← België

WIFAC HOLDING BV c. BELGSICHE STAAT FOD FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.2 Rolnummer: F.17.0154.N Zaak: WIFAC HOLDING BV c. BELGSICHE STAAT FOD FINANCIËN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2020-03-24 Raadplegingen: 325 - laatst gezien 2026-06-28 07:50 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vervaltermijn van vijf jaar, die een onvoldoende voortvarende belastingplichtige die heeft nagelaten aanspraak te maken op zijn recht op aftrek van de voorbelasting moet bestraffen met het verval van het recht op aftrek, kan niet worden beschouwd als onverenigbaar met de bij de Zesde richtlijn ingevoerde regeling voor zover deze termijn op dezelfde wijze geldt voor soortgelijke rechten in belastingzaken naar nationaal recht en naar Unierecht (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van het recht op aftrek bovendien in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel). Thesaurus CAS: BELASTING OVER DE TOEGEVOEGDE WAARDE Vrije woorden: Recht op aftrek - Vervaltermijn - Verenigbaarheid met de zesde richtlijn - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Koninklijk Besluit met nummer - 3 - 10-12-1969 - Art. 4 - 31 Link Justel databank 19691210-31 Tekst van de beslissing Nr. F.17.0154.N WIFAC HOLDING bv, met zetel te 3641 RP Mijdrecht (Nederland), Nijverheidsweg 7-9, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de eerstaanwezend inspecteur van het Centraal Btw-kantoor voor Buitenlandse Belastingplichtigen, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3107, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat

  1. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 4 juni
  2. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 26 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals te dezen toepasselijk, waarin de termijn en de modaliteiten van het recht op aftrek zijn opgenomen, bepaalt: "§ 1 De belastingplichtige oefent zijn recht op aftrek globaal uit door op het totaalbedrag van de belasting verschuldigd voor een aangiftetijdvak, het totaalbedrag toe te rekenen van de belasting waarvoor het recht op aftrek tijdens hetzelfde tijdvak is ontstaan en uitgeoefend kan worden krachtens artikel
  4. Wanneer de formaliteiten waarvan het uitoefenen van het recht op aftrek onderworpen is, niet tijdig worden vervuld (...) wordt dat recht uitgeoefend in de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de formaliteiten worden vervuld. § 2 Wanneer de belastingplichtige zijn recht op aftrek niet heeft uitgeoefend overeenkomstig § 1, kan hij het nog uitoefenen binnen vijf jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop het recht op aftrek is ontstaan."
  5. Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelt in vaste rechtspraak met betrekking tot het verval van het recht op aftrek van de btw (arresten van 8 mei 2008 in de gevoegde zaken C-95/07 en C-96/07, Ecotrade, r.o. 39 tot en met 46; arrest van 12 juli 2012 in de zaak C-284/11, EMS-Bulgaria Transport OOD, r.o. 43 e.v.; arrest van 28 juli 2016 in de zaak C-332/15, Giuseppe Antoni, r.o. 29 e.v.; arrest van 21 maart 2018 in de zaak C-533/16, Volkswagen AG, r.o. 37 e.v.) dat: - het recht op aftrek integrerend deel uitmaakt van de btw-regeling en in beginsel niet kan worden beperkt; - het recht op aftrek onmiddellijk wordt uitgeoefend voor alle belasting die op de in de eerdere stadia verrichte handelingen heeft gedrukt; - het recht op aftrek in beginsel wordt uitgeoefend in dezelfde periode als die waarin dat recht is ontstaan; - aan de belastingplichtige niettemin kan worden toegestaan aftrek te verrichten ook al heeft hij dat recht niet uitgeoefend in de periode waarin dat recht is ontstaan, en dat, in dit geval, de belastingplichtige voor de uitoefening van zijn recht evenwel moet voldoen aan een aantal door de lidstaten vastgestelde voorwaarden en voorschriften; - de lidstaten bijgevolg kunnen eisen dat het recht op aftrek wordt uitgeoefend hetzij in de periode waarin het is ontstaan, hetzij tijdens een langere periode op voorwaarde dat is voldaan aan een aantal in hun nationale regeling omschreven voorwaarden en voorschriften; - op basis van alle omstandigheden van het concrete geval moet worden onderzocht of de vervaltermijn in overeenstemming is met het doeltreffendheidsbeginsel; - de mogelijkheid om het recht op aftrek uit te oefenen zonder tijdsbeperking haaks staat op het rechtszekerheidsbeginsel, dat verlangt dat de fiscale situatie van een belastingplichtige, met name zijn rechten en plichten jegens de belastingadministratie, niet gedurende onbepaalde tijd in het ongewisse blijft; - bovendien een vervaltermijn, die een onvoldoende voortvarende belastingplichtige die heeft nagelaten aanspraak te maken op zijn recht op aftrek van de voorbelasting moet bestraffen met het verval van het recht op aftrek, niet kan worden beschouwd als onverenigbaar met de bij de Zesde richtlijn ingevoerde regeling voor zover deze termijn op dezelfde wijze geldt voor soortgelijke rechten in belastingzaken naar nationaal recht en naar Unierecht (gelijkwaardigheidsbeginsel), en de uitoefening van het recht op aftrek bovendien in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt (doeltreffendheidsbeginsel).
  6. De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiseres niet betwist dat zij reeds eerder dan op 6 maart 2000 een aanvraag tot het verkrijgen van een Belgisch btw-nummer had kunnen indienen; - de eiseres niet ernstig kan voorhouden dat de handelwijze van de administratie door haar niet kon worden vermeden; - de eiseres immers de termijn en de modaliteiten van het recht op aftrek, bepaald in artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3, kende of alleszins diende te kennen; - de eiseres nochtans, toen zij op 6 maart 2000 haar aanvraag tot verkrijging van een Belgisch btw-identificatienummer indiende, de aandacht van de administratie niet vestigde op het nakende einde van de vervaltermijn; - de eiseres evenmin een herinnering stuurde naar de administratie toen de beslissing nopens haar aanvraag uitbleef; - de eiseres tevergeefs zoekt de eigen passieve houding te rechtvaardigen door het feit dat de administratie kennis had van de aftrek van de btw die zij wilde toepassen, aangezien de administratie reeds naar aanleiding van de btw-controle van 1999 van WIFAC nv de aftrek van de btw had verworpen, stellende dat de eiseres de betreffende btw in aftrek had dienen te brengen; - de eiseres, ten slotte en niet het minst, in haar aanvraag onjuiste en misleidende informatie verstrekte aan de administratie, door, als bijlage aan de aanvraag, haar aangifte van aanvang van werkzaamheid te voegen, waarin zij als aanvangsdatum had vermeld 26 december 1999, datum die manifest onjuist is, vermits zij al in 1995 belastbare handelingen verrichtte.
  7. Met die redenen geven de appelrechters te kennen dat het verval van het recht op aftrek van btw wegens het verstrijken van de wettelijke termijn van vijf jaar, enkel en alleen te wijten is aan de eiseres, en dat de administratie, mede gelet op de informatie die haar is verstrekt door de eiseres met betrekking tot de aanvang van de werkzaamheden, de aftrek van de btw niet onmogelijk heeft gemaakt door de aanvraag van de eiseres van 6 maart 2000 tot het toekennen van een btw-identificatienummer in te willigen op 28 september 2000 met ingang van 1 september
  8. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  9. Met de redenen vermeld in het antwoord op het eerste middel, geven de appelrechters aan dat de verweerder geen fout heeft begaan. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  10. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel hebben de appelrechters geoordeeld dat de verweerder geen fout heeft begaan, zodat de grief met betrekking tot het oorzakelijk verband tussen de fout en de schade, gericht is tegen een overtollige reden. Het onderdeel kan, zelfs al ware het gegrond, niet tot cassatie leiden en is mitsdien niet ontvankelijk. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 314,35 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.