← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4 Rolnummer: P.19.1065.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 1007 - laatst gezien 2026-06-29 06:55 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering geldt in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang, ongeacht wie ze heeft gepleegd en het is de vonnisrechter die definitief beslist over het bestaan van die samenhang; hierbij speelt het geen rol of de feiten bij hem aanhangig werden gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten zodat de schorsing van de verjaring van de strafvordering ook kan gelden tegenover de beklaagden die het voorwerp uitmaken van een andere verwijzingsbeslissing dan de inverdenkinggestelde wiens verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen tijdens de regeling van de rechtspleging in zijn zaak voor het onderzoeksgerecht, aanleiding heeft gegeven tot de schorsing van de verjaring en die beklaagden dienen dan ook niet te zijn vermeld in dezelfde vordering van het openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging

(1).
(1)Het is belangrijk aan te geven dat de feiten in deze zaak dateerden van vóór het arrest 83/2015 van het GwH van 11 juni 2015, NC 2016, 491 en noot M. DE SWAEF, 'Beroepseer'; Cass. 17 februari 2016, AR P.15.0978.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.5, AC 2016, nr. 118 (schorsing); Cass. 27 september 2011, AR P.11.0350.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.3, AC 2011, nr. 501 (schorsing); Cass. 9 juni 1999, AR P.99.0231.F ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19, AC 1999, nr. 340 (samenhang); Cass. 12 februari 1996, AR P.94.0002.F, AC 1996, nr. 75 (samenhang); F. DERUYCK, Overzicht van het Belgisch Strafprocesrecht, die Keure, 2017, 2de editie, 52-58; J. MEESE, De verjaring van de strafvordering uitgeklaard, Intersentia, 2017, 54-68. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Schorsing Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Samenhang - Samen berechte of behandelde misdrijven - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen - Werking van de schorsingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: SAMENHANG Vrije woorden: Strafzaken - Beoordeling door de rechter - Strafvordering - Verjaring - Schorsing - Regeling van de rechtspleging - Samen berechte of behandelde misdrijven - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen - Werking van de schorsingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Regeling van de rechtspleging Vrije woorden: Verjaring - Strafvordering - Schorsing - Regeling van de rechtspleging - Samen berechte of behandelde misdrijven - Verzoek tot bijkomende onderzoekshandelingen - Werking van de schorsingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Fiches 4 - 6 Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken bewijzen te verzamelen of het dossier in staat van wijzen te brengen; een beslissing die uitspraak doet over een verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot een goed, ongeacht door wie dat verzoek is ingediend, is een proceshandeling die verbonden is met het in staat stellen van de zaak vermits die beslissing een beoordeling in inhoudt van de noodzaak tot het handhaven van die onderzoekshandeling ten aanzien van dat goed met het oog op de waarheidsvinding of een mogelijke verbeurdverklaring door het vonnisgerecht, hetgeen verder reikt dan enkel het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces van een inverdenkinggestelde, zodatt een dergelijke beslissing de verjaring van de strafvordering tegenover alle betrokken inverdenkinggestelden stuit
(1).
(1)Cass. 24 juni 2015, AR P.15.0284.F ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.2, AC 2015, nr. 435; Cass. 22 april 2008, AR P.07.1866.N ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.3, AC 2004, nr. 241; F. DERUYCK, "Overzicht van het Belgisch Strafprocesrecht", die Keure, 2017, 2de editie, 51-52; J. MEESE, "De verjaring van de strafvordering uitgeklaard", Intersentia, 2017, 45-54. Thesaurus CAS: VERJARING - STRAFZAKEN - Strafvordering - Stuiting Vrije woorden: Daden van onderzoek - Begrip - Werking van de stuitingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Verjaring - Strafzaken - Strafvordering - Stuiting van de verjaring - Daden van onderzoek - Begrip - Werking van de stuitingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Strafvordering - Verjaring - Stuiting van de verjaring - Daden van onderzoek - Begrip - Werking van de stuitingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Fiches 7 - 12 De enkele omstandigheid dat een onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken bewoordingen heeft gebruikt waarmee de te onderzoeken feiten reeds als zeker en vaststaand werden voorgesteld en hij zodoende het vermoeden van onschuld van een verdachte heeft miskend, heeft niet steeds tot gevolg dat de vonnisrechter die rechtshulpverzoeken en de eruit verkregen resultaten uit het debat moet weren; bij afwezigheid van een uitdrukkelijke nietigheidssanctie kan de vonnisrechter die gegevens, of een deel ervan, slechts uit het debat weren indien hij vaststelt dat de vermelde gedraging van de onderzoeksrechter op onherstelbare wijze het recht op een eerlijk proces in zijn geheel in het gedrang heeft gebrach hetgeen het geval is wanneer geen eerlijk proces meer mogelijk is gelet op de doorslaggevende impact van die gedraging op de kwaliteit van de bewijsgaring in de loop van het gehele onderzoek, de betrouwbaarheid van de uit de rechtshulpverzoeken verkregen resultaten en de mogelijkheden die de inverdenkinggestelde nog heeft om tegenover een onpartijdige rechter effectieve tegenspraak te voeren tegen de lastens hem ingebrachte betichtingen, met inbegrip van de resultaten van de rechtshulpverzoeken en hierover oordeelt de rechter onaantastbaar en gaat het Hof enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 5 november 2019, AR P.19.0635.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.5, AC 2019, nr. 567; Cass. 30 oktober 2013, AR P.13.1403.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131030.8, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Onpartijdigheid van de rechter - Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Vermoeden van onschuld - Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Bewoordingen gebruikt in rechtshulpverzoeken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Onderzoeksrechter - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Europees rechtshulpverdrag - Gerechtelijk onderzoek - Onderzoeksverrichtingen - Rechtshulpverzoeken - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Rechtshulpverzoeken - Bewoordingen gebruikt door de onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken - Onpartijdigheid - Vermoeden van onschuld - Wering van de stukken en resultaten - Draagwijdte - Gevolg Fiche 13 De naleving van de bepaling van artikel 3.3 Europees Rechtshulpverdrag is niet voorgeschreven op straffe van een sanctie en de niet-naleving ervan belet de rechter niet te oordelen dat de niet voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotokopieën toch betrouwbaar zijn. Thesaurus CAS: INTERNATIONALE RECHTSHULP Vrije woorden: Europees rechtshulpverdrag - Artikel 3.3 - Toezending van de stukken door de aangezochte partij - Eensluidend gewaarmerkte stukken of fotokopieën - Sanctie - Draagwijdte - Gevolg Fiches 14 - 16 Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk vermelden dat de verbeurdverklaring die hij beveelt op grond van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, geen miskenning inhoudt van de rechten die derden op de verbeurdverklaarde goederen kunnen doen gelden. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Verbeurdverklaring - Heling - Witwassen - Rechten van derden - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: STRAF - ANDERE STRAFFEN - Verbeurdverklaring Vrije woorden: Heling - Witwassen - Vermogensvoordelen - Rechten van derden - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Witwassen - Vermogensvoordelen - Rechten van derden - Motivering - Draagwijdte - Gevolg Tekst van de beslissing Hof van Cassatie van België Arrest Nr. P.19.1065.N
  2. R J V D B, beklaagde,
  3. L A M V D B, beklaagde,
  4. P D M V D B, beklaagde, eisers, allen met als raadsman mr. Karolien Van de Moer, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 3 oktober
  5. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, acht middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  6. Het eerste onderdeel voert schending aan van de artikelen 130 en 182 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters oordelen dat, voor wat betreft de telastleggingen G.I, G.II en G.III (tweede en derde witwasmisdrijf), de raadkamer de eisers ook heeft verwezen voor beheershandelingen die dateren van na 28 december 2004; zij heromschrijven die telastleggingen om ze te laten eindigen op 26 april 2006, datum waarop de gelden werden geblokkeerd, om vervolgens de beslissing over de verjaring van de strafvordering op die einddatum te gronden; de telastleggingen G.I, G.II en G.III viseren echter per eiser specifiek aangeduide verrichtingen uitgevoerd op specifiek aangeduide data, waarvan de eerste dateert van 27 november 2002 en de laatste van 28 december 2004; van de door de appelrechters aangenomen latere beheersdaden is in de telastleggingen geen sprake; aldus gelasten de appelrechters zich met andere feiten dan deze die bij hen aanhangig zijn gemaakt en overschrijden zij hun saisine. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: met het voormelde oordeel miskennen de appelrechters de bewijskracht van de verwijzingsbeschikking van de raadkamer van 16 mei 2013, daar de laatste duidelijk bepaalde verrichting die de raadkamer onder de vermelde telastleggingen heeft verwezen de eenmalige feitelijke daad is van de opname in kas op 28 december
  7. Het derde onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt, enerzijds, dat de eisers tot 26 april 2006 beheershandelingen hebben gesteld door het oprichten van Panamese offshore vennootschappen en het wijzigen van de economische begunstigde van de rekeningen van deze vennootschappen; het oordeelt, anderzijds, dat uit het strafonderzoek blijkt dat de economische begunstigde van de rekeningen van de offshore vennootschappen werd gewijzigd in februari 2005, met vermelding van de concrete datum van 14 februari 2005; aldus is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  8. In politie- en correctionele zaken bepaalt de rechter op basis van de omschrijving van de feiten in de akte van aanhangigmaking, gelezen samen met de stukken van het gerechtelijk onderzoek of het opsporingsonderzoek, onaantastbaar welke de feiten zijn die het voorwerp uitmaken van de vervolging of daaraan ten grondslag liggen. De formulering van een telastlegging, zoals het gegeven dat daarin enkel welbepaalde feiten zijn vermeld, kan een element in de beoordeling uitmaken, maar bindt de rechter als dusdanig niet.
  9. Het Hof gaat na of de rechter van de vermelde akte een uitlegging geeft die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan of daaruit gevolgen afleidt die geen verband ermee houden of op grond ervan niet kunnen worden verantwoord.
  10. De appelrechters oordelen: "Ook de incriminatieperiode van de tenlastelegging G is verkeerd bepaald, zoals ook is aangegeven door het OPENBAAR MINISTERIE. De incriminatieperiode van de tenlastelegging G begint immers op 27 november 2002 en eindigt op 26 april 2006, de datum waarop de gelden op de rekeningen van de Panamese vennootschappen bij de THALER-bank te Zwitserland geblokkeerd werden en de verhulling derhalve ten einde kwam. De saisine van de rechter die kennis neemt van de feiten die een voortdurend misdrijf opleveren is evenwel beperkt tot de in de akte van aanhangigmaking vermelde tijdsperiode, behoudens de aanpassing van die tijdsperiode door de rechter met respect van het recht van verdediging en zonder zich te mogen uitspreken over een andere feitelijke gedraging dan die welke aanhangig werden gemaakt. Bij de beoordeling van de verjaring van de strafvordering kan de rechter enkel tot zijn saisine behorende feiten in aanmerking nemen. Volgens het OPENBAAR MINISTERIE begint de verjaring pas te lopen vanaf de verwijzing van de zaak door het arrest van de KI van 3 februari
  11. Het [hof van beroep] volgt dit standpunt niet. Het [hof van beroep] preciseert de incriminatieperiode van tenlastelegging G als volgt: "tussen 26 november 2002 en 27 april 2006". De partijen waren in de mogelijkheid om zich op deze precisering te verdedigen. Ook het beheer van de rekeningen na 28.12.2004, het inschakelen van offshore vennootschappen en de wijziging van de economisch begunstigde werden door de raadkamer verwezen naar het vonnisgerecht. De tenlastelegging G stelt duidelijk dat men ook de feiten viseert op basis van artikel 505, lid 1,4° van het strafwetboek, nl. het verhelen en verhullen. Wanneer men de tenlastelegging G samen leest met de rest van het dossier, impliceert dit dat de beklaagden ook voor het beheer na 28.12.2004 naar het vonnisgerecht zijn verwezen. Het witwasmisdrijf bedoeld in artikelen 505, eerste lid 4° blijft immers voorduren, en dit zowel voor als na de wetswijziging van 10 mei 2007 zolang de dader de illegale vermogensvoordelen verheelt of verhult, wat in casu het geval was. Tot 26 april 2006 hebben [de eisers] beheershandelingen gesteld m.b.t. de door hen verworven illegale vermogensvoordelen (oprichten van Panamese offshore vennootschappen, het wijzigen van de economische begunstigde naar hun moeder)."
  12. Met die redenen oordelen de appelrechters dat aan de eisers onder de telastleggingen G ten laste wordt gelegd dat zij de daar bedoelde rekeningen hebben beheerd tot 26 april 2006 en zich aldus tot die datum schuldig hebben gemaakt aan het voortdurende misdrijf bedoeld in artikel 505, eerste lid, 4°, Strafwetboek. De appelrechters beperken dat beheer niet tot de specifieke beheershandelingen die het derde onderdeel vermeldt. In zoverre mist dat onderdeel feitelijke grondslag.
  13. Op grond van de voormelde redenen kunnen de appelrechters, zonder miskenning van de bewijskracht van de verwijzingsbeslissing van 16 mei 2013, wettig oordelen dat de bij hen aanhangig gemaakte telastleggingen G ook betrekking hebben op eisers' beheer van de rekeningen tot 26 april
  14. In zoverre kunnen het eerste en tweede onderdeel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 21 en 24 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt dat de verjaringstermijn van de misdrijven waarvoor de eisers zijn veroordeeld werd geschorst gedurende een jaar ingevolge het verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen van een inverdenkinggestelde, ingediend tijdens de regeling van de rechtspleging in de strafzaak met notitienummer AN10.01.008990-04; in die zaak waren de eisers niet betrokken en kwamen zij niet voor in de vordering van het openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging; de eisers zijn pas in verdenking gesteld in de navolgende strafzaak met notitienummer AN10.97.445-05; de bedoelde schorsingsgrond kan enkel uitwerking hebben op de verjaringstermijn van de strafvordering voor de samenhangende misdrijven tegenover de inverdenkinggestelden die samen met de verzoeker tot bijkomend onderzoek zijn opgenomen in de vordering tot regeling van de rechtspleging van het openbaar ministerie; het arrest beantwoordt het desbetreffende verweer van de eisers niet.
  16. De schorsingsgrond voor de verjaring van de strafvordering geldt in de regel voor alle samen behandelde of berechte misdrijven die nauw met elkaar zijn verbonden door intrinsieke samenhang, ongeacht wie ze heeft gepleegd. Het is de vonnisrechter die definitief beslist over het bestaan van die samenhang. Het speelt geen rol of de feiten bij hem aanhangig werden gemaakt met dezelfde akte of met verschillende akten. De schorsing van de verjaring van de strafvordering kan aldus ook gelden tegenover de beklaagden die het voorwerp uitmaken van een andere verwijzingsbeslissing dan de inverdenkinggestelde wiens verzoek tot het stellen van bijkomende onderzoekshandelingen tijdens de regeling van de rechtspleging in zijn zaak voor het onderzoeksgerecht, aanleiding heeft gegeven tot de schorsing van de verjaring. Die beklaagden dienen dan ook niet te zijn vermeld in dezelfde vordering van het openbaar ministerie tot regeling van de rechtspleging. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  17. Het arrest (p. 49-50) oordeelt: "Ook is het [hof van beroep] van oordeel dat - gelet op de nauwe band van intrinsieke samenhang tussen de misdrijven waarvoor alle beklaagden worden vervolgd - het [hof van beroep] mag rekening houden, bij de berekening van de verjaring t.a.v. een bepaalde beklaagde, met alle daden die de verjaring stuiten met betrekking tot alle andere te samen behandelde of berechte ten laste van andere beklaagden gelegde misdrijven. Al deze misdrijven kader[en] immers in een omvangrijk onderzoek naar een criminele organisatie die zich zou bezighouden met de smokkel van hoofdzakelijk namaaksigaretten. De criminele organisatie zou zich daarbij bedienen van schermvennootschappen, valse paspoorten en omkoping van ambtenaren. De verworven vermogensvoordelen zouden nadien worden witgewassen. Uit de organisatie zou zich op een bepaald moment een tweede organisatie hebben afgesplitst. Alle in het kader van dit dossier onderzochte misdrijven ten laste van de verschillende beklaagden vertonen bijgevolg een band van intrinsieke samenhang. Dit geldt zelfs indien sommige zaken oorspronkelijk afzonderlijk werden onderzocht. Ook de hierboven beschreven wettelijke beletselen die de behandeling van de strafvordering t.a.v. één beklaagde verhinderen, schorsen ook de verjaring t.a.v. de andere beklaagden, gelet op de intrinsieke samenhang van de feiten." Met die redenen verwerpt en beantwoordt het arrest het verweer van de eisers en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 21 en 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging: het arrest bepaalt de datum van de stuiting van de verjaring van de strafvordering op de datum van de beslissing over het verzoek tot het opheffen van een onderzoekshandeling; dat verzoek was ingesteld door de erfgenaam van een inverdenkinggestelde die is overleden vóór de verwijzingsbeslissing en had betrekking op een misdrijf dat uitsluitend aan die inverdenkinggestelde ten laste was gelegd; dit is geen daad van opsporing of onderzoek als bedoeld in voormeld artikel 22; bovendien mag een verzoek uitgaande van een inverdenkinggestelde diens rechtspositie in het strafproces qua berekening van de verjaring niet schaden, zodat de beslissing die dat verzoek beantwoordt niet kan resulteren in de verlenging van de strafvordering tegenover enige inverdenkinggestelde; minstens beletten de redenen van het arrest aan het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen omdat zij niet aangeven of de vermelde beslissing een daad van onderzoek dan wel een daad van vervolging is.
  19. Artikel 22 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De verjaring van de strafvordering wordt slechts gestuit door daden van onderzoek of van vervolging, verricht binnen de in artikel 21 bepaalde termijn. Met die daden begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten aanzien van personen die daarbij niet betrokken zijn".
  20. Daden van onderzoek zijn alle daden die door een bevoegd persoon worden gesteld en die ertoe strekken bewijzen te verzamelen of het dossier in staat van wijzen te brengen.
  21. Een beslissing die uitspraak doet over een verzoek tot opheffing van een onderzoekshandeling met betrekking tot een goed, ongeacht door wie dat verzoek is ingediend, is een proceshandeling die verbonden is met het in staat stellen van de zaak. Die beslissing houdt immers een beoordeling in van de noodzaak tot het handhaven van die onderzoekshandeling ten aanzien van dat goed met het oog op de waarheidsvinding of een mogelijke verbeurdverklaring door het vonnisgerecht. Dit reikt verder dan enkel het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces van een inverdenkinggestelde. Aldus stuit een dergelijke beslissing de verjaring van de strafvordering tegenover alle betrokken inverdenkinggestelden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  22. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dienden de appelrechters niet te preciseren of de voormelde beslissing een daad van onderzoek of een daad van vervolging uitmaakte. De afwezigheid van die vermelding belet als dusdanig niet het wettigheidstoezicht van het Hof. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  23. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig gemotiveerd: het oordeelt, enerzijds, dat de eisers tot 26 april 2006 beheershandelingen hebben gesteld door het oprichten van Panamese offshore vennootschappen en het wijzigen van de economische begunstigde van de rekeningen van deze vennootschappen; het oordeelt, anderzijds, dat uit het strafonderzoek blijkt dat de economische begunstigde van de rekeningen van de offshore vennootschappen werd gewijzigd in februari 2005, met vermelding van de concrete datum van 14 februari 2005; bij een dergelijke tegenstrijdigheid moet de rechter de verjaring van de strafvordering berekenen vanaf de meest gunstige datum voor de beklaagde, dit is hier 14 februari
  24. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel, derde onderdeel, vergeefs aangevoerde onwettigheid en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel Eerste onderdeel
  25. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3 EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel houdende het recht op een eerlijk proces, waaronder het recht op bijstand van een raadsman: het arrest oordeelt dat het geen rekening houdt met de verklaringen afgelegd door de eisers op onder meer 25 september 2006, dit is wanneer ze voor het eerst van hun vrijheid waren beroofd; niettemin neemt het arrest van het beroepen vonnis redenen over die geput zijn uit verklaringen die de eisers tijdens hun vrijheidsberoving op 25 en 27 september 2006 hebben afgelegd zonder bijstand van een raadsman en op grond waarvan dat vonnis de eisers schuldig verklaart aan de telastleggingen G; het betreft meer bepaald verklaringen van de eiser 1 dat hij om fiscale redenen niet kan zeggen of de Thaler bank in Zwitserland hem iets zegt, verklaringen van de eisers 2 en 3 dat die bank hen niets zegt en een proces-verbaal waarin de politie akteert dat de eiser 1 op 25 september 2006 zou hebben gezegd dat bij de Thaler bank gelden stonden die afkomstig waren van de zwarte verkoop van goud.
  26. Het arrest oordeelt niet dat het geen rekening houdt met de verklaringen van de eisers van 27 september 2007 noch dat de eisers op die datum van hun vrijheid waren beroofd. In zoverre het onderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag.
  27. Zonder desbetreffend te worden bekritiseerd, steunt het arrest (p. 72-73 en p. 85-91) de schuldigverklaring van de eisers aan de telastleggingen G op een geheel van eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen, gegrond op bewijselementen die geen verband houden met de hier bedoelde verklaringen van de eisers. Die zelfstandige redenen dragen de beslissing. Het onderdeel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  28. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de redenen vermeld in het eerste onderdeel, is het arrest tegenstrijdig gemotiveerd.
  29. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Vierde middel
  30. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest neemt voor de schuldigverklaring van de eiser 1 aan de telastlegging H de redenen van het beroepen vonnis over en sluit daarbij een verklaring van de eiser 1 uit; uit de overgenomen redenen blijkt echter niet of het oordeel over de schuld van de eiser 1 steunt op die geweerde verklaring dan wel op een andere, niet-geweerde verklaring; aldus kan het Hof niet nagaan welke redenen de appelrechters precies hebben overgenomen en of het arrest niet tegenstrijdig is gemotiveerd; bijgevolg kan het Hof zijn wettigheidstoezicht niet uitoefenen.
  31. Het arrest (p. 92) oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook: "Het voertuig is eigendom van [de eiser 1] en niet van de ambassade van Ivoorkust in Londen. Het geld dat voor de aankoop werd aangewend - 64.000 euro - is niet afkomstig van de staat Ivoorkust en kan geen legale oorsprong hebben. Op grond van de elementen van het dossier oordeelt het [hof van beroep] dat het bestede geld afkomstig is uit de opbrengsten van de sigarettensmokkel en smokkel van namaakviagra. Gelet op de resultaten van het bankonderzoek, kan het geld niet afkomstig zijn van legale inkomsten van [de eiser 1]. Door de aankoop van het voertuig in naam van de ambassade van Ivoorkust, kon [de eiser 1] de illegale herkomst van de vermogensvoordelen verbergen t.a.v. de buitenwereld en de oorsprong er van verhelen of verhullen. Aan het attest afgeleverd door de ambassade van Ivoorkust hecht het [hof van beroep] geen geloof. Het is voor het [hof van beroep] duidelijk dat [de eiser 1] zijn diplomatieke status in het Verenigd Koninkrijk gekocht heeft. De verklaring dat de ambassade 64.000 euro ter beschikking zou hebben gesteld voor de aankoop van het voertuig is volstrekt ongeloofwaardig."
  32. De zelfstandige eigen redenen die het arrest aldus toevoegt, houden geen verband met de door het middel bekritiseerde reden en dragen de beslissing. Het middel dat niet is gericht tegen die redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zesde middel
  33. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM: het arrest oordeelt dat, zelfs indien de door de onderzoeksrechter gebruikte bewoordingen in de rechtshulpverzoeken het vermoeden van onschuld zouden miskennen, dit niet tot gevolg heeft dat het eerlijk proces in zijn geheel niet meer mogelijk zou zijn en dat de resultaten van de rechtshulpverzoeken niet nietig zijn of uit het debat moeten worden geweerd; de onderzoeksrechter heeft in vijf rechtshulpverzoeken die precies tot doel hadden bewijsgegevens te vergaren over de nog te onderzoeken witwasfeiten, lastens de eisers als zeker en vaststaand feit vermeld dat de gelden afkomstig waren uit illegale activiteiten en als illegaal verkregen vermogensvoordelen werden witgewassen; bij het eerste rechtshulpverzoek was het gerechtelijk onderzoek nog geen drie maanden aangevat; de eisers hebben dan ook voor de appelrechters aangevoerd dat het ganse onderzoeksluik over witwassen werd uitgevoerd met miskenning van het vermoeden van onschuld en louter à charge, zodat het recht op een eerlijk proces is miskend en de desbetreffende stukken, evenals latere hiermee verband houdende stukken als bewijs à charge uit het debat moeten worden geweerd; op grond van de redenen die het vermeldt, kan het arrest niet zonder miskenning van het recht op een eerlijk proces tot het tegendeel besluiten.
  34. De enkele omstandigheid dat een onderzoeksrechter in rechtshulpverzoeken bewoordingen heeft gebruikt waarmee de te onderzoeken feiten reeds als zeker en vaststaand werden voorgesteld en hij zodoende het vermoeden van onschuld van een verdachte heeft miskend, heeft niet steeds tot gevolg dat de vonnisrechter die rechtshulpverzoeken en de eruit verkregen resultaten uit het debat moet weren. Bij afwezigheid van een uitdrukkelijke nietigheidssanctie kan de vonnisrechter die gegevens, of een deel ervan, slechts uit het debat weren indien hij vaststelt dat de vermelde gedraging van de onderzoeksrechter op onherstelbare wijze het recht op een eerlijk proces in zijn geheel in het gedrang heeft gebracht. Dit is het geval wanneer geen eerlijk proces meer mogelijk is gelet op de doorslaggevende impact van die gedraging op de kwaliteit van de bewijsgaring in de loop van het gehele onderzoek, de betrouwbaarheid van de uit de rechtshulpverzoeken verkregen resultaten en de mogelijkheden die de inverdenkinggestelde nog heeft om tegenover een onpartijdige rechter effectieve tegenspraak te voeren tegen de lastens hem ingebrachte betichtingen, met inbegrip van de resultaten van de rechtshulpverzoeken. De rechter oordeelt daarover onaantastbaar. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
  35. Het arrest oordeelt: "Net als de eerste rechter, is het [hof van beroep] van oordeel dat, zelfs indien de door de onderzoeksrechter gebruikte bewoordingen het vermoeden van onschuld zouden miskennen, dit niet tot gevolg heeft dat het eerlijk proces van [de eisers] in zijn geheel niet meer mogelijk zou zijn. Het blijkt ook niet dat de buitenlandse autoriteiten, wiens hulp werd aangezocht, zelf het vermoeden van onschuld zouden hebben miskend. [De eisers] moeten zich thans niet verantwoorden voor de handel in verdovende middelen en konden over alle tijdens het gerechtelijk onderzoek gedane vaststellingen, inclusief de resultaten van de IRC's tegenspraak voeren voor de bodemrechter. De aanwending van de bekomen resultaten van de IRC's als bewijs vormt geen schending van het recht van [de eisers] op een eerlijk proces. Het [hof van beroep] dient bijgevolg niet de resultaten van de rechtshulpverzoeken nietig te verklaren, noch de navolgend verkregen informatie te weren als bewijsmateriaal." Met die redenen verantwoorden de appelrechters, zonder uit hun vaststellingen gevolgen af te leiden die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen, de beslissing naar recht. Het middel kan niet worden aangenomen. Vijfde middel
  36. Het eerste onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.2 EVRM: het arrest oordeelt dat uit de bewoordingen van de onderzoeksrechter in de rechtshulpverzoeken aan Zwitserland en het Groothertogdom Luxemburg geen miskenning van het vermoeden van onschuld kan worden afgeleid; in die rechtshulpverzoeken, die dateren van de aanvangsfase van het gerechtelijk onderzoek, heeft de onderzoeksrechter expliciet vermeld dat de criminele organisatie zich bezig houdt met illegale activiteiten (zoals import van namaaksigaretten) en dat illegale middelen worden gebruikt (gestolen paspoorten en gestolen voertuigen) en dat uit deze illegale activiteiten illegale vermogensvoordelen werden verkregen en deze werden witgewassen; aldus heeft de onderzoeksrechter zijn oordeel te kennen gegeven dat deze feiten vaststaan en zich dus voorbarig uitgesproken over de schuld van de eisers; uit de redenen die het bevat, kan het arrest niet wettig afleiden dat het vermoeden van onschuld van de eisers niet is miskend. Het tweede onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de rechtshulpverzoeken aan Zwitserland en het Groothertogdom Luxemburg, alsmede van de tweede syntheseconclusie van de eisers door, eensdeels, te oordelen dat bepaalde bekritiseerde bewoordingen van de onderzoeksrechter steunen op de verklaringen van H.A. en, anderdeels, te oordelen dat de eisers bepaalde uitspraken buiten hun context citeren en bij het citeren van het rechtshulpverzoek van 22 december 2005 ook context weglaten; de eisers nemen in hun beroepsconclusie immers de bewoordingen van dat rechtshulpverzoek uitdrukkelijk over en geven zo mede uitdrukkelijk aan wanneer het gaat om een verklaring van H.A.
  37. Het arrest verwerpt het verweer van de eisers in verband met de in het middel bekritiseerde rechtshulpverzoeken niet enkel op grond van de in dit middel aangevochten redenen, maar ook op grond van de zelfstandige redenen vermeld in het antwoord op het zesde middel.
  38. Het middel dat in geen van zijn onderdelen opkomt tegen die laatste redenen, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Zevende middel Eerste onderdeel
  39. Het onderdeel voert schending aan van artikel 3.3 van het Europees verdrag van 20 april 1959 aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (hierna: Europees Rechtshulpverdrag): met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest dat er, in geval van niet-naleving van het voormelde artikel, geen twijfel is over de betrouwbaarheid van de stukken die vanuit Zwitserland werden overgemaakt; krachtens dat artikel moet de aangezochte staat in de regel geen originele documenten toezenden, maar hij kan volstaan met een toezending van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotokopieën van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht; die regel slaat echter rechtstreeks op de betrouwbaarheid van de overgemaakte kopiedocumenten, daar de aangezochte staat daarmee ten aanzien van de verzoekende staat bevestigt dat de overgemaakte kopieën gelijk zijn aan de originele documenten en hiermee dus de echtheid van de overgemaakte kopieën bevestigt.
  40. Artikel 3.3 Europees Rechtshulpverdrag bepaalt: "De aangezochte Partij zal kunnen volstaan met de toezending van voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotocopieën van de dossiers of documenten waarom wordt verzocht. Indien de verzoekende Partij uitdrukkelijk vraagt om toezending van het origineel, dient zoveel mogelijk aan een dergelijk verzoek gevolg te worden gegeven." De naleving van die bepaling is niet voorgeschreven op straffe van een sanctie en de niet-naleving ervan belet de rechter niet te oordelen dat de niet voor eensluidend gewaarmerkte afschriften of fotokopieën toch betrouwbaar zijn. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
  41. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: met de loutere overname van de redenen van het beroepen vonnis beantwoordt het arrest niet het verweer van de eisers over de betrouwbaarheid van de overgemaakte stukken, die precies een kritiek inhielden op de overgenomen redenen.
  42. Het feit dat een verweer in hoger beroep kritiek inhoudt op een beslissing van het beroepen vonnis, verplicht de appelrechters die deze beslissing handhaven niet noodzakelijk om een eigen antwoord op die kritiek te formuleren. Wanneer zij oordelen dat de redenen van het beroepen vonnis volstaan om het verweer van de appellant met inbegrip van zijn vermelde kritiek te beantwoorden, kunnen zij volstaan met de overname van de desbetreffende redenen van dat vonnis. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  43. Met de redenen die het arrest overneemt van het beroepen vonnis, beantwoordt het eisers' verweer en kritiek. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Achtste middel Eerste onderdeel
  44. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3°, en 505 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de in Zwitserland aangetroffen vermogensvoordelen integraal en als enige mogelijkheid afkomstig zijn van de door de eisers opgezette criminele organisatie en deze voordelen van de criminele organisatie als witgewassen gelden per eiser moeten worden verbeurdverklaard overeenkomstig artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, waarbij in deze bedragen zijn begrepen de eventuele tegoeden van de rekeningen bij de Zwitserse Thaler bank gehouden op naam van een Panamese vennootschap; door niet vast te stellen dat de opgelegde straf van de verbeurdverklaring van geldbedragen, waaronder de gelden op een buitenlandse bankrekening op naam van een buitenlandse vennootschap die niet wordt veroordeeld, geen schade berokkent aan de rechten die derden op de voor de verbeurdverklaring vatbare gelden kunnen doen gelden, schendt het bestreden arrest artikel 505, zesde lid, Strafwetboek; vervolgens beschouwt het arrest dezelfde gelden ook als het vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie in de zin van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek en dus als de instrumenten van deze criminele organisatie; de instrumenten van de criminele organisatie kunnen niet simultaan zaken bedoeld in artikel 42, 3°, Strafwetboek zijn en kunnen dus niet worden verbeurdverklaard op basis van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek; door de betreffende gelden mede te beschouwen als het aan een criminele organisatie ter beschikking staande vermogen en ze verbeurd te verklaren op basis van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, schendt het bestreden arrest de artikelen 42, 3° en 505 Strafwetboek.
  45. Het arrest oordeelt: "De witgewassen gelden, vermogens van de criminele organisatie, dienen verbeurd te worden verklaard overeenkomstig de bepalingen van artikel 505, zesde lid van het strafwetboek juncto artikel 42.1° van het strafwetboek. Ten overvloede merkt het [hof van beroep] op dat de bijzondere verbeurdverklaring van de in Zwitserland geparkeerde gelden ook op basis van artikel 43quater § 4 van het strafwetboek dient te worden uitgesproken daar het gaat om een vermogen dat ter beschikking staat van een criminele organisatie. Artikel 43quater § 4 van het strafwetboek is in werking sinds 24 februari
  46. Ook na deze datum werd het vermogen van de criminele organisatie aangehouden in Zwitserland en werd het verder vanuit België beheerd. De verbeurdverklaring van het vermogen van de criminele organisatie doet geen afbreuk aan de rechten van derden te goeder trouw."
  47. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie moet de rechter niet uitdrukkelijk vermelden dat de verbeurdverklaring die hij beveelt op grond van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek, geen miskenning inhoudt van de rechten die derden op de verbeurdverklaarde goederen kunnen doen gelden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  48. De verbeurdverklaring op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, voegt niets toe en doet evenmin afbreuk aan de verbeurdverklaring die het arrest wettig beveelt op grond van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek. In zoverre gericht tegen de verbeurdverklaring van de gelden op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, is het onderdeel bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  49. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 43quater, § 4, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het aan de criminele organisatie ter beschikking staande vermogen slaat op vermogensvoordelen die verkregen zijn uit de criminele organisatie; illegale vermogensvoordelen zijn echter te onderscheiden van de instrumenten die dienstig zijn voor de activiteiten van de criminele organisatie; bovendien beveelt het arrest de verbeurdverklaring van de gelden op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek zonder te antwoorden op het verweer van de eisers dat van de betreffende bankrekeningen in Zwitserland nooit geld is afgegaan behoudens voor beleggingen.
  50. Uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat het onderdeel, dat enkel opkomt tegen de verbeurdverklaring van de gelden op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek, niet ontvankelijk is. Derde onderdeel
  51. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is tegenstrijdig dan wel onduidelijk gemotiveerd door te oordelen dat dezelfde geldbedragen moeten worden verbeurdverklaard én als witgewassen vermogensvoordelen afkomstig uit de criminele organisatie op grond van artikel 505, zesde lid, Strafwetboek én als vermogen dat ter beschikking staat van de criminele organisatie en dus als misdrijfinstrument van de criminele organisatie op grond van artikel 43quater, § 4, Strafwetboek; dezelfde gelden kunnen niet op hetzelfde tijdstip verkregen zijn uit een misdrijf en instrumenten zijn van datzelfde misdrijf.
  52. Het aangevoerde motiveringsgebrek is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid. Het onderdeel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  53. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 377,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en op de openbare rechtszitting van 11 februari 2020 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200211.2N.4 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250603.2N.5 precedenten: ECLI:BE:CASS:1999:ARR.19990609.19 ECLI:BE:CASS:2008:ARR.20080422.3 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110927.3 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131030.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150624.2 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160217.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191105.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.