← België

V. contra Het VLAAMS GEWEST

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 13 februari 2020 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.4 Rolnummer: F.18.0141.N Zaak: V. contra Het VLAAMS GEWEST Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 745 - laatst gezien 2026-06-28 07:50 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200213.1N.4 Fiches 1 - 4 Artikel 17 Wetboek Successierechten, thans artikel 2.7.5.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit, voorziet voor onroerende goederen gelegen in het buitenland in een vermindering van de in België verschuldigde erfbelasting met het bedrag van de in het buitenland geheven erfbelasting op het onroerend goed; de vraag wordt gesteld aan het Grondwettelijk Hof of artikel 17 Wetboek Successierechten geen schending oplevert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door niet in eenzelfde vermindering van de in België verschuldigde erfbelasting te voorzien voor roerende goederen die in het buitenland gelegen zijn en aldaar worden belast

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: SUCCESSIERECHTEN Vrije woorden: vermindering met het bedrag van in het buitenland geheven erfbelasting op onroerende goederen - Artikel 17 - Verenigbaarheid met het gelijkheidsbeginsel - Prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 17 - 30 Link Justel databank 19360331-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 10 Vrije woorden: Successierechten - vermindering met het bedrag van in het buitenland geheven erfbelasting op onroerende goederen - Artikel 17 - Verenigbaarheid - Prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 17 - 30 Link Justel databank 19360331-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 1 TOT 99) - Artikel 11 Vrije woorden: Successierechten - vermindering met het bedrag van in het buitenland geheven erfbelasting op onroerende goederen - Artikel 17 - Verenigbaarheid - Prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 17 - 30 Link Justel databank 19360331-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Thesaurus CAS: GRONDWET - GRONDWET 1994 (ART. 100 TOT EINDE) - Artikel 172 Wettelijke bepalingen: Wetboek van Successierechten - 31-03-1936 - Art. 17 - 30 Link Justel databank 19360331-30 De gecoördineerde Grondwet 1994 - 17-02-1994 - Artt. 10, 11 en 172 - 30 ELI link Pub nr 1994021048 Fiches 5 - 6 Wanneer de appelrechters hebben geweigerd om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 Grondwet, en de eiser in het cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht, maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf, dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag, is het Hof in beginsel gehouden zelf die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vragen - Hof van Cassatie - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Grondwettelijk Hof - Hof van Cassatie - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 2, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1989021001 Tekst van de beslissing Nr. F.18.0141.N
  1. A. V. D.,
  2. C. B.,
  3. J. B., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, tegen VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, voor wie optreedt de Vlaamse minister van Begroting, Financiën en Energie, met kabinet te 1000 Brussel, Kreupelenstraat 2, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat
  4. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 27 maart
  5. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 26 december 2019 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Tweede onderdeel
  6. Wanneer de appelrechters hebben geweigerd om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de schending, door de wet, van de artikelen 10 en 11 Grondwet, en de eiser in het cassatiemiddel niet alleen de afwijzing van zijn vraag aanvecht, maar tevens de beslissing bekritiseert over het geschil zelf, dat voor hem de grond oplevert tot het opwerpen van een prejudiciële vraag, is het Hof in beginsel gehouden zelf die vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen.
  7. Krachtens artikel 15 Wetboek Successierechten, vóór de opheffing ervan, voor wat betreft het Vlaams Gewest, bij artikel 5.0.0.0.1, 4° van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, is het successierecht verschuldigd op de algemeenheid van de aan de overledene of aan de afwezige toebehorende goederen, waar ook ze zich bevinden, na aftrek der schulden en behoudens toepassing van de artikelen 16 en
  8. Artikel 17 Wetboek Successierechten, vóór de opheffing ervan, voor wat betreft het Vlaams Gewest, bij artikel 5.0.0.0.1, 4° van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, bepaalt dat wanneer het actief van de nalatenschap van een Rijksinwoner in het buitenland gelegen onroerende goederen omvat, die aanleiding geven tot het heffen, in het land van de ligging, van een erfbelasting, wordt het in België opvorderbaar successierecht, in de mate waarin het deze goederen treft, verminderd met het bedrag van de in het land der ligging geheven belasting, deze omgerekend in euro op de datum van de betaling van de belasting.
  9. Voormeld artikel 17, thans artikel 2.7.5.0.4 Vlaamse Codex Fiscaliteit, voorziet aldus voor onroerende goederen gelegen in het buitenland in een vermindering van de in België verschuldigde erfbelasting met het bedrag van de in het buitenland geheven erfbelasting op het onroerend goed.
  10. De vraag rijst of artikel 17 Wetboek Successierechten geen schending oplevert van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel door niet in eenzelfde vermindering van de in België verschuldigde erfbelasting te voorzien voor roerende goederen die in het buitenland gelegen zijn en aldaar worden belast. Er bestaat grond om het Grondwettelijk Hof de in het dictum vermelde vraag te stellen. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Grondwettelijk Hof uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vraag: "Schendt artikel 17 van het Wetboek van Successierechten, vóór de opheffing ervan, voor wat betreft het Vlaamse Gewest, bij artikel 5.0.0.0.1, 4°, van het Decreet van 13 december 2013 houdende de Vlaamse Codex Fiscaliteit, de artikelen 10, 11 en 172 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre het erin voorziet dat voor de belastingplichtigen, wanneer het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner in het buitenland gelegen onroerende goederen bevat die in het land van de ligging ervan aanleiding geven tot het heffen van een erfbelasting, het in België opvorderbare successierecht, in de mate dat het deze goederen treft, wordt verminderd met het bedrag van de in het land van de ligging geheven erfbelasting, terwijl het niet erin voorziet dat voor de belastingplichtigen, wanneer het actief van de nalatenschap van een rijksinwoner in het buitenland aangehouden roerende goederen bevat die in het land waar de goederen worden aangehouden aanleiding geven tot het heffen van een erfbelasting, het in België opvorderbare successierecht, in de mate dat het deze goederen treft, wordt verminderd met het bedrag van de in dat land geheven erfbelasting ?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 13 februari 2020 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200213.1N.4 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2020:CONC.20200213.1N.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.