← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.10 Rolnummer: P.19.1119.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2020-02-13 Raadplegingen: 287 - laatst gezien 2026-06-28 07:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche Aan het moreel bestanddeel van het misdrijf bepaald in artikel 177, eerste lid, Strafwetboek, is voldaan wanneer twee voorwaarden zijn vervuld, namelijk dat degene die de valse biljetten uitgeeft, op het moment dat hij in het bezit ervan komt, kennis moet hebben van de valsheid en dat het uitgeven of pogen uit te geven van de valse biljetten krachtens artikel 213 Strafwetboek, dat toepasselijk is op alle gevallen van gebruik van valse stukken, moet gebeuren met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden; aldus is het niet vereist dat de dader voorafgaand aan zijn bezit de intentie had zich valse biljetten aan te schaffen, maar volstaat het dat de dader op de hoogte was van de valsheid op het moment dat hij die biljetten verkreeg

(1).
(1)Cass. 11 mei 1999, AR P.99.0277.N ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990511.3, AC 1999, nr. 276; M. BOCKSTAELE, 'Namaken van bankbiljetten of effecten - Uitgave, invoer en bezit', Comm. Straf., 9-
  1. Thesaurus CAS: MUNTEN EN BANKBILJETTEN Vrije woorden: Aanschaf en uitgifte of poging tot uitgifte van nagemaakte of vervalste bankbiljetten - Moreel bestanddeel van het misdrijf - Voorwaarden - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1119.N S Y A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Maarten Vandermeersch, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8500 Kortrijk, Burgemeester Nolfstraat 5, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 22 oktober 2019, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 26 september
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 173, 177, eerste lid, 213 en 214 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser wegens het misdrijf bepaald in artikel 177, eerste lid, Strafwetboek op grond van de vaststelling dat hij, toen hij in het bezit kwam van de valse biljetten, kennis had van de valsheid en dat hij die biljetten met bedrieglijk opzet heeft uitgegeven; daarmee stelt het echter niet vast dat de eiser voorafgaand aan zijn bezit de intentie had nagemaakte of vervalste biljetten te verkrijgen en zich die biljetten dus wetens en willens heeft aangeschaft; aldus stelt het arrest een constitutief bestanddeel van het misdrijf niet vast.
  4. Artikel 177, eerste lid, Strafwetboek stelt strafbaar hij die, zonder overleg met de vervalsers, met zijn weten zich nagemaakte of vervalste bankbiljetten aanschaft en ze uitgeeft of poogt uit te geven.
  5. Aan het moreel bestanddeel van dat misdrijf is voldaan wanneer twee voorwaarden zijn vervuld, namelijk: - krachtens de tekst van artikel 177, eerste lid, Strafwetboek moet degene die de valse biljetten uitgeeft, op het moment dat hij in het bezit ervan komt, kennis hebben van de valsheid; - krachtens artikel 213 Strafwetboek, dat toepasselijk is op alle gevallen van gebruik van valse stukken, moet het uitgeven of pogen uit te geven van de valse biljetten gebeuren met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Aldus is het niet vereist dat de dader voorafgaand aan zijn bezit de intentie had zich valse biljetten aan te schaffen, maar volstaat het dat de dader op de hoogte was van de valsheid op het moment dat hij die biljetten verkreeg. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het arrest leidt uit eisers handelwijze af dat "Uit dit alles onomstotelijk [blijkt] dat [de eiser] kennis had van de valsheid toen hij in het bezit kwam van de bankbiljetten en dat hij deze met bedrieglijk opzet, namelijk teneinde zich op onrechtmatige wijze goederen aan te schaffen, in circulatie poogde te brengen." Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  7. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.10 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990511.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.