id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13 Rolnummer: P.20.0126.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Burgerlijk recht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2020-02-13 Raadplegingen: 740 - laatst gezien 2026-06-29 02:57 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Het onderzoeksgerecht oordeelt onaantastbaar over de vraag of een invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom, welke tot doel heeft de betrokkene ertoe aan te zetten na zijn invrijheidstelling te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden ter tenuitvoerlegging van de beslissing, een voldoende alternatief is voor de verdere vrijheidsbeneming; het oordeelt eveneens in het licht van die doelstellingen onaantastbaar over het bedrag van de borgsom en kan bij het bepalen van dat bedrag de financiële draag- kracht van de betrokkene betrekken, maar hoeft dit niet te doen. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Borgsom - Alternatief voor de vrijheidsbeneming - Bedrag - Criteria - Financiële draagkracht - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: BORGTOCHT Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Borgsom - Alternatief voor de vrijheidsbeneming - Bedrag - Criteria - Financiële draagkracht - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Borgsom - Alternatief voor de vrijheidsbeneming - Bedrag - Criteria - Financiële draagkracht - Beoordeling door het onderzoeksgerecht - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Artikel 5.3 EVRM waarborgt het recht van de van zijn vrijheid beroofde beklaagde om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld en het bepaalt dat de invrijheidstelling afhankelijk kan worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene op de rechtszitting; daaruit volgt evenwel geen absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom en het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis zo kunnen worden bereikt
(1).
(1)Cass. 7 mei 2003, AR P.03.0620.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030507.17, AC 2003,, nr.
- Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 5 - Artikel 5.3 Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Redelijke termijn - Invrijheidstelling - Borgsom - Draagwijdte Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Redelijke termijn - Borgsom - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Thesaurus CAS: BORGTOCHT Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Invrijheidstelling onder voorwaarden - Redelijke termijn - Borgsom - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.20.0126.N P G, beklaagde, verzoeker tot voorlopige invrijheidstelling, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Sander Van Hulle en mr. Emmanuel Ruchat, beiden advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 januari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet, alsmede miskenning van de motiveringsplicht: het arrest beantwoordt niet afdoende de door de eiser in conclusie ontwikkelde middelen; het verduidelijkt niet waarom de vraag tot het opleggen van een borgsom wordt afgewezen; het vermeldt tevens niets over eisers familiale en professionele situatie.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen inzake voorlopige hechtenis. Artikel 6.1 EVRM is in de regel evenmin van toepassing inzake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- De rechter, die op korte termijn moet beslissen over een verzoek tot voorlopige invrijheidstelling, moet niet elk argument beantwoorden dat tot staving van een middel wordt aangevoerd, zonder een zelfstandig middel te vormen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest oordeelt met verwijzing naar een aantal feitelijke gegevens dat het onttrekkingsgevaar reëel is, dit niet kan worden opgevangen door een vrijlating onder voorwaarden en evenmin door een borgsom van 30.000 euro, zoals voorgesteld door de eiser, terwijl een hoger bedrag evenmin een voldoende waarborg biedt. Het arrest stelt ook vast dat de eiser heeft voorgehouden een bij een eerder arrest opgelegde borgsom van 2.000.000 euro niet te kunnen betalen. Met die redenen beantwoordt het arrest het door het onderdeel bedoelde verweer, zonder dat het diende te antwoorden op de argumenten die tot staving van dit verweer werden aangevoerd en die geen afzonderlijk middel vormen. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 35, § 4, en § 5, Voorlopige Hechteniswet: het arrest wijst het verzoek tot invrijheidstelling mits betaling van een borgsom af zonder dit te motiveren aan de hand van eisers financiële draagkracht.
- Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de beslissingen inzake voorlopige hechtenis. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- De rechter oordeelt onaantastbaar over de vraag of een invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom, welke tot doel heeft de betrokkene ertoe aan te zetten na zijn invrijheidstelling te verschijnen bij de proceshandelingen of om zich aan te bieden ter tenuitvoerlegging van de beslissing, een voldoende alternatief is voor de verdere vrijheidsbeneming. Het oordeelt eveneens in het licht van die doelstellingen onaantastbaar over het bedrag van de borgsom. Het kan bij het bepalen van dat bedrag de financiële draagkracht van de betrokkene betrekken, maar hoeft dit niet te doen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de vergeefs aangevoerde wetsschending. In zoverre is het onderdeel niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 2, 23, 25 en 26 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het gezag van gewijsde en de motiveringsplicht: het arrest dat oordeelt dat de betaling van een hoger bedrag dan 30.000 euro een onvoldoende waarborg biedt, miskent het gezag van gewijsde van een eerder arrest van 23 december 2019 dat oordeelt dat een voorlopige invrijheidstelling mits het betalen van een borgsom een afdoende waarborg biedt voor de openbare veiligheid en dat de eiser in voorlopige vrijheid moet worden gesteld mits het betalen van een borgsom; dit houdt ook een miskenning in van de motiveringsplicht, gelet op de tegenstrijdigheid tussen de voormelde arresten.
- De artikelen 23 en volgende Gerechtelijk Wetboek betreffende het gezag van gewijsde zijn niet van toepassing in strafzaken. In zoverre faalt het middel naar recht.
- Beslissingen inzake voorlopige hechtenis hebben geen gezag van gewijsde. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Er kan geen sanctioneerbare tegenstrijdigheid bestaan tussen twee beslissingen die achtereenvolgens in dezelfde zaak zijn gewezen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het eveneens naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 5.3 EVRM: het arrest maakt het de eiser onmogelijk om hangende het proces vrij te komen door niet te motiveren welk bedrag zou volstaan en louter te verwijzen naar een eerdere beslissing waarbij de borgsom werd bepaald op 2.000.000 euro en te stellen dat dit bedrag voor de eiser onmogelijk te betalen is.
- Artikel 5.3 EVRM waarborgt het recht van de van zijn vrijheid beroofde beklaagde om binnen een redelijke termijn te worden berecht of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Het bepaalt dat de invrijheidstelling afhankelijk kan worden gesteld van een waarborg voor de verschijning van de betrokkene op de rechtszitting. Daaruit volgt evenwel geen absoluut recht op invrijheidstelling tegen betaling van een borgsom. Het staat aan de rechter te oordelen of de doelstellingen van de voorlopige hechtenis zo kunnen worden bereikt.
- Het arrest, dat oordeelt of op de datum van het arrest aan de voorwaarden voor de voorlopige hechtenis is voldaan, verwijst niet louter naar een eerdere beslissing waarbij de borgsom werd bepaald op 2.000.000 euro en naar de vaststelling dat de eiser dit bedrag onmogelijk kan betalen. Zoals blijkt uit het eerste onderdeel van het eerste middel oordeelt het ook dat een borgsom van 30.000 euro, zoals voorgesteld door de eiser of een hoger bedrag geen afdoende waarborg vormt ter neutralisering van het onttrekkingsgevaar. Aldus is de beslissing die eisers verzoek tot voorlopige invrijheidstelling op deze grond afwijst naar recht verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 61,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.13 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221109.2F.11 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.32 ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230816.VAK.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20030507.17 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211110.2F.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220413.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.35 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230613.2N.20 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241217.2N.25 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250311.2N.19 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div