatie. In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
- Een grief als bedoeld bij artikel 204 Wetboek van Strafvordering is de specifieke aanwijzing door de appellant van een afzonderlijke beslissing van het beroepen vonnis, waarvan hij de hervorming door het appelgerecht vraagt. De inhoud van de verklaring van hoger beroep van de appellant bepaalt weliswaar de perken waarbinnen hij ontvankelijk grieven kan aanvoeren, maar het feit dat die verklaring betrekking heeft op meer beslissingen van het beroepen vonnis dan deze waartegen hij grieven formuleert, heeft geen impact op de beoordeling van zijn grieven door het appelgerecht. Verder is het weliswaar niet vereist dat de appellant in het grievenformulier de redenen voor zijn grieven vermeldt, maar hij kan daarin wel, door een bijschrift naast een algemene rubriek, specificeren dat zijn grief slechts betrekking heeft op bepaalde aspecten van die rubriek. Zo kan de appellant in zijn grievenformulier, bij de aangeduide rubriek ‘schuld', specificeren dat hij enkel zijn schuld aan een bepaalde telastlegging betwist. In dat geval maakt hij enkel de betwisting van zijn schuldigverklaring aan die telastlegging bij het appelgerecht aanhangig.
- Het staat aan het appelgerecht om op basis van de inhoud van de verklaring van hoger beroep en vervolgens de overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering geformuleerde grieven, de draagwijdte van het hoger beroep en dus de saisine van het appelgerecht te bepalen. Het Hof gaat na of het appelgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.
- Met de redenen die het arrest vermeldt en die het middel aanhaalt, oordelen de appelrechters (arrest, p. 41) wettig en zonder uit hun vaststellingen onverantwoorde gevolgen af te leiden, dat de eiser IV zijn schuldigverklaring aan de telastlegging A van zaak II bij hen niet aanhangig heeft gemaakt omdat hij in zijn grievenformulier enkel heeft verwezen naar "de deelname van een criminele organisatie waaraan hij ontkent deel te hebben genomen". In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
- Artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Behoudens de grieven opgeworpen zoals bepaald in artikel 204, kan de beroepsrechter slechts de grieven van openbare orde ambtshalve opwerpen die betrekking hebben op de substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen dan wel op : - het gegeven dat de feiten die bij hem wat betreft de schuldvraag aanhangig zijn gemaakt, geen misdrijf zijn of de noodzaak om deze feiten te herkwalificeren of een niet te herstellen nietigheid die het onderzoek naar deze feiten aantasten."
- In de regel mag het appelgerecht de in artikel 210 Wetboek van Strafvordering, tweede lid, Wetboek van Strafvordering vermelde middelen enkel opwerpen binnen zijn saisine, zoals die in eerste orde voortvloeit uit de verklaring van hoger beroep van de appellant en in tweede orde door de grieven die de appellant heeft opgeworpen overeenkomstig artikel 204 Wetboek van Strafvordering.
- Indien een beklaagde of het openbaar ministerie de schuld aan een bepaalde telastlegging niet als grief heeft aangeduid, maar wel een beschikking op strafgebied van de beroepen beslissing die verband houdt met de aan die telastlegging ten grondslag liggende feiten, zoals bijvoorbeeld de straf of een maatregel, heeft het appelgerecht wat die beklaagde betreft ambtshalve de mogelijkheid om die feiten te heromschrijven en te oordelen of ze al dan niet vaststaan.
- Aangezien de beklaagde of het openbaar ministerie gelet op de afwezigheid van een grief in de zin van artikel 204 Wetboek van Strafvordering ter zake de beslissing over de schuld niet door het appelgerecht wensen beoordeeld te zien, kan de appellant het appelgerecht niet verplichten om een ambtshalve middel aan te voeren in de zin van artikel 210, tweede lid, derde streepje, Wetboek van Strafvordering en hoeft het appelgerecht een verweer dat daarmee verband houdt niet te beantwoorden.
- In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. Eerste middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 90ter, § 1, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing: het arrest oordeelt dat het voertuig waarin afluisterapparatuur werd geplaatst niet valt onder de categorie ‘vaste plaats' zoals bedoeld in voormeld artikel 90ter, § 1, tweede lid, zodat geen bijkomend bevel tot het binnendringen in een private plaats vereist was om de machtiging tot direct afluisteren mogelijk te maken; een voertuig is echter wel degelijk een private plaats zoals hier bedoeld aangezien slechts een beperkt aantal personen toegang ertoe heeft.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de eiser I, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
- Voor het overige leidt de in het middel aangevoerde omstandigheid niet tot het besluit dat de gesloten passagiersruimte van een personenvoertuig een private plaats is zoals hier bedoeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet waarom het aan de eiser V, naast een hoofdgevangenisstraf, ook een facultatieve geldboete oplegt.
- Artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat in de gevallen dat de wet aan de rechter de vrije beoordeling overlaat, de rechter nauwkeurig maar op een wijze die beknopt mag zijn de redenen moet vermelden waarom hij de straf of maatregel en de maat ervan uitspreekt. Krachtens artikel 211 van dat wetboek is die bepaling ook van toepassing op de rechter in hoger beroep.
- Het enkele feit dat de rechter het opleggen van een straf motiveert met redenen die gelden voor meerdere beklaagden die het voor dezelfde feiten veroordeelt, belet niet dat die motivering nauwkeurig en geïndividualiseerd is.
- In de redenen in verband met de opgelegde gevangenisstraffen en geldboeten wijst het arrest (p. 86-91) onder meer op de sterke financiële drijfveer van de beklaagden en in het bijzonder op de strafrechtelijke antecedenten van de eiser V. Het oordeelt tevens dat het opleggen van een substantiële en effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete van aard is om de beklaagden de nodige bewustwording bij te brengen en recidive te vermijden. Het voegt eraan toe dat de geldboete ertoe strekt de beklaagden te raken in hun vermogen en hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Aldus is de beslissing om de eiser V naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete op te leggen, op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze gemotiveerd en regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser V
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oor-deelt: "De geldboetes hebben tot doel de beklaagden te raken in hun vermogen en beklaagden te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn"; die motivering is onduidelijk en onnauwkeurig omdat daaruit niet blijkt waarom aan de eiser specifiek een geldboete moet worden opgelegd; dergelijke stereotype formule volstaat niet, laat de eiser V niet toe de wettigheid van de beslissing na te gaan en voldoet niet aan de vereisten van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering.
- Uit artikel 149 Grondwet volgt niet dat de rechter de door hem opgelegde straffen bijzonder moet motiveren, behoudens daartoe strekkende conclusie. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Voor het overige is het middel afgeleid uit de in eisers tweede middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Middel van de eiser VI
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 235ter Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiser VI schuldig aan de telastlegging C.1 omwille van een ongeloofwaardige verklaring en gebeurtenissen vastgesteld bij een observatie; het oordeelt dat de observaties regelmatig zijn en dat ook de kamer van inbeschuldigingstelling dit bij arrest van 12 september 2017 heeft vastgesteld; het vonnisgerecht heeft echter niet de rechtsmacht om beslissingen van het onderzoeksgerecht te onderzoeken of te beoordelen; bijgevolg is de beslissing ook niet regelmatig gemotiveerd.
- Een onjuiste toepassing van de wet levert geen motiveringsgebrek op, maar enkel een schending van die wet. In zoverre het middel schending van artikel 149 Grondwet aanvoert, faalt het naar recht.
- Met de bekritiseerde redenen onderzoekt of beoordeelt het arrest niet de regelmatigheid van het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 12 september
- In zoverre het middel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. Middel van de eiser VII
- Het middel voert schending aan van artikel 90ter, § 1, Wetboek van Strafvordering, zoals van toepassing: het arrest oordeelt dat het voertuig waarin afluisterapparatuur werd geplaatst niet valt onder de categorie ‘vaste plaats' zoals bedoeld in voormeld artikel 90ter, § 1, tweede lid, zodat geen bijkomend bevel tot het binnendringen in een private plaats vereist was om de machtiging tot direct afluisteren mogelijk te maken; een voertuig is echter wel degelijk een private plaats zoals hier bedoeld aangezien slechts een beperkt aantal personen toegang ertoe heeft, het kan worden afgesloten en er zich persoonlijke spullen of documenten in kunnen bevinden.
- In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het eerste middel van de eiser I en het eerste middel van de eiser V, is het om dezelfde redenen te verwerpen.
- Voor het overige leiden de in het middel aangevoerde omstandigheden niet tot het besluit dat de gesloten passagiersruimte van een personenvoertuig een private plaats is zoals hier bedoeld. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Middel van de eiser IX
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het oordeel dat de verklaring van de eiser IX dat hij op 3 augustus 2016 enkel aanwezig was om bananen te kopen ongeloofwaardig is, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal 512621/2017 en de ter rechtszitting van 17 mei 2019 neergelegde stukken, waaruit blijkt dat de eiser IX zich wel degelijk professioneel bezig hield met het opkopen en verhandelen van bananen en daarvoor beroep deed op huurvoertuigen; het verwijzen naar een beweerd ongeloofwaardige verklaring van een medebeklaagde om de bewijskracht van die akten te miskennen, is bovendien strijdig met artikel 6 EVRM.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar de in het middel vermelde stukken en kan bijgevolg de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.
- Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
- Gelet op de verwerping van de cassatieberoepen heeft het arrest kracht van gewijsde. Hieruit volgt dat in zoverre ingesteld tegen de beslissing over de onmiddellijke aanhouding van de eisers I, III, V, VII en VIII, die cassatieberoepen geen bestaansreden meer hebben. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van de eiser III. Verwerpt de cassatieberoepen voor het overige. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 843,04 euro waarvan de eisers I, III, IV, V en VI elk 84,65 euro verschuldigd zijn, de eiser II 46,16 euro verschuldigd is, de eisers VII en VIII elk 84,66 euro verschuldigd zijn en de eiser IX-X 169,31 euro verschuldigd is. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CAMON:2023:ARR.20230105.1 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250430.2F.4 precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120508.9 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140924.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200303.2N.4 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250903.2F.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div